Herziene Statenvertaling (HSV)
5

De verlamde in Bethesda

51Hierna was er een

5:1
Lev. 23:2
Deut. 16:1
feest van de Joden en Jezus ging naar Jeruzalem.

2En er is in Jeruzalem bij de Schaapspoort een badwater, dat in het Hebreeuws Bethesda wordt genoemd, met vijf zuilengangen.

3Daarin lag een grote menigte van zieken, blinden, kreupelen en verlamden, die wachtten op de beroering van het water.

4Want een engel daalde van tijd tot tijd neer in het badwater en bracht het water in beweging; wie dan het eerst daarin kwam, na de beweging van het water, werd gezond, aan welke ziekte hij ook leed.

5En daar was een man die al achtendertig jaar ziek was.

6Jezus zag hem liggen en omdat Hij wist dat hij al lange tijd ziek was, zei Hij tegen hem: Wilt u gezond worden?

7De zieke antwoordde Hem: Heere, ik heb geen mens om mij in het badwater te werpen wanneer het water in beroering gebracht wordt; en terwijl ik kom, daalt een ander vóór mij af.

8Jezus zei tegen hem:

5:8
Matt. 9:6
Mark. 2:11
Luk. 5:24
Sta op, neem uw ligmat op en ga lopen.

9En meteen werd de man gezond, nam zijn ligmat op en ging lopen.

5:9
Joh. 9:14
En het was sabbat op die dag.

10De Joden dan zeiden tegen hem die genezen was:

5:10
Ex. 20:10
Deut. 5:13
Jer. 17:21
Matt. 12:2
Mark. 2:24
Luk. 6:2
Het is sabbat, het is u niet geoorloofd de ligmat te dragen.

11Hij antwoordde hun: Hij Die mij gezond gemaakt heeft, Die heeft tegen mij gezegd: Neem uw ligmat op en ga lopen.

12Zij vroegen hem dan: Wie is de Mens Die u gezegd heeft: Neem uw ligmat op en ga lopen?

13En hij die genezen was, wist niet Wie het was, want Jezus had Zich ongemerkt verwijderd omdat er een menigte was op die plaats.

14Daarna vond Jezus hem in de tempel en zei tegen hem: Zie, u bent gezond geworden,

5:14
Matt. 12:45
Joh. 8:11
zondig niet meer opdat u niet iets ergers overkomt.

15De man ging weg en berichtte de Joden dat het Jezus was Die hem gezond gemaakt had.

16En daarom vervolgden de Joden Jezus en probeerden zij Hem te doden, omdat Hij deze dingen op de sabbat deed.

17Maar Jezus antwoordde hun:

5:17
Joh. 14:10
Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook.

18

5:18
Joh. 7:19
Daarom dan probeerden de Joden des te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen het gebod van de sabbat brak, maar ook zei dat God Zijn eigen Vader was, en daarmee Zichzelf aan God gelijkmaakte.

De Zoon en de Vader

19Jezus dan antwoordde en zei tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:

5:19
Vers 30;
De Zoon kan niets van Zichzelf doen, als Hij dat niet de Vader ziet doen,
5:19
Jes. 54:5
Joh. 10:30
14:9
17:5
want al wat Deze doet, dat doet ook de Zoon op dezelfde wijze.

20Want de Vader heeft de Zoon lief en

5:20
Joh. 1:2
3:35
7:16
8:28
14:24
laat Hem alles zien wat Hij doet, en Hij zal Hem grotere werken laten zien dan deze, opdat u zich verwondert.

21Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil.

22Want ook de Vader oordeelt niemand,

5:22
Matt. 11:27
Joh. 3:35
maar heeft heel het oordeel aan de Zoon gegeven,

23opdat allen de Zoon eren zoals zij de Vader eren.

5:23
1 Joh. 2:23
Wie de Zoon niet eert, eert de Vader niet, Die Hem gezonden heeft.

24

5:24
Joh. 3:18
6:40,47
8:51
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie Mijn woord hoort en Hem gelooft Die Mij gezonden heeft, die heeft eeuwig leven en
5:24
Luk. 23:43
komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven.

25Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: De tijd komt en is nu

5:25
Efez. 2:1,5
1 Tim. 5:6
dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen, en dat wie hem horen, zullen leven.

26Want zoals de Vader het leven heeft in Zichzelf, zo heeft Hij ook de Zoon gegeven het leven te hebben in Zichzelf;

27en Hij heeft Hem ook macht gegeven om oordeel te vellen, omdat Hij de Zoon des mensen is.

28Verwonder u daar niet over, want de tijd komt

5:28
1 Thess. 4:16
waarin allen die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen,

29

5:29
Dan. 12:2
Matt. 25:34,46
en zij zullen eruitgaan: zij die het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, maar zij die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding ter verdoemenis.

30Ik kan van Mijzelf niets doen. Zoals Ik hoor, oordeel Ik en Mijn oordeel is rechtvaardig,

5:30
Joh. 6:38
want Ik zoek niet Mijn wil, maar de wil van de Vader, Die Mij gezonden heeft.

31

5:31
Joh. 8:14
Als Ik van Mijzelf getuig, is Mijn getuigenis niet waar.

32Er

5:32
Jes. 42:1
Matt. 3:17
17:5
is een Ander Die van Mij getuigt, en Ik weet dat het getuigenis dat Hij van Mij getuigt waar is.

33

5:33
Joh. 1:15,19,27
U hebt mensen naar Johannes gestuurd, en hij heeft van de waarheid getuigd.

34Ik grijp echter niet naar het getuigenis van een mens, maar dit zeg Ik opdat u behouden wordt.

35Hij was de brandende en lichtgevende lamp, en u hebt u voor een korte tijd in zijn licht willen verheugen.

36

5:36
1 Joh. 5:9
Maar Ik heb een getuigenis dat groter is dan dat van Johannes,
5:36
Joh. 10:25
want de werken die de Vader Mij gegeven heeft om die te volbrengen, juist die werken die Ik doe, getuigen van Mij dat de Vader Mij gezonden heeft.

37

5:37
Matt. 3:17
17:5
Mark. 1:11
9:7
Luk. 3:22
9:35
Joh. 1:33
6:27
8:18
2 Petr. 1:17
En de Vader, Die Mij gezonden heeft, Die heeft Zelf van Mij getuigd. U hebt Zijn stem nooit gehoord,
5:37
Ex. 33:20
Deut. 4:12
1 Tim. 6:16
1 Joh. 4:12
en ook Zijn gedaante niet gezien.

38En Zijn woord hebt u niet blijvend in u, omdat u Hem niet gelooft Die Hij gezonden heeft.

39

5:39
Jes. 34:16
Luk. 16:29
Hand. 17:11
U onderzoekt de Schriften, want u denkt daardoor eeuwig leven te hebben, en
5:39
Deut. 18:18
Luk. 24:27
Joh. 1:46
die zijn het die van Mij getuigen.

40En toch wilt u niet tot Mij komen opdat u leven hebt.

41Eer van mensen neem Ik niet aan,

42maar Ik ken u: u bezit zelf de liefde van God niet.

43Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader, maar u neemt Mij niet aan. Als een ander komt, in zijn eigen naam, die zult u aannemen.

44

5:44
Joh. 12:43
Hoe kunt u geloven, u die eer van elkaar aanneemt en de eer van de enige God niet zoekt?

45Denk niet dat Ik u zal aanklagen bij de Vader; die u aanklaagt, is Mozes, op wie u uw hoop gevestigd hebt.

46Want als u Mozes geloofde, zou u Mij geloven;

5:46
Gen. 3:15
22:18
26:4
28:14
Deut. 18:18
want hij heeft over Mij geschreven.

47Maar als u zijn Schriften niet gelooft, hoe zult u Mijn woorden geloven?

6

De eerste wonderlijke spijziging

61Hierna vertrok Jezus naar de overkant van de zee van Galilea, ofwel van Tiberias.

