Herziene Statenvertaling (HSV)
4

Abraham door het geloof gerechtvaardigd

41Wat zullen wij dan zeggen

4:1
Jes. 51:2
dat Abraham, onze vader, wat het vlees betreft verkregen heeft?

2Immers, als Abraham uit werken gerechtvaardigd is, heeft hij iets om zich op te beroemen, maar niet bij God.

3Want wat zegt de Schrift?

4:3
Gen. 15:6
Gal. 3:6
Jak. 2:23
En Abraham geloofde God, en het is hem tot gerechtigheid gerekend.

4Aan hem nu die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar wat men hem verschuldigd is.

5Bij hem echter die niet werkt, maar gelooft in Hem Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid.

6Zoals ook David de mens zalig spreekt aan wie God gerechtigheid toerekent, zonder werken:

7

4:7
Ps. 32:1
Welzalig zijn zij van wie de ongerechtigheden vergeven, en van wie de zonden bedekt zijn,

8welzalig is de man aan wie de Heere de zonde niet toerekent.

9Geldt deze zaligspreking nu alleen voor besneden mensen of ook voor onbesneden mensen?4:9-12 onbesneden - Letterlijk: de voorhuid. Wij zeggen immers dat aan Abraham het geloof gerekend is tot gerechtigheid.

10Hoe is het hem dan toegerekend? Toen hij besneden was of als een onbesnedene? Niet als besnedene, maar als onbesnedene!

11

4:11
Gen. 17:11
En hij heeft het teken van de besnijdenis ontvangen als een zegel van de gerechtigheid van het geloof dat hij had toen hij nog onbesneden was, opdat hij een vader zou zijn van allen die geloven, hoewel zij onbesneden zijn, opdat ook hun de gerechtigheid toegerekend zou worden;

12en om een vader te zijn van hen die besneden zijn, voor hen namelijk die niet alleen besneden zijn, maar die ook wandelen in de voetsporen van het geloof van onze vader Abraham dat hij had toen hij nog onbesneden was.

13Want niet door de wet is de belofte aan Abraham of zijn nageslacht gedaan dat hij een erfgenaam van de wereld zou zijn, maar door de gerechtigheid van het geloof.

14

4:14
Gal. 3:18
Immers, als zij die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, is het geloof zonder inhoud geworden en is de belofte tenietgedaan.

15De wet brengt immers toorn teweeg,

4:15
Joh. 15:22
Rom. 5:20
7:8
Gal. 3:19
want waar geen wet is, is ook geen overtreding.

16Daarom is het uit het geloof, opdat het zou zijn naar genade, met als doel dat de belofte zeker zou zijn voor het hele nageslacht, niet voor dat wat uit de wet alleen is, maar ook voor dat wat uit het geloof van Abraham is,

4:16
Jes. 51:2
die een vader is van ons allen,

17zoals geschreven staat:

4:17
Gen. 17:4
Ik heb u tot een vader van vele volken gemaakt. Dit was hij tegenover Hem in Wie hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en de dingen die niet zijn, roept alsof zij er waren.

18En hij heeft tegen alles in gehoopt4:18 tegen alles in gehoopt - Letterlijk: op hoop tegen hoop. en geloofd dat hij een vader van vele volken zou worden, overeenkomstig wat gezegd was:

4:18
Gen. 15:5
Hebr. 11:12
Zo zal uw nageslacht zijn.

19En niet verzwakt in het geloof, heeft hij er niet op gelet dat zijn eigen lichaam reeds verstorven was – hij was ongeveer honderd jaar oud – en dat ook de moederschoot van Sara verstorven was.

20

4:20
Joh. 8:56
Hebr. 11:11,18
En hij heeft aan de belofte van God niet getwijfeld door ongeloof, maar werd gesterkt in het geloof, terwijl hij God de eer gaf.

21

4:21
Ps. 115:3
Hij was er ten volle van overtuigd dat God ook machtig was te doen wat beloofd was.

22Daarom ook is het hem tot gerechtigheid gerekend.

23

4:23
Rom. 15:4
Nu is het niet alleen ter wille van hem geschreven dat het hem toegerekend is,

24maar ook ter wille van ons, aan wie het zal worden toegerekend, aan ons namelijk die geloven in Hem Die Jezus, onze Heere, uit de doden opgewekt heeft,

25Die om onze overtredingen is overgeleverd, en opgewekt om onze rechtvaardiging.

