Herziene Statenvertaling (HSV)
19

De kruik gebroken

191Zo zegt de HEERE: Ga een aarden pottenbakkerskruik kopen, en neem enkelen van de oudsten van het volk en van de oudsten van de priesters mee.

2Ga uit naar het dal Ben-Hinnom, dat bij de ingang van de Schervenpoort ligt, en predik daar de woorden die Ik tot u spreek,

3en zeg: Hoor het woord van de HEERE, koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem. Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik ga onheil brengen over deze plaats, zodat bij ieder die het hoort, zijn oren zullen

19:3
1 Sam. 3:11
2 Kon. 21:12
tuiten,

4omdat zij Mij

19:4
Jes. 65:11
Jer. 2:13,17,19
5:7,19
15:6
17:13
verlaten hebben, deze plaats van Mij vervreemd hebben, en reukoffers gebracht hebben aan andere goden, die zij niet gekend hebben, zij, hun vaderen en de koningen van Juda. Zij hebben deze plaats gevuld met
19:4
Jer. 7:6
bloed van onschuldigen.

5Zij hebben de hoogten van de Baäl gebouwd om hun kinderen met vuur te verbranden als brandoffers voor de Baäl, wat Ik niet geboden en niet gesproken heb, en in Mijn hart niet is opgekomen.

6Daarom, zie, er komen

19:6
Jer. 7:32
dagen, spreekt de HEERE, dat deze plaats niet meer genoemd zal worden Tofet en het dal Ben-Hinnom, maar Moorddal.

7Ik zal de plannen van Juda en Jeruzalem in deze plaats verijdelen. Ik zal hen doen vallen door het zwaard vóór hun vijanden en door de hand van hen die hen naar het leven staan. Ik zal hun dode lichamen als voedsel geven aan

19:7
Jer. 15:3
16:4
de vogels in de lucht en aan de dieren op de aarde.

8Ik zal deze stad maken tot een verschrikking en tot een aanfluiting. Ieder die er voorbijtrekt, zal zich ontzetten en van afschuw sissen over al haar wonden.

9

19:9
Lev. 26:29
Deut. 28:53
Klaagl. 4:10
Ik zal hun het vlees van hun zonen en het vlees van hun dochters te eten geven. Zij zullen ieder het vlees eten van zijn naaste tijdens de belegering en in de nood waarin hun vijanden en zij die hen naar het leven staan, hen doen verkeren.

10Dan moet u de kruik stukbreken voor de ogen van de mannen die met u waren meegegaan,

11en tegen hen zeggen: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Zo zal Ik dit volk en deze stad stukbreken, zoals men een pot van een pottenbakker stukbreekt, zodat die niet meer hersteld kan worden. Men zal hen in Tofet

19:11
Jer. 7:32
begraven, omdat er geen andere plaats om te begraven is.

12Zo zal Ik doen met deze plaats, spreekt de HEERE, en met zijn inwoners, om deze stad te maken als een Tofet.

13De huizen van Jeruzalem en de huizen van de koningen van Juda zullen even onrein worden als de plaats van Tofet, met alle huizen waar zij op de daken ervan reukoffers hebben gebracht aan heel het leger aan de hemel en

19:13
Jer. 7:18
plengoffers hebben uitgegoten voor andere goden.

14Toen Jeremia van Tofet kwam, waarheen de HEERE hem had gezonden om te profeteren, ging hij in de voorhof van het huis van de HEERE staan en zei tegen heel het volk:

15Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik ga over deze stad, en over al haar steden, al het onheil brengen dat Ik tegen haar uitgesproken heb, omdat zij

19:15
Jer. 7:26
17:23
halsstarrig waren19:15 zij halsstarrig waren - Letterlijk: zij hun nek verhard hebben. door niet te luisteren naar Mijn woorden.

20

Jeremia opgesloten

201Toen Pashur, de zoon van de priester Immer – hij was tevens hoofdopzichter in het huis van de HEERE – Jeremia deze woorden hoorde profeteren,

2liet Pashur de profeet Jeremia slaan en zette hem in het blok dat in de bovenste Benjaminpoort aan het huis van de HEERE was.

3Het gebeurde echter de volgende dag, toen Pashur Jeremia uit het blok liet gaan, dat Jeremia tegen hem zei: De HEERE geeft u niet de naam Pashur, maar Magor-Missabib.20:3 Magor-Missabib betekent: angst van rondom; zie ook vers 10.

4Want zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga u tot een bron van angst voor uzelf maken en voor allen die u liefhebben. Zij zullen vallen door het zwaard van hun vijanden, en uw ogen zullen dat zien. Heel Juda geef Ik in de hand van de koning van Babel, en hij zal hen in ballingschap voeren naar Babel en hen met het zwaard doden.

5Heel de rijkdom van deze stad, al haar arbeid, al haar kostbaarheden zal Ik geven, en alle schatten van de koningen van Juda, Ik zal ze geven in de hand van hun vijanden. Die zullen ze

20:5
Jer. 15:13
17:3
roven, ze meenemen en ze naar Babel brengen.

6En u, Pashur, en alle inwoners van uw huis, u zult in gevangenschap gaan. U zult in Babel komen, en daar zult u sterven en daar begraven worden, u en al uw vrienden, tegen wie u leugen hebt geprofeteerd.

Strijd en aanvechting

7U hebt mij overgehaald, HEERE, en ik heb mij laten overhalen.

U bent mij te sterk geworden en U hebt overwonnen.

Maar ik ben de hele dag belachelijk geworden,

ieder van hen bespot mij.

8Want zo dikwijls als ik spreek, schreeuw ik het uit,

roep ik: Geweld en verwoesting!