2En een grote menigte volgde Hem, omdat zij Zijn tekenen zagen, die Hij deed aan de zieken.

3En Jezus ging de berg op en ging daar zitten met Zijn discipelen.

4En het Pascha,

6:4
Ex. 12:18
Lev. 23:5,7
Num. 28:16
Deut. 16:1
het feest van de Joden, was nabij.

5

6:5
Matt. 14:14
Mark. 6:34
Luk. 9:13
Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag dat een grote menigte naar Hem toe kwam, zei Hij tegen Filippus: Waar zullen wij broden kopen, opdat deze mensen kunnen eten?

6Maar dit zei Hij om hem op de proef te stellen, want Hij wist Zelf wat Hij zou gaan doen.

7Filippus antwoordde Hem: Voor tweehonderd penningen6:7 penningen - Letterlijk: denarie, dat is het dagloon van een arbeider. brood is voor hen niet genoeg, zodat ieder van hen een beetje zou kunnen krijgen.

8Een van Zijn discipelen, Andreas, de broer van Simon Petrus, zei tegen Hem:

9Hier is een jongetje dat vijf gerstebroden en twee visjes heeft, maar

6:9
2 Kon. 4:43
wat betekenen die voor zovelen?

10En Jezus zei: Laat de mensen gaan zitten. En er was veel gras op die plaats. Dus gingen de mannen zitten, ongeveer vijfduizend in getal.

11En Jezus nam de broden,

6:11
1 Sam. 9:13
en nadat Hij gedankt had, deelde Hij ze uit aan de discipelen, en de discipelen aan hen die daar zaten; op dezelfde manier werden ook de visjes uitgedeeld, zoveel zij wilden.

12En toen zij verzadigd waren, zei Hij tegen Zijn discipelen: Verzamel de overgebleven stukken, zodat er niets verloren gaat.

13Zij verzamelden ze nu en vulden twaalf manden met stukken van de vijf gerstebroden die overgebleven waren bij hen die gegeten hadden.

14Toen de mensen dan het teken dat Jezus gedaan had, gezien hadden, zeiden zij:

6:14
Luk. 7:16
24:19
Joh. 4:19
Híj is werkelijk de Profeet, Die in de wereld komen zou.

15Omdat Jezus nu wist dat zij zouden komen en Hem met geweld mee zouden nemen om Hem koning te maken, trok Hij Zich opnieuw terug op de berg, Hij Zelf alleen.

Jezus wandelt op de zee

16

6:16
Matt. 14:23
Mark. 6:47
En toen het avond werd, daalden Zijn discipelen af naar de zee.

17En toen zij in het schip gegaan waren, staken zij de zee over naar Kapernaüm. En het was al donker geworden en Jezus was nog niet naar hen toe gekomen.

18En de zee werd onstuimig, want er waaide een harde wind.

19En toen zij ongeveer vijfentwintig of dertig stadiën6:19 stadiën - Eén stadie bedraagt ongeveer 185 meter. geroeid hadden, zagen zij Jezus op de zee lopen en dicht bij het schip komen, en zij werden bevreesd.

20Maar Hij zei tegen hen: Ik ben het, wees niet bevreesd.

21Zij wilden Hem dan in het schip nemen, en meteen bereikte het schip het land waar zij naartoe voeren.

Het Brood des levens

22De volgende dag zag de menigte, die aan de overkant van de zee stond, dat daar geen ander scheepje was dan dat ene waar Zijn discipelen in gegaan waren, en dat Jezus met Zijn discipelen niet in het scheepje gegaan was, maar dat Zijn discipelen alleen weggevaren waren.

23Maar er kwamen andere scheepjes van Tiberias, dicht bij de plaats waar zij het brood gegeten hadden nadat de Heere gedankt had.

24Toen de menigte nu zag dat Jezus daar niet was, en ook Zijn discipelen niet, gingen zij zelf ook in de schepen en kwamen in Kapernaüm om Jezus te zoeken.