5

De vrucht van de rechtvaardiging

51Wij

5:1
Jes. 32:17
Joh. 16:33
Efez. 2:13
dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus.

2

5:2
Joh. 10:9
14:6
Efez. 2:18
3:12
Hebr. 10:19
Door Hem hebben wij ook de toegang verkregen door het geloof tot deze genade waarin wij
5:2
1 Kor. 15:1
staan, en wij
5:2
Hebr. 3:6
roemen in de hoop op de heerlijkheid van God.

3En dit niet alleen,

5:3
Jak. 1:3
maar wij roemen ook in de verdrukkingen, omdat wij weten dat de verdrukking volharding teweegbrengt,

4en de volharding ondervinding en de ondervinding hoop.

5En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde van God in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons gegeven is.

6

5:6
Efez. 2:1
Kol. 2:13
Hebr. 9:15
1 Petr. 3:18
Want toen wij nog krachteloos waren, is Christus op de bestemde tijd voor goddelozen gestorven.

7Want bij hoge uitzondering zal iemand voor een rechtvaardige sterven; hoogstens immers heeft iemand de moed om voor de goede mens te sterven.

8God echter bevestigt Zijn liefde voor ons daarin dat Christus

5:8
Hebr. 9:15
1 Petr. 3:18
voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren.

9Veel meer dan zullen wij, nu wij gerechtvaardigd zijn door Zijn bloed, door Hem behouden worden van de toorn.

10Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, hoeveel te meer zullen wij, nu wij verzoend zijn, behouden worden door Zijn leven.

11En dit niet alleen, maar wij roemen ook in God, door onze Heere Jezus Christus, door Wie wij nu de verzoening ontvangen hebben.

Adam en Christus

12Daarom, zoals

5:12
Gen. 3:6
1 Kor. 15:21
door één mens de zonde in de wereld is gekomen, en door de zonde
5:12
Gen. 2:17
Rom. 6:23
de dood, en zo de dood over alle mensen is gekomen, in wie allen gezondigd hebben.

13Want totdat de wet er kwam, was er wel zonde in de wereld. Zonde wordt echter niet toegerekend als er geen wet is.

14Toch heeft de dood geregeerd van Adam tot Mozes toe, ook over hen die niet gezondigd hadden met eenzelfde overtreding als Adam,5:14 met eenzelfde overtreding als Adam - Letterlijk: in de gelijkheid van de overtreding van Adam. die een voorbeeld is van Hem Die komen zou.

15Maar het is met de genadegave niet zoals met de overtreding. Want als door de overtreding van de ene velen gestorven zijn, veel meer is de genade van God en de gave door de genade die er is door de ene mens Jezus Christus, overvloedig geweest over velen.

16En het is met de gave niet zoals het was door de ene die zondigde. Want de veroordeling leidde ten gevolge van één overtreding wel tot verdoemenis, maar de genadegave bij vele overtredingen tot rechtvaardiging.

17Want als door de overtreding van de ene de dood geregeerd heeft door de ene, veel meer zullen zij die de overvloed van de genade en van de gave van de gerechtigheid ontvangen, in het leven regeren door de Ene, namelijk Jezus Christus.

18Zoals dus door één overtreding de veroordeling gekomen is over alle mensen tot verdoemenis, zo komt ook door één rechtvaardigheid de genade over alle mensen tot rechtvaardiging van het leven.

19Want zoals door de ongehoorzaamheid van de ene mens velen als zondaars aangemerkt worden, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van de Ene velen als rechtvaardigen aangemerkt worden.

20

5:20
Joh. 15:22
Rom. 4:15
7:8
Gal. 3:19
De wet echter kwam er nog bij opdat de overtreding zou toenemen,
5:20
Luk. 7:47
maar waar de zonde is toegenomen, daar is de genade meer dan overvloedig geweest,

21opdat, evenals de zonde geregeerd heeft tot de dood, zo ook de genade zou regeren door gerechtigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heere.

6

Gestorven aan de zonde

61Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt?

2Volstrekt niet! Hoe zullen wij, die met betrekking tot de zonde gestorven zijn, nog daarin leven?

