Herziene Statenvertaling (HSV)
4

De verzoeking in de woestijn

41Toen

4:1
Mark. 1:12
Luk. 4:1
werd Jezus door de Geest weggeleid naar de woestijn om verzocht te worden door de duivel.

2En nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij ten slotte honger.

3En de verzoeker kwam bij Hem en zei: Als U Gods Zoon bent, zeg dan dat deze stenen broden worden.

4Maar Hij antwoordde en zei: Er staat geschreven:

4:4
Deut. 8:3
De mens zal niet van brood alleen leven, maar van elk woord dat uit de mond van God komt.

5Toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad en zette Hem op het hoogste gedeelte van de tempel,

6en hij zei tegen Hem: Als U de Zoon van God bent, werp Uzelf dan naar beneden, want er staat geschreven

4:6
Ps. 91:11,12
dat Hij Zijn engelen voor U bevel zal geven, en dat zij U op de handen zullen dragen, opdat U Uw voet niet misschien aan een steen stoot.

7Jezus zei tegen hem: Er staat eveneens geschreven:

4:7
Deut. 6:16
U zult de Heere, uw God, niet verzoeken.

8Opnieuw nam de duivel Hem mee, nu naar een zeer hoge berg, en hij liet Hem al de koninkrijken van de wereld zien, met hun heerlijkheid,

9en zei tegen Hem: Dit alles zal ik U geven, als U knielt en mij aanbidt.

10Toen zei Jezus tegen hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven:

4:10
Deut. 6:13
10:20
De Heere, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen.

11Toen liet de duivel Hem gaan; en zie, engelen kwamen en dienden Hem.

Het begin van Jezus' prediking

12Toen Jezus gehoord had dat

4:12
Mark. 1:14
Luk. 4:14
Johannes overgeleverd was, keerde Hij terug
4:12
Luk. 4:16,31
Joh. 4:43
naar Galilea.

13Hij verliet Nazareth en ging wonen in Kapernaüm, dat aan de zee lag, in het gebied van Zebulon en Naftali,

14opdat vervuld zou worden wat door de profeet Jesaja gesproken werd toen hij zei:

15

4:15
Jes. 8:23
9:1
Land Zebulon en land Naftali, gebied aan de weg naar de zee en over de Jordaan, Galilea van de volken,

16het volk dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en voor hen die zaten in het land en de schaduw van de dood, is een licht opgegaan.

17Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen:

4:17
Mark. 1:15
Bekeer u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.

De eerste discipelen

18

4:18
Mark. 1:16
En Jezus liep langs de zee van Galilea en zag twee broers, namelijk Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas, het net in de zee werpen, want zij waren vissers.

19En Hij zei tegen hen: Kom achter Mij aan, en Ik zal u vissers van mensen maken.

20Zij lieten meteen de netten achter en volgden Hem.

21Hij ging vandaar verder en zag twee andere broers, namelijk Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer, in het schip met hun vader Zebedeüs, terwijl zij hun netten aan het herstellen waren, en Hij riep hen.

22Zij lieten meteen het schip en hun vader achter en volgden Hem.

De toeloop van de menigte

23En Jezus trok rond in heel Galilea, gaf onderwijs in hun synagogen en predikte het Evangelie van het Koninkrijk, en Hij genas elke ziekte en elke kwaal onder het volk.

24En het gerucht over Hem verspreidde zich4:24 verspreidde zich - Letterlijk: ging uit. over heel Syrië; en zij brachten bij Hem allen die er slecht aan toe waren en door allerlei ziekten en pijnen bevangen waren, en die door demonen bezeten waren, en maanzieken en verlamden; en Hij genas hen.

25En grote menigten volgden Hem, uit Galilea en Dekapolis, uit Jeruzalem en Judea, en van over de Jordaan.

5

De zaligsprekingen

51Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op, en nadat Hij was gaan zitten, kwamen Zijn discipelen bij Hem.

2En Hij opende Zijn mond en onderwees hen. Hij zei:

3

5:3
Luk. 6:20
Zalig zijn de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.

4

5:4
Luk. 6:21
Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden.

5

5:5
Ps. 37:11
Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.

6

5:6
Jes. 55:1
Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.

