Herziene Statenvertaling (HSV)
42

De Knecht van de HEERE

421Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun,

Mijn Uitverkorene, in Wie Mijn ziel

42:1
Matt. 3:17
17:5
Efez. 1:6
een welbehagen heeft;

42:1
Jes. 11:2
Joh. 3:34
Ik heb Mijn Geest op Hem gelegd.

Hij zal tot de heidenvolken het recht doen uitgaan.

2Hij zal niet schreeuwen, Hij zal Zijn stem niet verheffen,

Hij zal Zijn stem op straat niet laten horen.

3Het geknakte riet zal Hij niet verbreken,

de uitdovende vlaspit zal Hij niet uitblussen;

naar waarheid zal Hij het recht doen uitgaan.

4Hij zal niet uitdoven,

Hij zal niet geknakt worden,

totdat Hij het recht op aarde zal hebben gevestigd.

De kustlanden zullen uitzien naar Zijn onderricht.

5Zo zegt God, de HEERE,

Die de hemel heeft geschapen en hem heeft uitgespannen,

Die de aarde heeft uitgespreid en wat daarop uitspruit,

Die de adem geeft aan het volk dat daarop is,

en de geest aan hen die daarop wandelen:

6Ík, de HEERE, heb U geroepen in gerechtigheid,

Ik zal U bij Uw hand grijpen,

Ik zal U beschermen en Ik zal U stellen

tot een verbond voor het volk, tot een licht voor de heidenvolken,

7om blinde ogen te openen,

om gevangenen uit de kerker te leiden,

uit de gevangenis wie in duisternis zitten.

8Ik ben de HEERE – dat is Mijn Naam;

42:8
Jes. 48:11
Mijn eer zal Ik aan geen ander geven,

evenmin Mijn lof aan de afgodsbeelden.

9De voorgaande dingen – zie, ze zijn gekomen!

Nieuwe dingen verkondig Ik;

voordat ze ontkiemen,

doe Ik ze u horen.

10

42:10
Ps. 33:3
Zing voor de HEERE een nieuw lied,

Zijn lof vanaf het einde der aarde,

u die de zee en al wat daarin is, bevaart,

u, eilanden en wie daarop wonen.

11Laten de woestijn en zijn steden hun stem verheffen,

de dorpen waar Kedar woont.

Laten zij die in de rotsen wonen, juichen,

het vanaf de bergtoppen uitjubelen.

12Laten zij de HEERE eer geven,

en Zijn lof op de eilanden verkondigen.

13De HEERE zal uittrekken als een held.

Hij zal de strijdlust opwekken als een strijdbare man,

Hij zal juichen, ja, Hij zal het uitschreeuwen,

Hij zal Zijn vijanden overweldigen.

14Ik heb van oude tijden af gezwegen,

Ik heb Mij stilgehouden, Mij bedwongen.

Als een barende vrouw zal Ik het uitschreeuwen.

Ik zal verwoesten, ja, Ik zal tegelijk verslinden.

15Ik zal bergen en heuvels woest maken

en al hun gras zal Ik doen verdorren.

Ik zal van rivieren eilanden maken

en waterpoelen doen opdrogen.

16En Ik zal blinden leiden langs een weg die zij niet gekend hebben,

Ik zal hen doen gaan op paden die zij niet gekend hebben.

Ik zal vóór hen de duisternis veranderen in licht

en

42:16
Jes. 40:3,4
wat krom is in wat recht is.

Deze dingen zal Ik voor hen doen,

Ik zal hen niet verlaten.

17Maar wie op gesneden beelden vertrouwen,

wie tegen gegoten beelden zeggen:

U bent onze goden,

42:17
Ps. 97:7
Jes. 1:29
44:11
45:16
die zullen terugwijken en diep beschaamd worden.42:17 diep beschaamd worden - Letterlijk: met schaamte beschaamd worden.

18Doven, hoor!

Blinden, kijk en zie!

19Wie is er zo blind als Mijn dienaar,

doof zoals Mijn bode die Ik zend?

Wie is blind zoals de volmaakte,

blind zoals de knecht van de HEERE?

20U ziet wel veel dingen, maar

42:20
Rom. 2:2
u let er niet op.

Hij doet zijn oren wel open, toch luistert hij niet.

21De HEERE was hem genegen omwille van Zijn gerechtigheid,

Hij maakte hem groot door de wet, en luisterrijk.

