Herziene Statenvertaling (HSV)
20

De opstanding

201En

20:1
Matt. 28:1
Mark. 16:1
Luk. 24:1
op de eerste dag van de week ging Maria Magdalena vroeg, toen het nog donker was, naar het graf, en zij zag dat de steen van het graf weggenomen was.

2Daarom snelde zij terug en ging naar Simon Petrus en naar de andere discipel,

20:2
Joh. 13:23
21:7,20
die Jezus liefhad,20:2 die Jezus liefhad - Hier is de liefde van Jezus tot Johannes bedoeld. en zei tegen hen: Ze hebben de Heere uit het graf weggenomen, en wij weten niet waar zij Hem neergelegd hebben.

3

20:3
Luk. 24:12
Petrus dan ging naar buiten, en de andere discipel, en zij kwamen bij het graf.

4En die twee liepen samen, maar de andere discipel snelde vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf.

5En toen hij vooroverboog, zag hij

20:5
Joh. 19:40
de doeken liggen, maar toch ging hij er niet in.

6Simon Petrus dan kwam en volgde hem, en ging het graf wel binnen en zag de doeken liggen.

7En

20:7
Joh. 11:44
de zweetdoek, die op Zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de doeken liggen maar afzonderlijk, opgerold, op een andere plaats.

8Toen ging ook de andere discipel, die het eerst bij het graf gekomen was, naar binnen, en hij zag het en geloofde.

9Want zij kenden de

20:9
Ps. 16:10
Hand. 2:25,31
13:35
Schrift nog niet dat Hij uit de doden moest opstaan.

10De discipelen dan gingen weer naar huis.

De verschijning aan Maria Magdalena

11

20:11
Matt. 28:1
Mark. 16:5
Luk. 24:4
Maar Maria stond huilend buiten bij het graf en terwijl zij huilde, boog zij voorover in het graf,

12en zij zag twee engelen in witte kleding zitten, een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde van de plaats waar het lichaam van Jezus gelegen had;

13en die zeiden tegen haar: Vrouw, waarom huilt u? Zij zei tegen hen: Omdat ze mijn Heere weggenomen hebben, en ik weet niet waar ze Hem neergelegd hebben.

14

20:14
Matt. 28:9
Mark. 16:9
En toen zij dit gezegd had, keerde zij zich naar achteren en zag Jezus staan, maar zij wist niet dat het Jezus was.

15Jezus zei tegen haar: Vrouw, waarom huilt u? Wie zoekt u? Zij dacht dat het de tuinman was, en zei tegen Hem: Mijnheer, als u Hem weggedragen hebt, zeg mij dan waar u Hem neergelegd hebt en ik zal Hem weghalen.

16Jezus zei tegen haar: Maria! Zij keerde zich om en zei tegen Hem: Rabboeni; dat betekent: Meester.

17Jezus zei tegen haar: Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren naar Mijn Vader, maar ga

20:17
Ps. 22:23
Matt. 28:10
Hebr. 2:11
naar Mijn broeders en zeg tegen hen:
20:17
Joh. 16:28
Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader, en naar Mijn God en uw God.

18

20:18
Matt. 28:8
Mark. 16:10
Luk. 24:9
Maria Magdalena ging en berichtte de discipelen dat zij de Heere gezien had en dat Hij dit tegen haar gezegd had.

De verschijning aan de tien discipelen

19

20:19
Mark. 16:14
Luk. 24:36
1 Kor. 15:5
Toen het nu avond was op die eerste dag van de week en de deuren van de plaats waar de discipelen bijeenwaren, uit vrees voor de Joden gesloten waren, kwam Jezus en Hij stond in hun midden en zei tegen hen: Vrede zij u!

20En nadat Hij dit gezegd had, liet Hij hun Zijn handen en Zijn zij zien.

20:20
Joh. 16:22
De discipelen dan verblijdden zich toen zij de Heere zagen.

21Jezus dan zei opnieuw tegen hen: Vrede zij u!

20:21
Jes. 61:1
Matt. 28:19
Mark. 16:15
Luk. 4:18
Joh. 17:18
Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u.

22En nadat Hij dit gezegd had, blies Hij op hen en zei tegen hen: Ontvang de Heilige Geest.

23

20:23
Matt. 16:19
18:18
Als u iemands zonden vergeeft, worden ze hem vergeven; als u ze hem toerekent, blijven ze hem toegerekend.20:23 als u ze hem toerekent, blijven ze hem toegerekend - Letterlijk: als u iemands (zonden) houdt, (die) zijn (ze) gehouden.

Jezus en Thomas

24En Thomas, een van de twaalf, Didymus genoemd, was niet bij hen toen Jezus daar kwam.

25De andere discipelen dan zeiden tegen hem: Wij hebben de Heere gezien. Maar hij zei tegen hen: Als ik in Zijn handen niet het litteken van de spijkers zie, en mijn vinger niet steek in het litteken van de spijkers, en mijn hand niet steek in Zijn zij, zal ik beslist niet geloven.

26En na acht dagen waren Zijn discipelen weer binnen en Thomas was bij hen. Jezus kwam terwijl de deuren gesloten waren, en Hij stond in hun midden en zei: Vrede zij u.

27Daarna zei Hij tegen Thomas: Kom hier met uw vinger en bekijk Mijn handen,

20:27
1 Joh. 1:1
en kom hier met uw hand en steek die in Mijn zij; en wees niet ongelovig, maar gelovig.

28En Thomas antwoordde en zei tegen Hem: Mijn Heere en mijn God!

29Jezus zei tegen hem: Omdat u Mij gezien hebt, Thomas, hebt u geloofd;

20:29
1 Petr. 1:8
zalig zijn zij die niet gezien zullen hebben en toch zullen geloven.