25En toen zij Hem gevonden hadden aan de overkant van de zee, zeiden zij tegen Hem: Rabbi, wanneer bent U hier gekomen?

26Jezus antwoordde hun en zei: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: U zoekt Mij, niet omdat u tekenen gezien hebt, maar omdat u van de broden gegeten hebt en verzadigd bent.

27

6:27
Vers 40,54;
Werk niet om het voedsel dat vergaat, maar om het voedsel dat blijft tot in het eeuwige leven, dat de Zoon des mensen u geven zal;
6:27
Matt. 3:17
17:5
Mark. 1:11
9:7
Luk. 3:22
9:35
Joh. 1:33
5:37
8:18
2 Petr. 1:17
want Hem heeft God de Vader verzegeld.

28Zij zeiden dan tegen Hem: Wat moeten wij doen, opdat wij de werken van God mogen verrichten?

29Jezus antwoordde en zei tegen hen:

6:29
1 Joh. 3:23
Dit is het werk van God: dat u gelooft in Hem Die Hij gezonden heeft.

30Zij zeiden dan tegen Hem: Welk

6:30
Matt. 12:38
16:1
Mark. 8:11
Luk. 11:29
1 Kor. 1:22
teken doet U dan, opdat wij het zien en U geloven? Wat voor werk verricht U?

31

6:31
Ex. 16:4,14
Num. 11:7
Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn, zoals geschreven is:
6:31
Ps. 78:24
1 Kor. 10:3
Hij gaf hun het brood uit de hemel te eten.

32Jezus dan zei tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar Mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel.

33Want het brood van God is Hij Die uit de hemel neerdaalt en aan de wereld het leven geeft.

34Zij zeiden dan tegen Hem: Heere, geef ons altijd dat brood.

35En Jezus zei tegen hen: Ik ben het Brood des levens;

6:35
Jes. 55:1
Joh. 4:14
7:37
wie tot Mij komt, zal beslist geen honger hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst hebben.

36Maar Ik heb u gezegd dat u Mij wel gezien hebt, en toch gelooft u niet.

37Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen; en wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.

38Want Ik ben uit de hemel neergedaald,

6:38
Matt. 26:39
Mark. 14:36
Luk. 22:42
Joh. 5:30
niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar de wil van Hem Die Mij gezonden heeft.

39En dit is de wil van de Vader, Die Mij gezonden heeft,

6:39
Joh. 10:28
17:12
18:9
dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren laat gaan, maar het doe opstaan op de laatste dag.

40En dit is de wil van Hem Die Mij gezonden heeft,

6:40
Vers 27,54;
dat ieder die de Zoon ziet en in Hem gelooft, eeuwig leven heeft, en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.

41De Joden dan morden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het brood dat uit de hemel neergedaald is.

42En zij zeiden:

6:42
Matt. 13:55
Mark. 6:3
Is Hij niet Jezus, de zoon van Jozef, van wie wij de vader en moeder kennen? Hoe kan Hij dan zeggen: Ik ben uit de hemel neergedaald?

43Jezus antwoordde dan en zei tegen hen: Mor niet onder elkaar.

44

6:44
Vers 65;
Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekt; en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.

45Er is geschreven in de profeten:

6:45
Jes. 54:13
Jer. 31:33
Hebr. 8:10
10:16
En zij zullen allen door God onderwezen zijn. Ieder dan die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot Mij.

46

6:46
Matt. 11:27
Luk. 10:22
Joh. 1:18
7:29
8:19
Niet dat iemand de Vader gezien heeft, behalve Hij Die van God is; Híj heeft de Vader gezien.

47Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:

6:47
Joh. 3:16,36
Wie in Mij gelooft, heeft eeuwig leven.

48Ik ben het Brood des levens.

49

6:49
Ex. 16:4
Num. 11:7
Ps. 78:24
Uw vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn en zij zijn gestorven.

50Dit is het brood dat uit de hemel neerdaalt, opdat de mens daarvan eet en niet sterft.