22Dit is echter een beroofd en uitgeplunderd volk;

vastgebonden in holen zitten zij allen,

opgesloten in gevangenissen.

Zij zijn een prooi geworden, en niemand redt;

een buit geworden, en niemand zegt: Geef terug!

23Wie onder u neemt dit ter ore?

Wie slaat er acht op en hoort wat hierna zal zijn?

24Wie heeft Jakob tot buit gegeven

en Israël overgeleverd aan rovers?

Is het niet de HEERE, Hij tegen Wie wij gezondigd hebben?

Want zij wilden in Zijn wegen niet gaan

en zij luisterden niet naar Zijn wet.

25Daarom heeft Hij over hem uitgestort Zijn grimmige toorn

en het geweld van de oorlog.

Dit heeft hem rondom in vlam gezet, maar hij merkt het niet op;

het heeft hem in brand gestoken, maar hij neemt het niet ter harte.

43

Israël kostbaar in het oog van God

431Maar nu, zo zegt de HEERE,

uw Schepper, Jakob, uw Formeerder, Israël:

Wees niet bevreesd, want Ik heb u verlost,

Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij.

2Wanneer u zult gaan

43:2
Ps. 66:12
door het water, Ik zal bij u zijn,

door rivieren, zij zullen u niet overspoelen.

Wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden,

geen vlam zal u aansteken.

3Want Ik ben de HEERE, uw God,

de Heilige van Israël, uw Heiland.

Ik heb Egypte als losgeld voor u gegeven,

Cusj en Seba in uw plaats.

4Sinds u kostbaar bent in Mijn ogen,

bent u verheerlijkt en heb Ík u liefgehad.

Daarom heb Ik mensen gegeven in uw plaats

en volken in plaats van uw ziel.

5

43:5
Jes. 44:2
Jer. 30:10
46:27
Wees niet bevreesd, want Ik ben met u.

Vanwaar de zon opkomt, zal Ik uw nageslacht halen

en vanwaar zij ondergaat zal Ik u bijeenbrengen.

6Ik zal zeggen tegen het noorden: Geef!

En tegen het zuiden: Weerhoud niet!

Breng Mijn zonen van ver,

en Mijn dochters van het einde der aarde.

7Ieder die genoemd is naar Mijn Naam,

die heb Ik tot Mijn eer geschapen, die heb Ik geformeerd, ja, die heb Ik gemaakt.

Israël is getuige van God

8Laat het volk dat blind is, al heeft het ogen,

en de doven, al hebben zij oren, uittrekken.

9Laten alle heidenvolken samenkomen

en de volken zich verzamelen.

Wie onder hen kan dit verkondigen?

Of laten zij ons de dingen van vroeger doen horen.

Laten zij hun getuigen naar voren brengen, opdat zij in het gelijk gesteld worden,

en men zal horen en zeggen: Het is de waarheid!

10U bent Mijn getuigen, spreekt de HEERE,

en Mijn dienaar die Ik verkozen heb,

opdat u het weet en Mij gelooft,

en begrijpt dat Ik Dezelfde ben:

43:10
Jes. 41:4
44:8
45:21
Hos. 13:4
vóór Mij is er geen God geformeerd

en na Mij zal er geen zijn.

11Ik, Ik ben de HEERE,

buiten Mij is er geen Heiland.

12Ík heb verkondigd en Ik heb verlost, en Ik heb het doen horen,

en er was geen vreemde god onder u.

U bent Mijn getuigen, spreekt de HEERE,

dat Ik God ben.

13Ook voor de dag43:13 Ook voor de dag - Letterlijk: Ook vanaf de dag. er was, ben Ik,

en er is niemand die uit Mijn hand kan redden.

Ik zal werken, en

43:13
Jes. 14:27
wie zal het keren?

14Zo zegt de HEERE,

uw Verlosser, de Heilige van Israël:

Ter wille van u heb Ik iemand naar Babel gezonden

en Ik heb hen allen vluchtend doen afdalen,

namelijk de Chaldeeën, in de schepen waarover zij voorheen juichten.

15Ik ben de HEERE, uw Heilige,

de Schepper van Israël, uw Koning.

