Herziene Statenvertaling (HSV)
23

Bileam zegent Israël

231Bileam zei tegen Balak: Bouw hier voor mij zeven altaren en bereid hier voor mij zeven jonge stieren en zeven rammen.

2Balak deed zoals Bileam gesproken had, en Balak en Bileam offerden een jonge stier en een ram, op elk altaar.

3Toen zei Bileam tegen Balak: Ga bij uw brandoffer staan. Ik zal weggaan, misschien zal de HEERE mij tegemoetkomen, en wat Hij mij tonen zal, zal ik u bekendmaken. Toen ging hij naar een kale hoogte.

4God ontmoette Bileam en die zei tegen Hem: Zeven altaren heb ik opgesteld en ik heb op elk altaar een jonge stier en een ram geofferd.

5Toen legde de HEERE het woord in de mond van Bileam, en zei: Keer terug naar Balak, en aldus moet u spreken.

6En hij keerde naar hem terug en zie, hij stond bij zijn brandoffer, hij en al de vorsten van Moab.

7Toen hief hij zijn spreuk aan en zei:

Uit Syrië heeft Balak, de koning van Moab, mij laten halen,

vanuit het bergland van het oosten:

Kom, vervloek mij Jakob,

kom, verwens Israël!

8Hoe kan ik vervloeken

wie God niet vervloekt,

hoe kan ik verwensen

wie de HEERE niet verwenst?

9Want vanaf de top van de rotsen zie ik hem,

vanaf de heuvels neem ik hem waar;

zie,

23:9
Deut. 33:28
dat volk woont afgezonderd,

onder de heidenvolken rekent het zich niet.

10Wie heeft het stof van Jakob geteld,

en het aantal, het vierde deel van Israël?

Moge mijn ziel de dood van de oprechten sterven

en mijn einde zijn als dat van hem.

11Toen zei Balak tegen Bileam: Wat doet u mij nu aan? Ik heb u hierheen laten halen om mijn vijanden te vervloeken, maar zie, u hebt hen juist gezegend!

12Hij antwoordde en zei: Zou ik dat wat de HEERE mij in de mond legt, niet nauwlettend uitspreken?

13Toen zei Balak tegen hem: Kom toch met mij mee naar een andere plaats, vanwaar u het volk kunt zien; slechts de uitlopers ervan kunt u zien, u kunt het niet helemaal zien. Vervloek het mij daarvandaan!

14Hij nam hem mee naar de vlakte van Zofim, naar de top van de Pisga. En hij bouwde zeven altaren, en hij offerde op elk altaar een jonge stier en een ram.

15Toen zei hij tegen Balak: Ga hier bij uw brandoffer staan, en ikzelf zal verderop God ontmoeten.

16De HEERE ontmoette Bileam

23:16
Num. 22:35
en legde hem een woord in zijn mond. En Hij zei: Keer naar Balak terug, en aldus moet u spreken.

17Hij kwam bij hem, en zie, hij stond bij zijn brandoffer, met de vorsten van Moab bij hem. En Balak zei tegen hem: Wat heeft de HEERE gesproken?

18Toen hief hij zijn spreuk aan en zei:

Sta op, Balak, luister;

hoor mij aan, zoon van Zippor.

19

23:19
1 Sam. 15:29
Jak. 1:17
God is geen man, dat Hij liegen zou,

of een mensenkind, dat Hij ergens berouw over hebben zou.

Zou Híj iets zeggen en het dan niet doen?

Zou Híj spreken en het niet gestand doen?

20Zie, ik kreeg opdracht om te zegenen:

als Hij zegent, kan ik het niet keren.

21Hij

23:21
Ps. 32:1,2
51:11
Jer. 50:20
Rom. 4:7
aanschouwt geen onrecht in Jakob;

ook ziet Hij geen kwaad in Israël aan.

De HEERE, zijn God, is met hem,

en de jubelklank van de Koning is bij hem.

22God heeft hen uit Egypte geleid;

23:22
Num. 24:8
Hij is hem als de hoorns van een wilde os.

23Want er bestaat geen bezwering tegen Jakob

of waarzeggerij tegen Israël.

Er wordt in deze tijd over Jakob gezegd,

en over Israël, wat God gedaan heeft.

