Herziene Statenvertaling (HSV)
6

Gestorven aan de zonde

61Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt?

2Volstrekt niet! Hoe zullen wij, die met betrekking tot de zonde gestorven zijn, nog daarin leven?

3Of weet u niet

6:3
Gal. 3:27
dat wij allen die in Christus Jezus gedoopt zijn, in Zijn dood gedoopt zijn?

4

6:4
Kol. 2:12
Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat evenals Christus uit de doden is
6:4
Rom. 8:11
Filipp. 3:10,11
opgewekt tot6:4 tot - Aldus SV; of: door. de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij
6:4
Efez. 4:23
Kol. 3:10
Hebr. 12:1
1 Petr. 2:2
in een nieuw leven zouden wandelen.

5

6:5
Rom. 8:11
Kol. 3:1
Want als wij met Hem één plant zijn geworden, gelijkgemaakt aan Hem in Zijn dood,6:5 gelijkgemaakt … in Zijn dood - Letterlijk: in de gelijkmaking van Zijn dood. dan zullen wij ook aan Hem gelijk zijn in Zijn opstanding.

6Dit weten wij toch, dat onze oude mens

6:6
Gal. 2:20
5:24
Filipp. 3:10
1 Petr. 4:1,2
met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam van de zonde tenietgedaan zou worden en wij niet meer als slaaf de zonde zouden dienen.

7

6:7
1 Petr. 4:1
Want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde.

8

6:8
2 Tim. 2:11
Als wij nu met Christus gestorven zijn, geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven.

9

6:9
Openb. 1:18
Wij weten toch dat Christus, nu Hij is opgewekt uit de doden, niet meer sterft. De dood heerst niet meer over Hem.

10

6:10
1 Petr. 2:24
Want wat Zijn sterven betreft, is Hij eens en voor altijd voor de zonde gestorven, en wat Zijn leven betreft, leeft Hij voor God.

11Zo dient ook u uzelf te rekenen als dood voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus, onze Heere.

12Laat de zonde dan niet in uw sterfelijk lichaam regeren om aan de begeerten daarvan te gehoorzamen.

13En stel uw leden niet ter beschikking aan de zonde als wapens van ongerechtigheid,

6:13
Luk. 1:74
Rom. 12:1
Gal. 2:20
Hebr. 9:14
1 Petr. 4:2
maar stel uzelf ter beschikking aan God, als mensen die uit de doden levend geworden zijn. En laat uw leden wapens van gerechtigheid zijn voor God.

14Want de zonde zal over u niet heersen. U bent namelijk niet onder de wet, maar onder de genade.

Dienstbaar aan de gerechtigheid

15Wat dan? Zullen wij zondigen omdat wij niet onder de wet maar onder de genade zijn? Volstrekt niet!

16Weet u niet

6:16
Joh. 8:34
2 Petr. 2:19
dat aan wie u uzelf als slaaf ter beschikking stelt tot gehoorzaamheid, u slaaf bent van wie u gehoorzaamt: óf van de zonde, tot de dood, óf van de gehoorzaamheid, tot gerechtigheid?

17Maar God zij dank: u was wel slaaf van de zonde, maar nu bent u van harte gehoorzaam geworden aan het voorbeeld van de leer waaraan u overgegeven bent.

18

6:18
Joh. 8:32
Gal. 5:1
1 Petr. 2:16
En, vrijgemaakt van de zonde, bent u dienstbaar gemaakt aan de gerechtigheid.

19Ik spreek op menselijke wijze vanwege de zwakheid van uw vlees. Want zoals u uw leden beschikbaar gesteld hebt ten dienste van de onreinheid en van de ene wetteloosheid tot de andere wetteloosheid, stel zo nu uw leden beschikbaar ten dienste van de gerechtigheid, tot heiliging.

20

6:20
Joh. 8:34
Want toen u slaaf van de zonde was, was u vrij ten aanzien van de gerechtigheid.

21Wat voor vrucht dan had u toen van de dingen waarover u zich nu schaamt? Immers, het einde daarvan is de dood.

22Maar nu, van de zonde vrijgemaakt en aan God dienstbaar gemaakt, hebt u uw vrucht, die tot heiliging leidt, met als einde eeuwig leven.

23

6:23
Gen. 2:17
Rom. 5:12
1 Kor. 15:21
Jak. 1:15
Want het loon van de zonde is de dood,
6:23
1 Petr. 1:3
maar de genadegave van God is eeuwig leven, door Jezus Christus, onze Heere.

7

Vrij van de wet

71Of, broeders, weet u niet – ik spreek immers tot mensen die de wet kennen – dat de wet over de mens heerst zolang hij leeft?

2

7:2
1 Kor. 7:39
Want de gehuwde vrouw is door de wet
7:2
1 Kor. 7:2,10
gebonden aan de man zolang hij leeft. Als de man echter gestorven is, is zij ontslagen van de wet die haar aan de man bond.