16Zo zegt de HEERE,

Die een weg maakte in de zee

en een pad in machtige wateren,

17Die strijdwagens en paarden deed uitrukken,

leger en macht,

zij liggen tezamen neer, zij zullen niet meer opstaan,

uitgedoofd zijn zij, uitgeblust als een vlaspit.

18Denk niet aan de dingen van vroeger,

let niet op de dingen van het verleden.

19Zie, Ik maak

43:19
Openb. 21:5
iets nieuws.

Nu zal het ontkiemen. Zult u dat niet weten?

Ja, Ik zal een weg aanleggen in de woestijn,

rivieren in de wildernis.

20De dieren van het veld zullen Mij eren –

jakhalzen en struisvogels –

want Ik zal water geven in de woestijn,

in de wildernis rivieren,

om Mijn volk, Mijn uitverkorene, te drinken te geven.

21

43:21
Luk. 1:74,75
Dit volk heb Ik Mij geformeerd.

Zij zullen Mijn lof vertellen.

22U hebt Mij echter niet aangeroepen, Jakob,

maar u hebt zich tegen Mij vermoeid, Israël.

23U hebt Mij niet uw brandoffers gebracht van kleinvee

en met uw slachtoffers hebt u Mij niet geëerd.

Ik heb u Mij niet laten dienen met het graanoffer,

en Ik heb u niet vermoeid met wierook.

24U hebt voor Mij met geld geen kalmoes gekocht,

en met het vet van uw slachtoffers hebt u Mij niet verzadigd.

Integendeel, u bent Mij tot last geweest met uw zonden,

u hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden.

25Ik, Ik ben het Die uw overtredingen uitdelgt

43:25
Ezech. 36:22
omwille van Mijzelf,

en aan uw zonden denk Ik niet.

26Breng het Mij in herinnering,

43:26
Jes. 1:18
laten wij samen een rechtszaak voeren;

vertelt u maar, opdat u in het gelijk gesteld wordt.

27Uw eerste vader heeft gezondigd,

en uw uitleggers van de wet zijn tegen Mij in opstand gekomen.

28Daarom zal Ik de leiders van het heiligdom ontheiligen,

Jakob prijsgeven aan de ban

en Israël aan beschimpingen.

44

Water op de dorstige

441Maar nu, luister, Jakob,

44:1
Jes. 41:8
43:5
Jer. 30:10
46:27
Mijn dienaar,

Israël, die Ik verkozen heb!

2Zo zegt de HEERE, uw Maker

en uw Formeerder van de moederschoot af, Die u helpt:

Wees niet bevreesd, Mijn dienaar Jakob,

Jesjurun, die Ik verkozen heb.

3Want Ik

44:3
Jes. 35:7
Joël 2:28
Joh. 7:38
Hand. 2:18
zal water gieten op het dorstige

en stromen op het droge.

Ik zal Mijn Geest op uw nageslacht gieten

en Mijn zegen op uw nakomelingen.

4Zij zullen opkomen tussen het gras,

als wilgen aan de waterstromen.

5De een zal zeggen: Ik ben van de HEERE,

een ander zal zich noemen met de naam Jakob,

weer een ander zal met zijn hand schrijven: Van de HEERE,

en de erenaam Israël aannemen.

God is waarachtig, afgoden zijn niets

6Zo zegt de HEERE, de Koning van Israël,

zijn Verlosser, de HEERE van de legermachten:

44:6
Jes. 41:4
48:12
Openb. 1:8,17
22:13
Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste,

en buiten Mij is er geen God.

7En wie kan, zoals Ik, roepen,

het bekendmaken en het voor Mij uiteenzetten,

sinds Ik een eeuwig volk een plaats gegeven heb?

En laten zij de toekomstige dingen, dat wat komen zal, hun bekendmaken.

8Wees niet angstig en wees niet bevreesd.

Heb Ik het u van toen af niet doen horen en bekendgemaakt?

Want u bent Mijn getuigen: is er ook een God buiten Mij?

44:8
Deut. 4:35,39
32:39
1 Sam. 2:2
Jes. 45:21
Er ís geen andere rots, Ik ken er geen.

9De makers van beelden, allen zijn zij leegheid,

hun geliefde voorwerpen doen geen nut.

Ja, zijzelf zijn hun getuigen: zij zien niet

en zij weten niet. Daarom zullen zij beschaamd worden.

10Wie maakt er nu een god en giet een beeld

dat geen nut doet?