24Zie, een volk, het staat op als een leeuwin,

als een leeuw richt het zichzelf op;

het gaat niet liggen, voordat het zijn prooi opgegeten heeft

en het bloed van zijn slachtoffers gedronken heeft.

25Toen zei Balak tegen Bileam: Als u het volk beslist niet wilt vervloeken, zegen het dan in ieder geval ook niet.

26Bileam antwoordde en zei tegen Balak: Heb ik niet tot u gesproken: Alles wat de HEERE zal spreken, dat zal ik doen?

27Daarop zei Balak tegen Bileam: Kom toch, ik zal u naar een andere plaats meenemen. Misschien is het goed in de ogen van die God dat u het daarvandaan voor mij vervloekt.

28Toen nam Balak Bileam mee naar de top van de Peor, die uitzicht heeft over de wildernis.

29En Bileam zei tegen Balak: Bouw hier voor mij zeven altaren en bereid hier voor mij zeven jonge stieren en zeven rammen.

30Balak deed wat Bileam gezegd had. Hij offerde op elk altaar een jonge stier en een ram.

24

Bileam zegent Israël nogmaals

241Toen Bileam zag dat het in de ogen van de HEERE goed was dat hij Israël zegende, ging hij niet, zoals de andere keren,24:1 zoals de andere keren - Letterlijk: zoals keer op keer. over op bezweringen, maar richtte hij zijn gezicht naar de woestijn.

2Toen Bileam zijn ogen opsloeg en Israël zag, gelegerd volgens zijn stammen, kwam de Geest van God over hem.

3Hij hief zijn spreuk aan en zei:

Bileam, de zoon van Beor, spreekt,

de man van wie de ogen geopend zijn, spreekt,

4hij die de woorden van God hoort, spreekt;

die het visioen van de Almachtige ziet,

terwijl hij neervalt met ontsloten ogen.

5Hoe goed zijn uw tenten, Jakob!

uw woningen, Israël!

6Als beekdalen strekken ze zich uit,

als tuinen aan een rivier;

de HEERE plantte ze als aloë's,

als ceders aan het water.

7Water stroomt uit zijn emmers,

zijn zaad krijgt veel water;

zijn koning wordt boven Agag verheven

en zijn koningschap verheft zich.

8God heeft hem uit Egypte geleid;

Hij is hem als de hoorns

24:8
Num. 23:22
van een wilde os.

Hij zal heidenvolken, zijn tegenstanders, verslinden;

hun beenderen zal hij breken,

en met zijn pijlen doorboren.

9

24:9
Gen. 49:9
Num. 23:24
Hij kromt zich, hij legt zich neer

als een leeuw, als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan?

Wie u zegent, is gezegend,

wie u vervloekt, is vervloekt!

10Toen ontstak Balak in woede tegen Bileam, en hij sloeg zich in de handen. En Balak zei tegen Bileam: Ik heb u geroepen om mijn vijanden te vervloeken, maar zie, u hebt hen deze drie keer juist gezegend!

11Nu dan, maak dat u wegkomt, naar uw woonplaats! Ik had gezegd dat ik u met eer zou overladen, maar zie, de HEERE heeft de eer aan u onthouden.

12Toen zei Bileam tegen Balak: Heb ik zelfs niet tot uw boden, die u naar mij toe stuurde, gesproken:

13

24:13
Num. 22:18
Al zou Balak mij zijn huis vol zilver en goud geven, ik zal het bevel van de HEERE niet kunnen overtreden door uit eigen hart goed of kwaad te doen; wat de HEERE spreken zal, dat zal ik spreken.

14Nu dan, zie, ik ga terug naar mijn volk. Kom, ik zal u raad geven, en zeggen wat dit volk in later tijd24:14 in later tijd - Letterlijk: aan het einde van de dagen. uw volk zal aandoen.

15Toen hief hij zijn spreuk aan, en zei:

Bileam, de zoon van Beor, spreekt,

de man van wie de ogen geopend zijn, spreekt,

16hij die de woorden van God hoort, spreekt

en die de kennis van de Allerhoogste weet;

die het visioen van de Almachtige ziet,

terwijl hij neervalt met ontsloten ogen.

17Ik zal hem zien, maar niet nu;

ik zal hem aanschouwen, maar niet van nabij.

Er zal een ster uit Jakob voortkomen,

er zal een scepter uit Israël opkomen;

hij zal de flanken van Moab verbrijzelen

en alle zonen van Seth vernietigen.

