Herziene Statenvertaling (HSV)
8

De overspelige vrouw

81Jezus echter ging naar de Olijfberg.

2En 's morgens vroeg kwam Hij opnieuw in de tempel en al het volk kwam naar Hem toe; en Hij ging zitten en onderwees hen.

3En de schriftgeleerden en de Farizeeën brachten een vrouw bij Hem die op overspel betrapt was.

4En toen ze haar in het midden hadden doen staan, zeiden zij tegen Hem: Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt bij het plegen van overspel.

5

8:5
Lev. 20:10
Deut. 22:22
In de wet nu heeft Mozes ons geboden zulke vrouwen te stenigen; U dan, wat zegt U?

6En dit zeiden zij om Hem te verzoeken, opdat zij iets hadden om Hem aan te klagen. Maar Jezus bukte en schreef met de vinger in de aarde.

7En toen zij Hem dit bleven vragen, richtte Hij Zich op en zei tegen hen:

8:7
Deut. 17:7
Wie van u zonder zonde is, laat die als eerste de steen op haar werpen.

8En opnieuw bukte Hij en schreef in de aarde.

9Maar toen zij dit hoorden en in hun geweten overtuigd waren, gingen zij weg, de één na de ander, te beginnen bij de oudsten tot de laatsten; en Jezus werd alleen achtergelaten, en de vrouw die in het midden stond.

10Jezus nu richtte Zich op en toen Hij niemand zag dan de vrouw, zei Hij tegen haar: Vrouw, waar zijn die aanklagers van u? Heeft niemand u veroordeeld?

11En zij zei: Niemand, Heere. En Jezus zei tegen haar: Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en

8:11
Joh. 5:14
zondig niet meer.

Jezus als het Licht der wereld

12Jezus dan sprak opnieuw tot hen en zei:

8:12
Jes. 42:16
Joh. 1:9
9:5
12:35,36
Ik ben het Licht der wereld; wie Mij volgt, zal beslist niet in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben.

13De Farizeeën dan zeiden tegen Hem: U getuigt van Uzelf, Uw getuigenis is niet waar.

14Jezus antwoordde en zei tegen hen:

8:14
Joh. 5:31
Hoewel Ik van Mijzelf getuig, is Mijn getuigenis waar, want Ik weet waar Ik vandaan gekomen ben en waar Ik heen ga, maar u weet niet waar Ik vandaan kom en waar Ik heen ga.

15U oordeelt naar het vlees, Ik oordeel niemand.

16En als Ik al oordeel, Mijn oordeel is waar, want Ik ben niet alleen, maar Ik en de Vader, Die Mij gezonden heeft.

17

8:17
Num. 35:30
Deut. 17:6
19:15
Matt. 18:16
2 Kor. 13:1
Hebr. 10:28
En er staat ook in uw wet geschreven dat het getuigenis van twee mensen waar is.

18Ik ben het Die van Mijzelf getuig, en

8:18
Matt. 3:17
17:5
Mark. 1:11
9:7
Luk. 3:22
9:35
Joh. 1:33
5:37
6:27
de Vader, Die Mij gezonden heeft, getuigt van Mij.

19Zij dan zeiden tegen Hem: Waar is Uw Vader? Jezus antwoordde:

8:19
Joh. 16:3
U kent Mij niet en evenmin Mijn Vader;
8:19
Joh. 14:9
als u Mij kende, zou u ook Mijn Vader kennen.

20Deze woorden sprak Jezus bij de schatkist, terwijl Hij onderwijs gaf in de tempel,

8:20
Joh. 7:30
en niemand greep Hem, omdat Zijn uur nog niet gekomen was.

Twistgesprekken met de Farizeeën

21Jezus dan zei opnieuw tegen hen:

8:21
Joh. 7:34
13:33
Ik ga heen en u zult Mij zoeken, en in uw zonde zult u sterven; waar Ik heen ga, kunt u niet komen.