51Ik ben het levende brood, dat uit de hemel neergedaald is;

6:51
Joh. 11:26
als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid.
6:51
Hebr. 10:5,10
En het brood dat Ik geven zal, is Mijn vlees, dat Ik geven zal voor het leven van de wereld.

52De Joden dan redetwistten met elkaar en zeiden:

6:52
Joh. 3:9
Hoe kan Hij ons Zijn vlees te eten geven?

53Jezus dan zei tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als u het vlees van de Zoon des mensen niet eet en Zijn bloed niet drinkt, hebt u geen leven in uzelf.

54

6:54
Vers 27,40;
Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven, en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.

55Want Mijn vlees is het ware voedsel en Mijn bloed is de ware drank.

56Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem.

57Zoals de levende Vader Mij gezonden heeft, en Ik leef door de Vader, zo zal ook wie Mij eet, leven door Mij.

58Dit is het

6:58
Joh. 3:13
brood dat uit de hemel neergedaald is; niet zoals uw vaderen het manna gegeten hebben en gestorven zijn. Wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven.

59Deze dingen zei Hij, terwijl Hij onderwijs gaf in de synagoge in Kapernaüm.

Veel discipelen verlaten Jezus

60Velen dan van Zijn discipelen die dit hoorden, zeiden: Dit woord is hard; wie kan het aanhoren?

61Maar omdat Jezus bij Zichzelf wist dat Zijn discipelen daarover morden, zei Hij tegen hen: Neemt u hier aanstoot aan?

62En

6:62
Mark. 16:19
Luk. 24:50
Joh. 3:13
Hand. 1:9
Efez. 4:8
als u de Zoon des mensen nu eens zou zien opvaren naar de plaats waar Hij eerder was?

63

6:63
2 Kor. 3:6
De Geest is het Die levend maakt, het vlees heeft geen enkel nut. De woorden die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven.

64Maar er zijn sommigen onder u die niet geloven.

6:64
Joh. 2:25
Want Jezus wist van het begin af wie het waren die niet geloofden,
6:64
Joh. 13:11
en wie het was die Hem zou verraden.

65En Hij zei:

6:65
Vers 44
Daarom heb Ik u gezegd dat niemand tot Mij komen kan, tenzij het hem door Mijn Vader gegeven is.

66Van toen af trokken velen van Zijn discipelen zich terug en gingen niet meer met Hem mee.

De belijdenis van Petrus

67Jezus dan zei tegen de twaalf: Wilt u ook niet weggaan?

68Simon Petrus dan antwoordde Hem: Heere, naar wie zullen wij heen gaan? U hebt woorden van eeuwig

6:68
Hand. 5:20
leven.

69En wij hebben geloofd en erkend

6:69
Matt. 16:16
Mark. 8:29
Luk. 9:20
Joh. 11:27
dat U de Christus bent, de Zoon van de levende God.

70Jezus antwoordde hun:

6:70
Luk. 6:13
Heb Ik u, de twaalf, niet uitgekozen? En een van u is een duivel.

71En Hij doelde op Judas Iskariot, de zoon van Simon, want die zou Hem verraden, een van de twaalf.

7

Het ongeloof van Jezus' broers

71En hierna trok Jezus rond in Galilea, want Hij wilde niet in Judea rondtrekken, omdat de Joden Hem probeerden te doden.

2En het feest van de Joden, het

7:2
Lev. 23:34
Loofhuttenfeest, was aanstaande.

3Zijn broers dan zeiden tegen Hem: Vertrek vanhier en ga weg naar Judea, zodat ook Uw discipelen de werken die U doet kunnen zien.

4Want niemand doet iets in het verborgene, en streeft er tegelijk zelf naar dat men openlijk over hem spreekt. Als U deze dingen doet, maak Uzelf dan openbaar aan de wereld.

5Want ook Zijn

7:5
Mark. 3:21
broers geloofden niet in Hem.

6Jezus dan zei tegen hen: Mijn tijd is nog niet aangebroken, maar uw tijd is er altijd.7:6 maar uw tijd is er altijd - Letterlijk: maar uw tijd is altijd bereid.