7Zalig zijn de barmhartigen, want aan hen zal barmhartigheid bewezen worden.

8

5:8
Ps. 15:2
24:4
Hebr. 12:14
Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.

9Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen Gods kinderen genoemd worden.

10

5:10
2 Kor. 4:10
2 Tim. 2:12
1 Petr. 3:14
Zalig zijn zij die vervolgd worden om de gerechtigheid, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.

11Zalig bent u als men u smaadt en vervolgt, en door te liegen allerlei kwaad tegen u spreekt,

5:11
1 Petr. 4:14
omwille van Mij.

12

5:12
Luk. 6:23
Verblijd en verheug u, want uw loon is groot in de hemelen, want zo hebben ze de profeten vervolgd die er vóór u geweest zijn.

Het zout van de aarde en het licht op de kandelaar

13

5:13
Mark. 9:50
Luk. 14:34
U bent het zout van de aarde; maar als het zout zijn smaak verloren heeft, waarmee zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertrapt te worden.

14U bent het licht van de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen zijn.

15

5:15
Mark. 4:21
Luk. 8:16
11:33
En ook steekt men geen lamp aan en zet die onder de korenmaat, maar op de standaard, en hij schijnt voor allen die in het huis zijn.

16

5:16
1 Petr. 2:12
Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken zien en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.

Jezus en de Wet

17Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen.

18Want, voorwaar, Ik zeg u:

5:18
Luk. 16:17
Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota of één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles geschied is.

19

5:19
Jak. 2:10
Wie dan een van deze geringste geboden afschaft en de mensen zo onderwijst, zal de geringste genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar wie ze doet en onderwijst, die zal groot genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen.

20Want Ik zeg u: Als uw gerechtigheid niet overvloediger is dan die van de schriftgeleerden en de Farizeeën, zult u het Koninkrijk der hemelen beslist niet binnengaan.

Jezus en de traditie

21U hebt gehoord dat tegen het voorgeslacht5:21 het voorgeslacht - Letterlijk: de ouden; zie ook de verzen 27 en 33. gezegd is:

5:21
Ex. 20:13
Deut. 5:17
U zult niet doden; en: Wie doodt, zal door de rechtbank schuldig bevonden worden.

22Maar Ik zeg u: Al wie ten onrechte boos is op zijn broeder, zal schuldig bevonden worden door de rechtbank. En al wie tegen zijn broeder zegt: Raka! zal schuldig bevonden worden door de Raad; maar al wie zegt: Dwaas! die zal schuldig bevonden worden tot het helse vuur.5:22 het helse vuur - Letterlijk: de hel van het vuur.

23Als u dan uw gave op het altaar offert en u zich daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft,

24laat uw gave daar bij het altaar achter en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom dan terug en offer uw gave.

25

5:25
Luk. 12:58
Efez. 4:26
Stel u zo snel mogelijk welwillend op tegenover uw tegenpartij, terwijl u nog met hem onderweg bent; opdat de tegenpartij u niet misschien aan de rechter overlevert en de rechter u aan de gerechtsdienaar overlevert en u in de gevangenis geworpen wordt.

26Voorwaar, Ik zeg u: U zult daar beslist niet uitkomen, voordat u de laatste quadrans5:26 De quadrans was in die tijd de kleinste munteenheid van het Romeinse Rijk. betaald hebt.

27U hebt gehoord dat tegen het voorgeslacht gezegd is:

5:27
Ex. 20:14
Deut. 5:18
U zult geen overspel plegen.

28Maar Ik zeg u dat al wie naar een vrouw

5:28
Job 31:1
Ps. 119:37
kijkt om haar te begeren, in zijn hart al overspel met haar gepleegd heeft.

29

5:29
Matt. 18:8
Mark. 9:43
Als dan uw rechteroog u doet struikelen, ruk het uit en werp het van u weg, want het is beter voor u dat een van uw lichaamsdelen te gronde gaat en niet heel uw lichaam in de hel geworpen wordt.

30En als uw rechterhand u doet struikelen, hak hem af en werp hem van u weg, want het is beter voor u dat een van uw lichaamsdelen te gronde gaat en niet heel uw lichaam in de hel geworpen wordt.