3

7:3
Matt. 5:32
Daarom dan, als zij de vrouw van een andere man wordt terwijl haar man leeft, zal zij een overspelige genoemd worden. Als haar man echter gestorven is, is zij vrij van de wet, zodat zij geen overspelige is als zij de vrouw van een andere man wordt.

4Zo, mijn broeders,

7:4
Gal. 2:19
1 Petr. 4:1
bent u ook door het lichaam van Christus gedood met betrekking tot de wet, opdat u aan een Ander zou toebehoren, namelijk aan Hem Die uit de doden opgewekt is, opdat wij vrucht zouden dragen voor God.

5Want toen wij in het vlees waren, waren de hartstochten van de zonden, die geprikkeld worden door de wet, in onze leden werkzaam om vrucht te dragen voor de dood.

6Maar nu zijn wij ontslagen van de wet, gestorven aan dat waaraan wij vastgebonden zaten, zodat wij

7:6
Rom. 2:29
2 Kor. 3:6
in nieuwheid van Geest dienen, en niet in oudheid van letter.

De wet leert de zonde kennen

7Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Ja,

7:7
Rom. 3:20
Hebr. 7:18
ik zou de zonde niet hebben leren kennen dan door de wet. Ik zou immers ook niet geweten hebben dat begeerte zonde was, als de wet niet zei:
7:7
Ex. 20:17
Deut. 5:21
U zult niet begeren.

8

7:8
Joh. 15:22
Rom. 4:15
5:20
Gal. 3:19
Maar de zonde heeft door het gebod een aanleiding gevonden en in mij allerlei begeerte teweeggebracht, want zonder de wet is de zonde dood.

9Ik nu leefde voorheen zonder wet, maar toen het gebod kwam, is de zonde weer levend geworden. Ik echter ben gestorven.

10En het gebod, dat tot leven had moeten leiden, bleek voor mij de dood te betekenen.

11Want de zonde heeft door het gebod een aanleiding gevonden en mij misleid en daardoor gedood.

12

7:12
1 Tim. 1:8
Zo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.

13Is dan het goede de oorzaak van mijn dood geworden? Volstrekt niet! Maar de zonde heeft – opdat zij als zonde zichtbaar zou worden – door het goede voor mij de dood teweeggebracht, opdat door het gebod de zonde uitermate zondig zou blijken te zijn.

Inwendige strijd

14Want wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk,

7:14
Jes. 52:3
verkocht onder de zonde.

15Wat ik namelijk teweegbreng, doorzie ik niet,

7:15
Gal. 5:17
want niet wat ik wil, dat doe ik, maar wat ik haat, dat doe ik.

16En als ik dat doe wat ik niet wil, val ik de wet bij dat zij goed is.

17Nu ben ik het echter niet meer die dit teweegbrengt, maar de zonde die in mij woont.

18

7:18
Gen. 6:5
8:21
Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, niets goeds woont. Immers, het willen is er bij mij wel, maar het goede teweegbrengen, dat vind ik niet.

19Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.

20Als ik nu dat doe wat ik niet wil, breng ík dat niet meer teweeg, maar de zonde die in mij woont.

21Ik ontdek dus deze wet in mij: dat, als ik het goede wil doen, het kwade dicht bij mij ligt.

22

7:22
Efez. 3:16
Want naar de innerlijke mens verheug ik mij in de wet van God.

23

7:23
Gal. 5:17
Maar in mijn leden zie ik een andere wet, die tegen de wet van mijn verstand strijd voert en mij tot gevangene maakt van de wet van de zonde, die in mijn leden is.

24Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?

25Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere.

26Zo dien ik dan zelf wel met het verstand de wet van God, maar met het vlees de wet van de zonde.

8

Het leven door de Geest

81Dus is er nu geen verdoemenis voor hen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.

2

8:2
Joh. 8:36
Rom. 6:18,22
Gal. 5:1
Want de wet van de Geest van het leven in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet van de zonde en van de dood.

3

8:3
Hand. 13:39
Rom. 3:28
Gal. 2:16
Hebr. 7:18
Want wat voor de wet onmogelijk was, krachteloos als zij was door het vlees, dat heeft God gedaan: Hij heeft Zijn eigen Zoon gezonden in een gedaante gelijk aan het zondige vlees8:3 in een gedaante gelijk aan het zondige vlees - Letterlijk: in gelijkheid van het vlees van zonde. en dat omwille van de zonde, en
8:3
2 Kor. 5:21
Gal. 3:13
de zonde veroordeeld in het vlees,

4opdat de rechtvaardige eis van de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.

5

8:5
1 Kor. 2:14
Immers, zij die naar het vlees zijn, bedenken de dingen van het vlees, maar zij die naar de Geest zijn, de dingen van de Geest.