30Jezus nu heeft in aanwezigheid van Zijn discipelen nog wel

20:30
Joh. 21:25
veel andere tekenen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek,

31maar deze zijn beschreven, opdat u gelooft dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat u, door te geloven, het leven zult hebben in Zijn Naam.

21

De verschijning aan de zee van Tiberias

211Hierna openbaarde Jezus Zich opnieuw aan de discipelen, aan de zee van Tiberias. En Hij openbaarde Zich als volgt:

2Er waren bijeen Simon Petrus en Thomas, ook Didymus genoemd,

21:2
Joh. 1:46
en Nathanaël, die uit Kana in Galilea afkomstig was,
21:2
Matt. 4:21
Mark. 1:19
en de zonen van Zebedeüs, en twee anderen van Zijn discipelen.

3Simon Petrus zei tegen hen: Ik ga vissen. Zij zeiden tegen hem: Wij gaan met u mee. Zij gingen naar buiten, en gingen meteen aan boord van het schip; en in die nacht vingen zij niets.

4En toen het al ochtend geworden was, stond Jezus aan de oever, maar de discipelen wisten niet dat het Jezus was.

5Jezus dan zei tegen hen: Kinderen, hebt u niet iets voor bij het eten? Zij antwoordden Hem: Nee.

6En Hij zei tegen hen:

21:6
Luk. 5:4,6,7
Werp het net uit aan de rechterkant van het schip en u zult vinden. Dus wierpen zij het uit en zij konden het niet meer trekken vanwege de grote hoeveelheid vissen.

7De discipel dan

21:7
Joh. 13:23
20:2
die Jezus liefhad,21:7 die Jezus liefhad - Hier is de liefde van Jezus tot Johannes bedoeld; zie ook vers 20. zei tegen Petrus: Het is de Heere! Toen Simon Petrus dan hoorde dat het de Heere was, sloeg hij het bovenkleed om, want hij was ongekleed, en wierp zich in de zee.

8En de andere discipelen kwamen met het scheepje, want zij waren niet ver, slechts ongeveer tweehonderd el, van het land verwijderd, en sleepten het net met de vissen.

9Toen zij nu aan land gegaan waren, zagen zij een kolenvuur met vis daarop liggen, en brood.

10

21:10
Luk. 24:41
Jezus zei tegen hen: Breng wat van de vissen die u nu gevangen hebt.

11Simon Petrus ging ernaartoe en trok het net op het land, vol grote vissen, honderddrieënvijftig, en hoewel het er zoveel waren, scheurde het net niet.

12Jezus zei tegen hen: Kom, gebruik de maaltijd. En niemand van de discipelen durfde Hem te vragen: Wie bent U? want zij wisten dat het de Heere was.

13Jezus dan kwam en nam het brood en gaf het hun, en de vis eveneens.

14Dit nu was de derde keer dat Jezus Zich aan Zijn discipelen openbaarde, nadat Hij uit de doden opgewekt was.

Jezus en Petrus

15Toen zij dan de maaltijd gebruikt hadden, zei Jezus tegen Simon Petrus: Simon, zoon van Jona, hebt u Mij meer lief dan dezen? Hij zei tegen Hem: Ja, Heere, U weet dat ik van U houd. Hij zei tegen hem: Weid Mijn lammeren.

16Hij zei opnieuw tegen hem, voor de tweede keer: Simon, zoon van Jona, hebt u Mij lief? Hij zei tegen Hem: Ja, Heere, U weet dat ik van U houd. Hij zei tegen hem: Hoed Mijn schapen.

17Hij zei voor de derde keer tegen hem: Simon, zoon van Jona, houdt u van Mij? Petrus werd bedroefd, omdat Hij voor de derde keer tegen hem zei: Houdt u van Mij? En hij zei tegen Hem:

21:17
Joh. 16:30
Heere, U weet alle dingen, U weet dat ik van U houd. Jezus zei tegen hem: Weid Mijn schapen.

18

21:18
Joh. 13:36
Hand. 12:3
2 Petr. 1:14
Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u: Toen u jonger was, omgordde u uzelf en liep u waar u wilde; maar als u oud geworden bent, zult u uw handen uitstrekken, en een ander zal u omgorden en u brengen waar u niet heen wilt.

19

21:19
2 Petr. 1:14
En dit zei Hij om aan te duiden met wat voor dood hij God verheerlijken zou. En nadat Hij dit gezegd had, zei Hij tegen hem: Volg Mij!

De discipel die van deze dingen getuigt

20En Petrus zag, toen hij zich omkeerde,

21:20
Vers
de discipel volgen die Jezus liefhad, die ook tijdens het avondmaal tegen Zijn borst was gaan liggen en gezegd had: Heere, wie is het die U verraden zal?

21Toen Petrus deze zag, zei hij tegen Jezus: Heere, maar wat zal er met hem gebeuren?

22Jezus zei tegen hem: Als Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het u aan? Volgt u Mij!

23Dit gerucht nu, dat deze discipel niet zou sterven, verspreidde zich onder de broeders. Maar Jezus had niet tegen hem gezegd dat hij niet zou sterven, maar: Als Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het u aan?

24Dit is de discipel die van deze dingen getuigt en deze dingen beschreven heeft; en wij weten dat zijn getuigenis

21:24
Joh. 19:35
waar is.

25

21:25
Joh. 20:30
En er zijn nog veel andere dingen die Jezus gedaan heeft. Als die ieder afzonderlijk beschreven zouden worden, dan zou, denk ik, de wereld zelf de geschreven boeken niet kunnen bevatten. Amen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]