3Of weet u niet

6:3
Gal. 3:27
dat wij allen die in Christus Jezus gedoopt zijn, in Zijn dood gedoopt zijn?

4

6:4
Kol. 2:12
Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat evenals Christus uit de doden is
6:4
Rom. 8:11
Filipp. 3:10,11
opgewekt tot6:4 tot - Aldus SV; of: door. de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij
6:4
Efez. 4:23
Kol. 3:10
Hebr. 12:1
1 Petr. 2:2
in een nieuw leven zouden wandelen.

5

6:5
Rom. 8:11
Kol. 3:1
Want als wij met Hem één plant zijn geworden, gelijkgemaakt aan Hem in Zijn dood,6:5 gelijkgemaakt … in Zijn dood - Letterlijk: in de gelijkmaking van Zijn dood. dan zullen wij ook aan Hem gelijk zijn in Zijn opstanding.

6Dit weten wij toch, dat onze oude mens

6:6
Gal. 2:20
5:24
Filipp. 3:10
1 Petr. 4:1,2
met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam van de zonde tenietgedaan zou worden en wij niet meer als slaaf de zonde zouden dienen.

7

6:7
1 Petr. 4:1
Want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde.

8

6:8
2 Tim. 2:11
Als wij nu met Christus gestorven zijn, geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven.

9

6:9
Openb. 1:18
Wij weten toch dat Christus, nu Hij is opgewekt uit de doden, niet meer sterft. De dood heerst niet meer over Hem.

10

6:10
1 Petr. 2:24
Want wat Zijn sterven betreft, is Hij eens en voor altijd voor de zonde gestorven, en wat Zijn leven betreft, leeft Hij voor God.

11Zo dient ook u uzelf te rekenen als dood voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus, onze Heere.

12Laat de zonde dan niet in uw sterfelijk lichaam regeren om aan de begeerten daarvan te gehoorzamen.

13En stel uw leden niet ter beschikking aan de zonde als wapens van ongerechtigheid,

6:13
Luk. 1:74
Rom. 12:1
Gal. 2:20
Hebr. 9:14
1 Petr. 4:2
maar stel uzelf ter beschikking aan God, als mensen die uit de doden levend geworden zijn. En laat uw leden wapens van gerechtigheid zijn voor God.

14Want de zonde zal over u niet heersen. U bent namelijk niet onder de wet, maar onder de genade.

Dienstbaar aan de gerechtigheid

15Wat dan? Zullen wij zondigen omdat wij niet onder de wet maar onder de genade zijn? Volstrekt niet!

16Weet u niet

6:16
Joh. 8:34
2 Petr. 2:19
dat aan wie u uzelf als slaaf ter beschikking stelt tot gehoorzaamheid, u slaaf bent van wie u gehoorzaamt: óf van de zonde, tot de dood, óf van de gehoorzaamheid, tot gerechtigheid?

17Maar God zij dank: u was wel slaaf van de zonde, maar nu bent u van harte gehoorzaam geworden aan het voorbeeld van de leer waaraan u overgegeven bent.

18

6:18
Joh. 8:32
Gal. 5:1
1 Petr. 2:16
En, vrijgemaakt van de zonde, bent u dienstbaar gemaakt aan de gerechtigheid.

19Ik spreek op menselijke wijze vanwege de zwakheid van uw vlees. Want zoals u uw leden beschikbaar gesteld hebt ten dienste van de onreinheid en van de ene wetteloosheid tot de andere wetteloosheid, stel zo nu uw leden beschikbaar ten dienste van de gerechtigheid, tot heiliging.

20

6:20
Joh. 8:34
Want toen u slaaf van de zonde was, was u vrij ten aanzien van de gerechtigheid.

21Wat voor vrucht dan had u toen van de dingen waarover u zich nu schaamt? Immers, het einde daarvan is de dood.

22Maar nu, van de zonde vrijgemaakt en aan God dienstbaar gemaakt, hebt u uw vrucht, die tot heiliging leidt, met als einde eeuwig leven.

23

6:23
Gen. 2:17
Rom. 5:12
1 Kor. 15:21
Jak. 1:15
Want het loon van de zonde is de dood,
6:23
1 Petr. 1:3
maar de genadegave van God is eeuwig leven, door Jezus Christus, onze Heere.