31Er is ook gezegd:

5:31
Deut. 24:1
Wie zijn vrouw verstoot, moet haar een echtscheidingsbrief geven.

32

5:32
Matt. 19:7
Mark. 10:4,11
Luk. 16:18
1 Kor. 7:10
Maar Ik zeg u dat wie zijn vrouw verstoot om een andere reden dan hoererij, maakt dat zij overspel pleegt; en wie met de verstotene trouwt, pleegt ook overspel.

33Verder hebt u gehoord dat tegen het voorgeslacht gezegd is:

5:33
Ex. 20:7
Lev. 19:12
Deut. 5:11
U zult de eed niet breken, maar u zult voor de Heere uw eden houden.

34Maar Ik zeg u:

5:34
Jak. 5:12
Zweer in het geheel niet, niet bij de hemel, want dat is de troon van God;

35niet bij de aarde,

5:35
Jes. 66:1
want dat is de voetbank van Zijn voeten; en ook niet bij Jeruzalem,
5:35
Ps. 48:3
want dat is de stad van de grote Koning.

36Ook bij uw hoofd mag u niet zweren, want u kunt niet één haar wit of zwart maken;

37maar laat uw woord ja ja zijn en uw nee nee; wat hierboven uitgaat, is uit de boze.

38U

5:38
Ex. 21:24
Lev. 24:20
Deut. 19:21
hebt gehoord dat er gezegd is: Oog voor oog en tand voor tand.

39Ik zeg u echter

5:39
Spr. 24:29
Luk. 6:29
Rom. 12:17
1 Kor. 6:7
1 Thess. 5:15
1 Petr. 3:9
dat u geen weerstand moet bieden aan de boze; maar wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe;

40en als iemand u voor het gerecht wil dagen en uw onderkleding nemen, geef hem dan ook het bovenkleed;

41en wie u zal dwingen één mijl te gaan, ga er twee met hem.

42

5:42
Deut. 15:8
Luk. 6:35
Geef aan hem die iets van u vraagt, en keer u niet af van hem die van u lenen wil.

43U hebt gehoord dat er gezegd is:

5:43
Lev. 19:18
U moet uw naaste liefhebben en uw vijand moet u haten.

44Maar Ik zeg u:

5:44
Luk. 6:27
Rom. 12:20
Heb uw vijanden lief; zegen hen die u vervloeken; doe goed aan hen die u haten; en
5:44
Luk. 23:34
Hand. 7:60
1 Kor. 4:13
1 Petr. 2:23
bid voor hen die u beledigen en u vervolgen;

45zodat u kinderen zult zijn van uw Vader, Die in de hemelen is, want Hij laat Zijn zon opgaan over slechte en goede mensen, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

46

5:46
Luk. 6:32
Want als u hen liefhebt die u liefhebben, wat voor loon hebt u dan? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?

47En als u alleen uw broeders groet, wat doet u meer dan anderen? Doen ook de tollenaars niet zo?

48Weest u dan volmaakt, zoals uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.

6

Het geven van liefdegaven

61Wees op uw hoede dat u uw liefdegave niet geeft in tegenwoordigheid van de mensen om door hen gezien te worden; anders hebt u geen loon bij uw Vader, Die in de hemelen is.

2

6:2
Rom. 12:8
Wanneer u dan een liefdegave geeft, laat het niet voor u uitbazuinen, zoals de huichelaars in de synagogen en op de straten doen, opdat zij door de mensen geëerd zouden worden. Voorwaar, Ik zeg u: Zij hebben hun loon al.

3Maar als u een liefdegave geeft, laat dan uw linkerhand niet weten wat uw rechterhand doet,

4zodat uw liefdegave in het verborgene zal zijn; en uw Vader, Die in het verborgene ziet, zal het u in het

6:4
Luk. 14:14
openbaar vergelden.

Het bidden

5En wanneer u bidt, zult u niet zijn als de huichelaars; want die zijn er zeer op gesteld om in de synagogen en op de hoeken van de straten te staan bidden om door de mensen gezien te worden. Voorwaar, Ik zeg u dat zij hun loon al hebben.

