Herziene Statenvertaling (HSV)
63

Verlangen naar God

631Een psalm van David, toen hij in de

63:1
1 Sam. 22:5
23:14,15
woestijn van Juda was.

2O God, U bent mijn God!

U zoek ik vroeg in de morgen;

mijn ziel dorst naar U,

mijn lichaam verlangt naar U

in een land, dor en dorstig, zonder water.

3Zo heb ik U in het heiligdom aanschouwd,

Uw macht en Uw heerlijkheid gezien.

4Uw goedertierenheid is immers beter dan het leven;

daarom zullen mijn lippen U prijzen.

5Zo zal ik U loven in mijn leven,

in Uw Naam zal ik mijn handen opheffen.

6Mijn ziel zal als met vet en overvloed verzadigd worden;

mijn mond zal roemen met vrolijk zingende lippen.

7Wanneer ik aan U denk op mijn bed,

over U peins in nachtwaken –

8voorzeker, U bent een Helper voor mij geweest;

onder de schaduw van Uw vleugels zal ik vrolijk zingen.

9Mijn ziel klampt zich aan U vast, komt achter U aan,

Uw rechterhand ondersteunt mij.

10Maar dezen, die mij naar het leven staan om dat te verwoesten,

komen in de laagste plaatsen van de aarde.

11Men zal hen neer doen storten door het geweld van het zwaard,

zij zullen de vossen ten deel zijn.

12Maar de koning zal zich in God verblijden;

al wie bij Hem zweert, zal zich beroemen,

want de mond van de leugenaars zal gestopt worden.

64

Gebed om verlossing

641Een psalm van David, voor de koorleider.

2Hoor, o God, mijn stem wanneer ik klaag;

bescherm mijn leven tegen bedreiging door de vijand.

3Verberg mij voor de heimelijke plannen van de kwaaddoeners,

voor de oproerige menigte van wie onrecht bedrijven.

4Zij die hun tong scherpen als een zwaard,

een bitter woord aanleggen als hun pijl,

5om in verborgen plaatsen de oprechte te

64:5
Ps. 11:2
beschieten;

plotseling schieten zij op hem en zij zijn niet bevreesd.

6Zij maken zich sterk voor een slechte zaak;

zij spreken af om valstrikken te verbergen,

en zeggen: Wie zal ze zien?

7Zij zijn op zoek naar allerlei onrecht,

uiterst grondig zijn zij overal naar op zoek,64:7 uiterst … op zoek - Letterlijk: zij voltrekken een onderzoek dat te onderzoeken is.

zelfs naar iemands binnenste en het diepe hart.

8Maar God zal plotseling met een pijl op hen schieten;

hun wonden zijn er al.

9Hun eigen tong zal hen laten struikelen;

al wie hen ziet, zal wegvluchten.

10Alle mensen zullen vrezen,

Gods werk verkondigen

en wat Hij gedaan heeft, opmerken.

11De rechtvaardige zal zich verblijden in de HEERE

en tot Hem de toevlucht nemen;

alle oprechten van hart zullen zich beroemen.

65

Loflied op Gods goedheid

651Een psalm van David, een lied, voor de koorleider.

2De lofzang is in stilte tot U, o God, in Sion;

aan U zal de gelofte nagekomen worden.

3U hoort het gebed;

tot U zal alle vlees komen.

4Ongerechtigheden hadden de overhand over mij,

maar onze overtredingen, die verzoent Ú.

5Welzalig is hij die U verkiest en doet naderen,

die mag wonen in Uw voorhoven;

wij worden verzadigd met het goede van Uw huis,

met het heilige van Uw paleis.

6Met ontzagwekkende daden antwoordt U ons in gerechtigheid,

o God van ons heil,

o vertrouwen van alle einden der aarde

en van de verre zeeën,

7Die de bergen vast doet staan door Zijn kracht,

Die omgord is met macht;

8Die het bruisen van de zeeën stilt,

het bruisen van hun golven

en het rumoer van de volken.

9Daarom vrezen de bewoners van de einden der aarde voor Uw tekenen;

waar de morgen gloort en de avond daalt, doet U juichen.

10U zag om naar het land en gaf het overvloed,

U maakt het zeer rijk;

de beek van God is vol water;

U geeft hun koren; ja, zó geeft U het:

11U doordrenkt zijn omgeploegde aarde,

U doet water in zijn voren dalen,

U doorweekt het met regendruppels,

U zegent zijn gewas.

12U kroont het jaar van Uw goedheid,

Uw voetstappen druipen van overvloed,

13zij bedruipen de weiden van de woestijn.

De heuvels omgorden zich met vreugde.

14De velden zijn bekleed met kudden,

de dalen zijn bedekt met koren;

zij juichen, ook zingen zij.