22De Joden nu zeiden: Hij zal toch Zichzelf niet doden, omdat Hij zegt: Waar Ik heen ga, kunt u niet komen?

23En Hij zei tegen hen:

8:23
Joh. 3:31
U bent van beneden, Ik ben van boven; u bent van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld.

24Ik heb u dan gezegd

8:24
Vers
dat u in uw zonden zult sterven, want als u niet gelooft dat Ik het ben, zult u in uw zonden sterven.

25Zij zeiden dan tegen Hem: Wie bent U? En Jezus zei tegen hen: Wat Ik u vanaf het begin al zeg.

26Ik heb veel over u te zeggen en te oordelen, maar Hij Die Mij gezonden heeft,

8:26
Joh. 7:28
Rom. 3:4
is waarachtig,
8:26
Joh. 15:15
en wat Ik van Hem gehoord heb, spreek Ik tot de wereld.

27Zij begrepen niet dat Hij tegen hen over de Vader sprak.

28Jezus dan zei tegen hen:

8:28
Num. 21:9
2 Kon. 18:4
Joh. 3:14
12:32
Wanneer u de Zoon des mensen verhoogd zult hebben, zult u inzien dat Ik het ben, en dat Ik vanuit Mijzelf niets doe,
8:28
Joh. 3:11
7:16
12:49
14:10,24
maar dat Ik die dingen spreek zoals Mijn Vader Mij heeft onderwezen.

29

8:29
Joh. 14:10
16:32
En Hij Die Mij gezonden heeft, is met Mij. De Vader heeft Mij niet alleen gelaten, omdat Ik altijd doe wat Hem welgevallig is.

De kinderen van Abraham

30Toen Hij deze dingen sprak,

8:30
Joh. 7:31
geloofden velen in Hem.

31Jezus dan zei tegen de Joden die in Hem geloofden: Als u in Mijn woord blijft, bent u werkelijk Mijn discipelen,

32en u zult de waarheid kennen,

8:32
Rom. 6:18
Gal. 5:1
1 Petr. 2:16
en de waarheid zal u vrijmaken.

33Zij antwoordden Hem:

8:33
Matt. 3:9
Wij zijn Abrahams nageslacht en zijn nooit slaaf van iemand geweest; hoe kunt U dan zeggen: U zult vrij worden?

34Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ieder die de zonde doet,

8:34
Rom. 6:20
2 Petr. 2:19
is een slaaf van de zonde.

35En de slaaf blijft niet eeuwig in het huis; de zoon blijft er eeuwig.

36

8:36
Rom. 8:2
Als dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult u werkelijk vrij zijn.

37Ik weet dat u Abrahams nageslacht bent, maar u probeert Mij te doden, omdat Mijn woord in u geen plaats krijgt.

38

8:38
Joh. 3:11
7:16
12:49
14:10,24
Ik spreek over wat Ik bij Mijn Vader gezien heb; u doet dus ook wat u bij uw vader gezien hebt.

39Zij antwoordden en zeiden tegen Hem: Abraham is onze vader. Jezus zei tegen hen:

8:39
Rom. 2:28
9:7
Als u Abrahams kinderen was, zou u de werken van Abraham doen.

40Maar nu probeert u Mij te doden, een Mens

8:40
Joh. 17:17
Die de waarheid tot u gesproken heeft, die Ik van God gehoord heb. Dat deed Abraham niet.

41U doet de werken van uw vader. Zij zeiden dan tegen Hem: Wij zijn niet geboren uit hoererij; wij hebben één Vader, namelijk God.

42Jezus dan zei tegen hen: Als God uw Vader was, zou u Mij liefhebben; want Ik ben van God uitgegaan en gekomen.

8:42
Joh. 5:43
7:29
Want Ik ben ook niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden.