18Edom zal bezit zijn

en Seïr zal bezit van zijn vijanden zijn,

maar Israël zal kracht uitoefenen.

19

24:19
2 Sam. 8:14
Uit Jakob zal hij heersen;

wie ontkomt uit de stad, zal hij ombrengen.

20Toen Bileam Amalek zag, hief hij zijn spreuk aan, en zei:

Amalek is de voornaamste van de heidenvolken,

maar zijn einde is dat hij ten onder gaat.

21Toen hij de Kenieten zag, hief hij zijn spreuk aan, en zei:

Uw woongebied staat vast,

uw nest is in de rots vastgezet.

22Toch zal Kaïn weggevaagd worden,

doordat Assur u als gevangenen wegvoert.

23En hij hief zijn spreuk aan, en zei:

Och, wie zal leven, als God dit doet!

24Van de kust van de Kittiërs komen schepen;

zij zullen Assur onderdrukken, ook Heber zullen zij onderdrukken,

maar ook zij zullen ten onder gaan.

25Toen stond Bileam op, ging op weg en keerde terug naar zijn woonplaats. Ook Balak ging zijns weegs.

25

Ontucht en afgoderij in Sittim

251

25:1
Num. 31:16
33:49
Israël verbleef in Sittim, en het volk begon hoererij te bedrijven met de dochters van Moab.

2

25:2
Ps. 106:28
Hos. 9:10
Die nodigden het volk uit bij de offers aan hun goden, en het volk at en boog zich voor hun goden neer.

3Toen Israël zich zo aan Baäl-Peor koppelde,

25:3
Ps. 106:29
ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël.

4De HEERE zei tegen Mozes:

25:4
Deut. 4:3
Joz. 22:17
Neem alle hoofden van het volk en laat hen voor de HEERE in de volle zon25:4 in de volle zon - Letterlijk: tegenover de zon. ophangen, zodat de brandende toorn van de HEERE van Israël afgekeerd wordt.

5Toen zei Mozes tegen de rechters van Israël: Ieder moet zijn mannen doden die zich aan Baäl-Peor gekoppeld hebben.

6En zie, een man uit de Israëlieten kwam en bracht een Midianitische vrouw bij zijn broeders, voor de ogen van Mozes en voor de ogen van heel de gemeenschap van de Israëlieten, terwijl zij huilden bij de ingang van de tent van ontmoeting.

7Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, dat zag,

25:7
Ps. 106:30
stond hij op uit het midden van de gemeenschap, nam een speer in zijn hand,

8ging achter de Israëlitische man aan het slaapvertrek in, en doorstak hen beiden, zowel de Israëlitische man als de vrouw, door hun buik. Toen werd de plaag over de Israëlieten tot stilstand gebracht.

9

25:9
1 Kor. 10:8
Het aantal van hen die aan de plaag stierven, was vierentwintigduizend.

10Toen sprak de HEERE tot Mozes:

11Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heeft Mijn grimmigheid over de Israëlieten afgewend, doordat hij zich in hun midden

25:11
2 Kor. 11:2
met ijver voor Mij heeft ingezet, zodat Ik de Israëlieten niet in Mijn na-ijver vernietigd heb.

12Zeg daarom: Zie, Ik

25:12
Ps. 106:31
geef hem Mijn verbond van vrede:

13hij, en zijn nageslacht na hem, zullen het verbond van het eeuwige priesterschap hebben, omdat hij zich voor zijn God heeft ingezet en verzoening voor de Israëlieten heeft gedaan.

14De naam nu van de gedode Israëlitische man, die samen met de Midianitische vrouw gedood was, was Zimri, de zoon van Salu, een leider van een familie van de Simeonieten.

15En de naam van de gedode Midianitische vrouw was Kozbi, dochter van Zur; hij was stamhoofd van een familie in Midian.

16Verder sprak de HEERE tot Mozes:

17Behandel de Midianieten

25:17
Num. 31:2
als vijanden en versla hen.

18Want zij hebben

25:18
Openb. 18:6
u als vijanden behandeld, met hun listen, die zij listig tegen u beraamden, in het geval van Peor en in het geval van hun zuster Kozbi, de dochter van een leider van de Midianieten, die gedood is op de dag van de plaag, in het geval van Peor.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]