7

7:7
Joh. 14:17
15:18
De wereld kan u niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van haar getuig dat haar werken
7:7
Joh. 3:19
slecht zijn.

8Gaat u naar dit feest; Ik ga nog niet naar dit feest,

7:8
Joh. 8:20
want Mijn tijd is nog niet vervuld.

9En nadat Hij dit tegen hen gezegd had, bleef Hij in Galilea.

De prediking van Jezus op het Loofhuttenfeest

10Maar toen Zijn broers naar het feest gegaan waren, toen ging Hij ook Zelf naar het feest, niet openlijk, maar als in het verborgen.

11De Joden dan zochten Hem op het feest en zeiden:

7:11
Joh. 11:56
Waar is Hij?

12

7:12
Joh. 9:16
10:19
En er was veel gemompel over Hem onder de menigten. Sommigen zeiden:
7:12
Vers 40;
Hij is goed; en anderen zeiden: Nee, maar Hij misleidt de menigte.

13Toch sprak niemand openlijk over Hem,

7:13
Joh. 9:22
12:42
19:38
uit vrees voor de Joden.

14Maar toen het feest al half voorbij was, ging Jezus naar de tempel en gaf onderwijs.

15En de Joden verwonderden zich en zeiden: Hoe kent Hij de Schriften zonder daarin onderwezen te zijn?

16Jezus antwoordde hun en zei:

7:16
Joh. 3:11
8:28
12:49
14:10,24
Mijn onderricht is niet van Mij, maar van Hem Die Mij gezonden heeft.

17Als iemand de wil heeft om Zijn wil te doen, zal hij van dit onderricht weten of het uit God is, of dat Ik vanuit Mijzelf spreek.

18Wie vanuit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer, maar Wie de eer zoekt van Hem Die Hem gezonden heeft, Die is waarachtig en geen ongerechtigheid is in Hem.

19

7:19
Ex. 20:1
24:3
Hand. 7:53
Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de wet.
7:19
Matt. 12:14
Mark. 3:6
Joh. 5:18
10:39
11:53
Waarom probeert u Mij te doden?

20De menigte antwoordde en zei:

7:20
Joh. 8:48,52
10:20
U bent door een demon bezeten; wie probeert U te doden?

21Jezus antwoordde en zei tegen hen: Eén werk heb Ik gedaan en u verwondert u allen.

22Welnu, Mozes heeft u

7:22
Lev. 12:3
de besnijdenis gegeven – niet dat zij van Mozes komt, maar
7:22
Gen. 17:10
van de vaderen – en u besnijdt iemand op de sabbat.

23Als een mens de besnijdenis ontvangt op de sabbat, juist om de wet van Mozes niet te breken, bent u dan verbitterd tegen Mij, omdat Ik een heel mens gezond gemaakt heb op de sabbat?

24

7:24
Deut. 1:16,17
Spr. 24:23
Jak. 2:1
Oordeel niet naar wat voor ogen is, maar vel een rechtvaardig oordeel.

Meningsverschillen met betrekking tot Jezus

25Sommigen dan van de inwoners van Jeruzalem zeiden: Is Hij het niet Die zij proberen te doden?

26En zie, Hij spreekt vrijuit en zij zeggen niets tegen Hem. Zouden onze leiders soms werkelijk tot de erkenning zijn gekomen dat Híj werkelijk de Christus is?

27

7:27
Matt. 13:55
Mark. 6:3
Luk. 4:22
Maar van Hém weten wij waar Hij vandaan komt; wanneer echter de Christus komt, weet niemand waar Hij vandaan komt.

28Jezus dan riep in de tempel, terwijl Hij onderwijs gaf en zei: U kent Mij niet alleen, maar u weet ook waar Ik vandaan kom; en Ik ben niet

7:28
Joh. 5:43
8:42
uit Mijzelf gekomen,
7:28
Joh. 8:26
Rom. 3:4
maar Hij Die Mij gezonden heeft, is waarachtig, en Hem kent u niet.