Want het woord van de HEERE is mij

20:8
Jes. 57:4
tot smaad en tot schimp, de hele dag.

9Zei ik: Ik zal niet aan Hem denken,

ik zal niet meer spreken in Zijn Naam,

dan werd het in mijn hart als brandend vuur,

opgesloten in mijn beenderen.

Wel deed ik moeite om het in te houden,

maar ik kon het niet.

10Want ik heb het kwaad gerucht van velen gehoord:

Magor-Missabib!

Maak het ons bekend, dan zullen wij het bekendmaken.

Alle stervelingen met wie ik vrede had,

loeren op een struikeling van mij:

Misschien laat hij zich door anderen overhalen, dan kunnen we hem overwinnen,

en kunnen we onze wraak op hem nemen.

11De HEERE

20:11
Jer. 1:8,19
15:20
is echter met mij als een machtige Held,

20:11
Jer. 17:18
daarom zullen mijn vervolgers struikelen, ze zijn tot niets in staat.

Zij zullen zeer beschaamd worden, want zij zullen niet verstandig handelen.

Het zal

20:11
Jer. 23:40
een eeuwige smaad zijn, die niet vergeten zal worden.

12HEERE van de legermachten, Die de rechtvaardige

20:12
Jer. 11:20
12:3
beproeft,

Die de nieren en het hart ziet,

laat mij Uw

20:12
Jer. 11:20
15:15
18:19
wraak op hen zien,

want ik heb mijn rechtszaak aan U bekendgemaakt.

13Zing voor de HEERE,

prijs de HEERE,

want Hij heeft de ziel van de arme gered

uit de hand van de kwaaddoeners.

14

20:14
Jer. 15:10
Vervloekt is de dag

waarop ik geboren ben.

De dag waarop mijn moeder mij gebaard heeft,

laat die niet gezegend zijn.

15

20:15
Job 3:3
Vervloekt is de man

die mijn vader de boodschap bracht:

U hebt een kind gekregen, een jongetje,

en hem zeer blij maakte.

16Ja, laat die man zijn als de steden

die de HEERE

20:16
Gen. 19
ondersteboven heeft gekeerd terwijl het Hem niet berouwde.

Laat hij in de morgen hulpgeroep horen,

geschreeuw in het middaguur,

17omdat Hij mij niet al in de baarmoeder gedood heeft.

Dan was mijn moeder mijn graf geworden

en haar baarmoeder eeuwig zwanger geweest.

18

20:18
Job 3:20
Waarom toch ben ik uit de baarmoeder naar buiten gekomen,

om moeite en verdriet te zien

en opdat mijn dagen zouden eindigen in schande?

21

De verwerping van Zedekia

211Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia, toen koning Zedekia Pashur, de zoon van Malchia, en de priester Zefanja, de zoon van Maäseja, naar hem toe gestuurd had om te zeggen:

2Raadpleeg toch de HEERE voor ons, want Nebukadrezar, de koning van Babel, strijdt tegen ons. Misschien zal de HEERE met ons doen overeenkomstig al Zijn wonderen, zodat hij van ons wegtrekt.

3Toen zei Jeremia tegen hen: Dit moet u tegen Zedekia zeggen:

4Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zie, Ik ga de wapenrusting omdraaien die in uw hand is, waarmee u tegen hen strijdt, tegen de koning van Babel en tegen de Chaldeeën, die u buiten de muur belegeren, en Ik zal hen verzamelen midden in deze stad.

5Ík zal tegen u strijden met een uitgestrekte hand en met een sterke arm, ja, met toorn, met grimmigheid en met grote verbolgenheid.

6Ik zal de inwoners van deze stad treffen, zowel mens als dier: door een grote pestziekte zullen zij sterven.

7Daarna, spreekt de HEERE, zal Ik Zedekia, de koning van Juda, zijn dienaren, het volk, en hen die in deze stad overgebleven zijn van de pest, het zwaard en de honger, in de hand geven van Nebukadrezar, de koning van Babel, in de hand van hun vijanden en in de hand van hen die hen naar het leven staan. Hij zal hen slaan met de scherpte van het zwaard: Hij zal hen niet sparen, geen medelijden hebben, en zich over hen niet ontfermen.

8En tegen dit volk moet u zeggen: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik houd u de weg naar het leven en de weg naar de dood voor.

9Wie in deze stad

21:9
Jer. 38:2
blijft, zal sterven door het zwaard, door de honger of door de pest. Maar wie vertrekt en overloopt naar de Chaldeeën, die u belegeren, die zal in leven blijven en zijn leven zal hem tot buit zijn.

10Want Ik heb Mijn aangezicht tegen deze stad gericht ten kwade en niet ten goede, spreekt de HEERE. Zij zal overgegeven worden in de hand van de koning van Babel, en hij zal haar met vuur verbranden.

11Over het koningshuis van Juda.

Hoor het woord van de HEERE,

12huis van David. Zo zegt de HEERE:

21:12
Jer. 22:3
Verschaf 's morgens recht,

en red wie beroofd is uit de hand van wie onderdrukt,

anders laait Mijn grimmigheid op als een vuur

en brandt die zo, dat niemand blussen kan,

vanwege uw slechte daden.

13Zie, Ik zál u, u die zetelt in het dal,

rots in de vlakte, spreekt de HEERE,

u die zegt: Wie zal naar ons afdalen

of wie zal onze schuilplaatsen binnenkomen?

14Ik zal u overeenkomstig de vrucht van uw daden straffen, spreekt de HEERE,

Ik zal een

21:14
Jer. 17:27
vuur aansteken in zijn woud;

dat alles rondom zich zal verteren.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]