43Waarom begrijpt u niet wat Ik zeg?8:43 begrijpt u niet wat Ik zeg? - Letterlijk: kent u Mijn spreken niet? Omdat u Mijn woord niet kunt horen.

44

8:44
1 Joh. 3:8
U bent uit uw vader de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen;
8:44
Gen. 3:1
2 Kor. 11:3
1 Joh. 3:8
die was een mensenmoordenaar van het begin af, en
8:44
Judas vs.
staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij vanuit wat van hemzelf is, want hij is een leugenaar en de vader van de leugen.

45Maar Mij, omdat Ik de waarheid spreek, Mij gelooft u niet.

46Wie van u overtuigt Mij van zonde? En als Ik de waarheid spreek, waarom gelooft u Mij niet?

47

8:47
Joh. 6:37
10:26,27
1 Joh. 4:6
Wie uit God is, hoort de woorden van God; daarom hoort u niet, omdat u niet uit God bent.

48De Joden dan antwoordden en zeiden tegen Hem: Zeggen wij niet terecht dat U een Samaritaan bent

8:48
Joh. 7:20
10:20
en door een demon bezeten bent?

49Jezus antwoordde: Ik ben niet door een demon bezeten,

8:49
Joh. 7:18
maar Ik eer Mijn Vader, en u onteert Mij.

50Maar Ik zoek Mijn eer niet; Eén is er Die haar zoekt en Die oordeelt.

51Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:

8:51
Joh. 5:24
11:25
Als iemand Mijn woord in acht genomen heeft, zal hij beslist de dood niet zien tot in eeuwigheid.

52De Joden dan zeiden tegen Hem: Nu weten wij zeker dat U door een demon bezeten bent. Abraham is gestorven en de profeten, en zegt U: Als iemand Mijn woord in acht genomen heeft, zal hij beslist de dood niet proeven tot in eeuwigheid?

53U bent toch niet meer dan onze vader Abraham,

8:53
Hebr. 11:13
die ook gestorven is? Ook de profeten zijn gestorven. Voor wie geeft U Zichzelf uit?

54Jezus antwoordde: Als Ik Mijzelf eer, betekent Mijn eer niets; Mijn Vader is het Die Mij eert, van Wie u zegt dat Hij uw God is.

55En u kent Hem niet, maar Ik ken Hem; en als Ik zeg dat Ik Hem niet ken, ben Ik, net als u, een leugenaar. Maar Ik ken Hem en neem Zijn woord in acht.

56Abraham, uw vader, verheugde zich er sterk

8:56
Gen. 17:17
Luk. 10:24
Hebr. 11:13
op dat hij Mijn dag zou zien, en hij heeft die gezien en heeft zich verblijd.

57De Joden dan zeiden tegen Hem: U bent nog geen vijftig jaar en hebt U Abraham gezien?

58Jezus zei tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Vóór Abraham geboren was, ben Ik.

59

8:59
Luk. 4:29
Joh. 10:31,39
11:8
Zij namen dan stenen op om ze op Hem te werpen. Maar Jezus verborg Zich en ging de tempel uit; Hij ging midden tussen hen door en zo ging Hij weg.

9

De genezing van de blindgeborene

91En in het voorbijgaan zag Hij iemand die blind was van de geboorte af.

2En Zijn discipelen vroegen Hem: Rabbi, wie heeft er gezondigd, hij of zijn ouders, dat hij blind geboren zou worden?

3Jezus antwoordde: Hij heeft niet gezondigd en zijn ouders ook niet,

9:3
Joh. 11:4
maar dit is gebeurd, opdat de werken van God in hem geopenbaard zouden worden.

4

9:4
Joh. 5:19
Ik moet de werken doen van Hem Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; er komt een nacht waarin niemand kan werken.

5Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik

9:5
Jes. 42:6
Luk. 2:32
Joh. 1:9
8:12
12:35,46
Hand. 13:47
het Licht der wereld.