6Want het denken van het vlees is de dood, maar het denken van de Geest is leven en vrede.

7Immers, het denken van het vlees is vijandschap tegen God. Het onderwerpt zich namelijk niet aan de wet van God, want het kan dat ook niet.

8En zij die in het vlees zijn, kunnen God niet behagen.

9Maar u bent niet in het vlees, maar in de Geest, wanneer althans8:9 wanneer althans - Of: omdat. de Geest van God

8:9
1 Kor. 3:16
in u woont. Maar als iemand de Geest van Christus niet heeft, die is niet van Hem.

10Als Christus echter in u is, dan is het lichaam wel dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid.

11En als de Geest van Hem Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont,

8:11
Rom. 6:4,5
1 Kor. 6:14
2 Kor. 4:14
Efez. 2:5
Kol. 2:13
zal Hij Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door Zijn Geest, Die in u woont.

12Welnu, broeders, wij zijn aan het vlees niet verplicht om naar het vlees te leven.

13Want als u naar het vlees leeft, zult u sterven. Als u echter door de Geest de daden van het lichaam doodt, zult u leven.

14

8:14
Gal. 5:18
Immers, zovelen als er door de Geest van God geleid worden, die zijn kinderen van God.

15

8:15
1 Kor. 2:12
2 Tim. 1:7
Want u hebt niet de Geest van slavernij ontvangen, die opnieuw tot angst leidt,
8:15
Jes. 56:5
Gal. 3:26
4:5,6
maar u hebt de Geest van aanneming tot kinderen ontvangen, door Wie wij roepen: Abba, Vader!

16

8:16
2 Kor. 1:22
5:5
Efez. 1:13
4:30
De Geest Zelf getuigt met onze geest8:16 getuigt met onze geest - Of: getuigt mede aan onze geest. dat wij kinderen van God zijn.

17En als wij kinderen zijn, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus;

8:17
2 Tim. 2:11,12
wanneer wij althans met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.

De eerstelingen van de Geest

18

8:18
Matt. 5:12
2 Kor. 4:10,17
Filipp. 3:20
1 Petr. 4:13
1 Joh. 3:1,2
Want ik ben ervan overtuigd dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden.

19Met reikhalzend verlangen immers verwacht de schepping het openbaar worden van de kinderen van God.

20Want de schepping is aan de zinloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar door hem die haar daaraan onderworpen heeft,

21in de hoop dat ook de schepping zelf zal bevrijd worden van de slavernij van het verderf om te komen tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God.

22Want wij weten dat heel de schepping gezamenlijk zucht en gezamenlijk in barensnood verkeert tot nu toe.

23En dat niet alleen, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wijzelf zuchten in onszelf, in de verwachting van de aanneming tot kinderen, namelijk

8:23
Luk. 21:28
de verlossing van ons lichaam.

24Want in de hoop zijn wij zalig geworden. Hoop nu die gezien wordt, is geen hoop. Immers, wat iemand ziet, waarom zou hij dat nog hopen?

25Maar als wij hopen wat wij niet zien, dan verwachten wij het met volharding.

26En evenzo komt ook de Geest onze zwakheden te hulp,

8:26
Matt. 20:22
Jak. 4:3
want wij weten niet wat wij bidden zullen zoals het behoort. De Geest Zelf echter pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.

27En Hij Die de harten doorzoekt, weet wat het denken van de Geest is, omdat Hij naar de wil van God voor de heiligen pleit.

28En wij weten dat voor hen die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, voor hen namelijk die overeenkomstig Zijn voornemen geroepen zijn.

29Want hen die Hij van tevoren gekend heeft, heeft Hij er ook van tevoren toe bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij

8:29
Kol. 1:18
de Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders.

30En hen die Hij er van tevoren toe bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen, en hen die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd, en hen die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt.

Meer dan overwinnaars

31Wat zullen wij dan over deze dingen zeggen?

8:31
Num. 14:8
Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?

32Hoe zal Hij, Die zelfs

8:32
Gen. 22:12
Jes. 53:5
Joh. 3:16
Zijn eigen Zoon niet gespaard maar voor ons allen overgegeven heeft, ons ook met Hem niet alle dingen schenken?

33Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorenen van God?

8:33
Jes. 50:8
God is het Die rechtvaardigt.

34Wie is het die verdoemt? Christus is het Die gestorven is, ja wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook aan de rechterhand van God is,

8:34
Hebr. 7:25
Die ook voor ons pleit.

35Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard?

36Zoals geschreven staat:

8:36
Ps. 44:23
1 Kor. 4:9
2 Kor. 4:11
Want omwille van U worden wij de hele dag gedood, wij worden beschouwd als slachtschapen.

37Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad.

38Want ik ben ervan overtuigd dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen,

39noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, onze Heere.