29Maar

7:29
Joh. 10:15
Ik ken Hem, want Ik ben van Hem afkomstig, en Hij heeft Mij gezonden.

30

7:30
Mark. 11:18
Luk. 19:47
20:19
Joh. 7:19
8:37
Zij probeerden Hem dan te grijpen, maar niemand sloeg de hand aan Hem, want Zijn
7:30
Joh. 8:20
uur was nog niet gekomen.

31

7:31
Joh. 8:30
En velen uit de menigte kwamen tot geloof in Hem en zeiden: Wanneer de Christus komt, zal Hij toch niet meer tekenen doen dan Híj gedaan heeft?

32De Farizeeën hoorden dat de menigte dit over Hem mompelde, en de Farizeeën en de overpriesters stuurden dienaars om Hem te grijpen.

33Jezus dan zei tegen hen:

7:33
Joh. 16:16
Nog een korte tijd ben Ik bij u en dan ga Ik heen naar Hem Die Mij gezonden heeft.

34

7:34
Joh. 8:21
13:33
U zult Mij zoeken maar niet vinden, en waar Ik ben, kunt u niet komen.

35De Joden dan zeiden tegen elkaar: Waar zal Hij naartoe gaan, dat wij Hem niet zullen vinden? Hij zal toch niet naar de Grieken in de verstrooiing gaan en de Grieken onderwijzen?

36Wat is dit voor een woord dat Hij gezegd heeft: U zult Mij zoeken maar niet vinden; en waar Ik ben, kunt u niet komen?

37En op de

7:37
Lev. 23:36
laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus daar en riep:
7:37
Jes. 55:1
Joh. 6:35
Openb. 22:17
Als iemand dorst heeft, laat hij tot Mij komen en drinken.

38Wie in Mij gelooft, zoals

7:38
Jes. 12:3
de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste7:38 binnenste - Letterlijk: buik. vloeien.

39En dit zei Hij

7:39
Jes. 44:3
Joël 2:28
Hand. 2:17
over de Geest, Die zij die in Hem geloven, ontvangen zouden; want de Heilige Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.

40Velen dan uit de menigte die dit woord hoorden, zeiden:

7:40
Matt. 21:46
Luk. 7:16
Joh. 6:14
Híj is werkelijk de Profeet.

41Anderen zeiden:

7:41
Joh. 4:42
Híj is de Christus. En weer anderen zeiden:
7:41
Joh. 1:47
De Christus komt toch niet uit Galilea?

42Zegt de Schrift niet dat de Christus komt

7:42
Ps. 132:11
uit het geslacht van David en uit het dorp
7:42
Micha 5:1
Matt. 2:6
Bethlehem, waar David was?

43Er ontstond dan verdeeldheid onder de menigte vanwege Hem.

44En sommigen van hen wilden Hem grijpen, maar niemand sloeg de hand aan Hem.

45De dienaars dan kwamen tot de overpriesters en Farizeeën, en die zeiden tegen hen: Waarom hebt u Hem niet meegebracht?

46De dienaars antwoordden: Nooit heeft een mens zo gesproken als deze Mens.

47De Farizeeën dan antwoordden hun: Bent u soms ook misleid?

48

7:48
Jes. 33:18
Joh. 12:42
1 Kor. 1:20
2:8
Heeft iemand van de leiders soms in Hem geloofd, of van de Farizeeën?

49Maar deze menigte, die de wet niet kent, is vervloekt.

50Nicodemus, die

7:50
Joh. 3:2
19:39
's nachts bij Hem gekomen was, die één van hen was, zei tegen hen:

51

7:51
Ex. 23:1
Lev. 19:15
Deut. 1:17
17:8
19:15
Veroordeelt soms onze wet de mens, als zij hem niet eerst hoort en kennis genomen heeft van wat hij doet?

52Zij antwoordden en zeiden tegen hem: Bent u soms ook uit Galilea? Onderzoek en zie dat in Galilea geen profeet is opgestaan.

53En ieder ging naar zijn huis.