11Zie, al hun metgezellen

44:11
Ps. 97:7
Jes. 1:29
42:17
45:16
zullen beschaamd worden,

want vaklieden zijn slechts mensen.

Laten zij bijeenkomen, laten zij allen opstaan;

zij zullen angstig zijn, samen zullen zij beschaamd worden.

12

44:12
Jer. 10:3
De ijzersmid smeedt een bijl,

werkt in de vuurgloed,

vormt het beeld met hamers,

bewerkt het met zijn sterke arm;

hij lijdt zelfs honger en heeft geen kracht meer,

hij drinkt geen water en raakt afgemat.

13De timmerman spant een meetlint uit,

tekent het hout af met een krijtstift,

maakt het glad met schaven,

tekent het af met een passer

en maakt het naar de vorm van een man,

naar de schoonheid van een mens, om het in een huis te laten wonen.

14Hij hakt voor zichzelf ceders om,

neemt een cipres of een eik,

en kweekt die voor zichzelf op tussen de bomen van het woud;

hij plant een olm en de regen maakt die groot.

15Ze dienen de mens tot brandhout,44:15 Ze … brandhout - Letterlijk: Het is voor de mens om te verbranden.

hij neemt ervan en warmt zich erbij,

hij steekt het ook aan en bakt brood.

Ook maakt hij er een god van en buigt zich ervoor,

hij maakt er een gesneden beeld van en knielt ervoor neer.

16De helft ervan verbrandt hij in het vuur.

Bij die helft eet hij vlees,

braadt een braadstuk en wordt verzadigd.

Ook warmt hij zich en zegt: Ha,

ik word warm, ik zie vuur!

17Van de rest ervan maakt hij een god, zijn gesneden beeld.

Hij knielt ervoor neer, buigt zich,

bidt het aan en zegt:

Red mij, want u bent mijn god.

18Zij weten niet en begrijpen niet,

want hun ogen zijn dichtgesmeerd, zodat zij niet zien,

en hun harten, zodat zij niet begrijpen.

19Niemand neemt het ter harte,

er is geen kennis en geen inzicht om te zeggen:

De helft ervan heb ik verbrand in het vuur,

ook heb ik brood gebakken op de houtskool ervan,

ik heb vlees gebraden en gegeten –

en zou ik van het overgebleven hout iets gruwelijks maken,

zou ik knielen voor een stuk hout?

20Hij voedt zich met as, het bedrogen hart heeft hem op een dwaalspoor gebracht,

zodat hij zijn ziel niet redden kan en niet kan zeggen:

Is er geen bedrog in mijn rechterhand?

21Denk aan deze dingen, Jakob,

Israël, want u bent Mijn dienaar.

Ik heb u geformeerd, u bent Mijn dienaar,

Israël, u zult door Mij niet vergeten worden.

22Ik delg uw overtredingen uit als een nevel,

en uw zonden als een wolk.

Keer tot Mij terug, want Ik heb u verlost.

23Zing vrolijk, hemel, want de HEERE heeft het gedaan!

Juich, diepten van de aarde!

Breek uit, bergen, in gejuich,

bossen en elke boom daarin!

Want de HEERE heeft Jakob verlost

en Zich verheerlijkt in Israël.

24Zo zegt de HEERE, uw Verlosser,

Uw Formeerder van de moederschoot af:

Ik ben de HEERE, Die alles doet:

44:24
Job 9:8
Ps. 104:2
Die de hemel uitspant, Ik alleen,

44:24
Jes. 40:22
42:5
45:12
Die de aarde uitspreidt door Mijzelf;

25Die de tekenen van hen die leugens verzinnen verbreekt,

Die de waarzeggers waanzinnig maakt;

Die de wijzen doet terugdeinzen,

Die hun kennis tot dwaasheid maakt;

26Die het woord van Zijn knecht gestand doet,

en de raad van Zijn boden volbrengt;

Die tegen Jeruzalem zegt: U zult bewoond worden,

en tegen de steden van Juda: U zult herbouwd worden,

en: Ik doe hun puinhopen herrijzen;

27Die tegen de diepte zegt: Word droog,

uw rivieren zal Ik doen opdrogen;

28Die over Kores zegt: Hij is Mijn herder,

en hij zal al Mijn welbehagen volbrengen,

door tegen Jeruzalem te zeggen: Word gebouwd,

en tegen de tempel: Word gegrondvest.