6Maar u, wanneer u bidt,

6:6
2 Kon. 4:33
Hand. 10:4
ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader, Die in het verborgene is; en uw Vader, Die in het verborgene ziet, zal het u in het openbaar vergelden.

7Als u bidt,

6:7
1 Kon. 18:28
Jes. 1:15
gebruik dan geen omhaal van woorden zoals de heidenen, want zij denken dat zij door de veelheid van hun woorden verhoord zullen worden.

8Word dan aan hen niet gelijk, want uw Vader weet wat u nodig hebt, voordat u tot Hem bidt.

Het gebed des Heeren

9Bidt u dan zo:

6:9
Luk. 11:2
Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Uw Naam worde geheiligd.

10Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, zoals in de hemel zo ook op de aarde.

11Geef ons heden ons dagelijks brood.

12En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaren vergeven.

13En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de

6:13
Matt. 13:19
boze. Want van U is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen.

14

6:14
Mark. 11:25
Kol. 3:13
Want als u de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader u ook vergeven.

15

6:15
Matt. 18:35
Jak. 2:13
Maar als u de mensen hun overtredingen niet vergeeft, zal uw Vader uw overtredingen ook niet vergeven.

Het vasten

16

6:16
Jes. 58:3
Matt. 9:14
Mark. 2:18
Luk. 5:33
En wanneer u vast, toon dan geen droevig gezicht, zoals de huichelaars. Zij vervormen namelijk hun gezicht, zodat zij door de mensen gezien worden als zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u dat zij hun loon al hebben.

17Maar u, als u vast, zalf dan uw hoofd en was uw gezicht,

18zodat het door de mensen niet gezien wordt als u vast, maar door uw Vader, Die in het verborgene is; en uw Vader, Die in het verborgene ziet, zal het u in het openbaar vergelden.

Bezorgdheid

19Verzamel

6:19
Spr. 23:4
Hebr. 13:5
Jak. 5:1
geen schatten voor u op de aarde, waar mot en roest ze verderven, en waar dieven inbreken en stelen;

20maar

6:20
Luk. 12:33
1 Tim. 6:19
verzamel schatten voor u in de hemel, waar geen mot of roest ze verderft, en waar dieven niet inbreken of stelen;

21want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.

22De lamp van het lichaam is

6:22
Luk. 11:34
het oog; als dan uw oog oprecht is, zal heel uw lichaam verlicht zijn;

23maar als uw oog kwaadaardig is, zal heel uw lichaam duister zijn. Als het licht dat in u is, duisternis is, hoe groot is dan de duisternis zelf!

24

6:24
Luk. 16:13
Niemand kan twee heren dienen, want of hij zal de één haten en de ander liefhebben, of hij zal zich aan de één hechten en de ander minachten. U kunt niet God dienen en de mammon.

25

6:25
Ps. 37:5
55:23
Luk. 12:22
Filipp. 4:6
1 Tim. 6:8
1 Petr. 5:7
Daarom zeg Ik u: Wees niet bezorgd over uw leven, over wat u eten en wat u drinken zult; ook niet over uw lichaam, namelijk waarmee u zich kleden zult. Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kleding?

26

6:26
Job 39:3
Ps. 147:9
Kijk naar de vogels in de lucht: zij zaaien niet en maaien niet, en verzamelen niet in schuren; uw hemelse Vader voedt ze evenwel; gaat u ze niet ver te boven?

27Wie toch van u kan met bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen?

28En wat bent u bezorgd over de kleding? Kijk naar de lelies in het veld, hoe ze groeien; ze werken niet en spinnen niet;

29en Ik zeg u dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet gekleed ging als één van deze.

30Als God nu het gras op het veld, dat er vandaag is en morgen in de oven geworpen wordt, zo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, kleingelovigen?

31Wees daarom niet bezorgd en zeg niet: Wat zullen wij eten? of: Wat zullen wij drinken? of: Waarmee zullen wij ons kleden?

32Want al deze dingen zoeken de heidenen. Uw hemelse Vader weet immers dat u al deze dingen nodig hebt.

33

6:33
1 Kon. 3:13
Ps. 37:25
55:23
Maar zoek eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u erbij gegeven worden.

34Wees dan niet bezorgd over de dag van morgen, want de dag van morgen zal voor zichzelf zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]