6Nadat Hij dit gezegd had,

9:6
Mark. 8:23
spuwde Hij op de grond, maakte slijk met het speeksel en streek het slijk op de ogen van de blinde,

7en Hij zei tegen hem: Ga heen, was u in het badwater Siloam (wat vertaald wordt met: Uitgezonden). Hij dan ging weg en waste zich en kwam ziende terug.

8De buren dan en zij die eerder gezien hadden dat hij blind was, zeiden: Is deze het niet die zat

9:8
Hand. 3:2
te bedelen?

9Anderen zeiden: Hij is het; en weer anderen: Hij lijkt op hem. Hij zei: Ik ben het.

10Zij dan zeiden tegen hem: Hoe zijn uw ogen geopend?

11Hij antwoordde en zei: Een Mens, genaamd Jezus, maakte slijk, bestreek mijn ogen en zei tegen mij: Ga heen naar het badwater Siloam en was u. En ik ging weg, waste mij en werd ziende.

12Zij dan zeiden tegen hem: Waar is Hij? Hij zei: Ik weet het niet.

13Zij brachten hem die eerder blind was, naar de Farizeeën.

14

9:14
Matt. 12:1
Mark. 2:23
Luk. 6:1
Joh. 5:9
En het was sabbat toen Jezus het slijk maakte en zijn ogen opende.

Miskenning door de Joodse leiders

15Opnieuw vroegen nu ook de Farizeeën hem hoe hij ziende geworden was. En hij zei tegen hen: Hij legde slijk op mijn ogen, ik waste mij, en ik zie.

16Sommigen dan van de Farizeeën zeiden: Deze Mens is niet van God, want Hij neemt de sabbat niet in acht. Anderen zeiden:

9:16
Vers 33;
Hoe kan een zondig mens zulke tekenen doen?
9:16
Joh. 7:12
10:19
En er was verdeeldheid onder hen.

17Zij zeiden opnieuw tegen de blinde: U dan, wat zegt u van Hem, omdat Hij uw ogen geopend heeft? En hij zei:

9:17
Luk. 7:16
24:19
Joh. 4:19
6:14
Hij is een Profeet.

18De Joden dan geloofden niet van hem dat hij blind geweest was en ziende was geworden, totdat zij de ouders geroepen hadden van hem die ziende geworden was.

19En zij vroegen hun: Is dit uw zoon, van wie u zegt dat hij blindgeboren is? Hoe kan hij dan nu zien?

20Zijn ouders antwoordden hun en zeiden: Wij weten dat dit onze zoon is en dat hij blindgeboren is,

21maar hoe hij nu ziet, weten wij niet, of wie zijn ogen geopend heeft, weten wij niet. Hij is volwassen, vraag het hemzelf, hij zal voor zichzelf spreken.

22Dit zeiden zijn ouders

9:22
Joh. 7:13
12:42
omdat zij bevreesd waren voor de Joden;
9:22
Joh. 12:42
want de Joden waren al overeengekomen dat, als iemand zou belijden dat Hij de Christus was, hij uit de synagoge geworpen zou worden.

23Daarom zeiden zijn ouders: Hij is volwassen, vraag het hemzelf.

24Zij dan riepen voor de tweede keer de man die blind geweest was, en zeiden tegen hem:

9:24
Joz. 7:19
Geef God de eer, wij weten dat deze Mens een zondaar is.

25Hij dan antwoordde en zei: Of Hij een zondaar is, weet ik niet; één ding weet ik, dat ik blind was en nu zie.

26En zij zeiden opnieuw tegen hem: Wat heeft Hij met u gedaan? Hoe heeft Hij uw ogen geopend?

27Hij antwoordde hun: Ik heb het u al gezegd, maar u hebt niet geluisterd; waarom wilt u het nog eens horen? Wilt u soms ook Zijn discipelen worden?

28Zij dan scholden hem uit en zeiden: U bent een discipel van Hem, maar wij zijn discipelen van Mozes.

29Wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft, maar van Deze weten wij niet waar Hij vandaan komt.

30De man antwoordde en zei tegen hen: Er is toch iets wonderlijks in dat u niet weet waar Hij vandaan komt en dat Hij wel mijn ogen geopend heeft.

31

9:31
Spr. 15:29
28:9
Jes. 1:15
Micha 3:4
En wij weten dat God niet naar zondaars luistert, maar als iemand godvrezend is en Zijn wil doet, naar hem hoort Hij.

32Door de eeuwen heen is het niet gehoord dat iemand de ogen van een blindgeborene geopend heeft.

33Als Deze niet van God was, zou Hij niets kunnen doen.

34Zij antwoordden en zeiden tegen hem: U bent geheel in zonden geboren, en onderwijst u ons? En zij wierpen hem de synagoge uit.

35Jezus hoorde dat zij hem uit de synagoge geworpen hadden, en toen Hij hem gevonden had, zei Hij tegen hem: Gelooft u in de Zoon van God?

36Hij antwoordde en zei: Wie is Hij, Heere, zodat ik in Hem kan geloven?

37En Jezus zei tegen hem: Die u gezien hebt

9:37
Joh. 4:26
én Die met u spreekt, Die is het.

38En hij zei: Ik geloof, Heere! En hij aanbad Hem.

39En Jezus zei:

9:39
Joh. 3:17
12:47
Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen,
9:39
Matt. 13:13
opdat zij die niet zien, zien zouden, en die zien, blind zouden worden.

40En sommigen van de Farizeeën die bij Hem waren, hoorden dit en zeiden tegen Hem: Zijn wij dan soms ook blind?

41Jezus zei tegen hen: Als u blind was, zou u geen zonde hebben, maar nu u zegt: Wij zien, zo blijft dan uw zonde.

10

De goede Herder

101Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie de schaapskooi niet door de deur binnengaat, maar van elders naar binnen klimt, die is een dief en een rover.

2Maar wie door de deur naar binnen gaat, die is herder van de schapen.

3Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen zijn stem, en hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten.

4En wanneer hij zijn eigen schapen naar buiten gedreven heeft, gaat hij voor hen uit, en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen.

5Maar een vreemde zullen zij beslist niet volgen, maar zij zullen van hem wegvluchten, omdat zij de stem van vreemden niet kennen.

6Deze gelijkenis sprak Jezus tot hen, maar zij begrepen niet wat datgene wat Hij tot hen sprak, betekende.

7Jezus dan zei opnieuw tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de Deur voor de schapen.

8Allen die vóór Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd.

9

10:9
Joh. 14:6
Ik ben de Deur; als iemand door Mij naar binnen gaat, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.

10De dief komt alleen maar om te stelen, te slachten en verloren te laten gaan; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed hebben.

11

10:11
Jes. 40:11
Ezech. 34:23
Hebr. 13:20
1 Petr. 5:4
Ik ben de goede Herder; de goede herder geeft zijn leven voor de schapen.

12

10:12
Zach. 11:16
Maar de huurling en wie geen herder is, die de schapen niet tot eigendom heeft, ziet de wolf komen en laat de schapen in de steek en vlucht; en de wolf grijpt ze en drijft de schapen uiteen.

13En de huurling vlucht, omdat hij een huurling is en zich niet om de schapen bekommert.

14Ik ben de goede Herder en

10:14
2 Tim. 2:19
Ik ken de Mijnen en word door de Mijnen gekend,

15

10:15
Matt. 11:27
Luk. 10:22
Joh. 6:46
7:29
zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken; en Ik geef Mijn leven voor de schapen.

16Ik heb nog andere schapen, die niet van deze schaapskooi zijn; ook die moet Ik binnenbrengen, en zij zullen Mijn stem horen

10:16
Ezech. 37:22
en het zal worden één kudde en één Herder.

17Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik

10:17
Jes. 53:12
Mijn leven geef om het opnieuw te nemen.

18Niemand neemt het Mij af, maar Ik geef het uit Mijzelf;

10:18
Joh. 2:19
Ik heb macht het te geven, en heb macht het opnieuw te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen.

19

10:19
Joh. 7:12
9:16
Er ontstond dan opnieuw verdeeldheid onder de Joden vanwege deze woorden.

20En velen van hen zeiden:

10:20
Joh. 7:20
8:48,52
Hij is door een demon bezeten en is buiten zinnen, waarom luistert u naar Hem?

21Anderen zeiden: Dit zijn geen woorden van een bezetene;

10:21
Ex. 4:11
Ps. 94:9
146:8
kan een demon soms ogen van blinden openen?

Jezus op het feest van de tempelwijding

22En het was het feest van de inwijding van de tempel in Jeruzalem, en het was winter.

23En Jezus liep rond in de tempel,

10:23
1 Kon. 6:3
Hand. 3:11
5:12
in de zuilengang van Salomo.

24De Joden dan omringden Hem en zeiden tegen Hem: Hoelang houdt U ons in het onzekere?10:24 houdt U ons in het onzekere? - Letterlijk: neemt U onze ziel weg? Als U de Christus bent, zeg het ons vrijuit.

25Jezus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd en u gelooft het niet.

10:25
Joh. 5:36
De werken die Ik doe in de Naam van Mijn Vader, die getuigen van Mij.

26Maar u gelooft niet, want u bent niet van Mijn schapen, zoals Ik u gezegd heb.

27

10:27
Joh. 8:47
Mijn schapen horen Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij.

28En Ik geef hun eeuwig leven;

10:28
Joh. 6:39
17:12
18:9
en zij zullen beslist niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit Mijn hand rukken.

29Mijn Vader, Die hen aan Mij gegeven heeft, is meer dan allen, en niemand kan hen uit de hand van Mijn Vader rukken.

30

10:30
Jes. 54:5
Joh. 5:19
14:9
17:5
Ik en de Vader zijn Één.

31

10:31
Joh. 8:59
11:8
De Joden dan pakten opnieuw stenen op om Hem te stenigen.

32Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele goede werken van Mijn Vader laten zien. Vanwege welk van die werken stenigt u Mij?

33De Joden antwoordden Hem: Wij stenigen U niet vanwege een goed werk,

10:33
Joh. 5:18
maar vanwege godslastering, namelijk omdat U, Die een Mens bent, Uzelf God maakt.

34Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet:

10:34
Ps. 82:6
Ik heb gezegd: U bent goden?

35Als de wet hén goden noemde tot wie het woord van God kwam, en de Schrift niet van kracht beroofd10:35 van kracht beroofd - Letterlijk: losgemaakt. kan worden,

36zegt u dan tegen Mij,

10:36
Joh. 6:27
Die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: U lastert God, omdat Ik
10:36
Joh. 5:17
gezegd heb: Ik ben Gods Zoon?

37

10:37
Joh. 15:24
Als Ik niet de werken van Mijn Vader doe, geloof Mij dan niet,

38maar als Ik ze doe en u Mij niet gelooft, geloof dan de werken, opdat u erkent en gelooft dat

10:38
Joh. 14:11
17:21
de Vader in Mij is en Ik in Hem.

39

10:39
Luk. 4:29
Joh. 8:59
Zij probeerden dan opnieuw Hem te grijpen, maar Hij ontkwam aan hun handen.

40En Hij ging opnieuw naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats

10:40
Joh. 1:28
3:23
waar Johannes eerst doopte, en Hij bleef daar.

41En velen kwamen naar Hem toe en zeiden: Johannes deed wel geen teken, maar alles wat Johannes over Deze Man zei, was waar.

42En velen geloofden daar in Hem.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]