Herziene Statenvertaling (HSV)
1

Christus de Zoon van God

11Nadat God voorheen vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon,

2Die Hij

1:2
Matt. 21:38
Erfgenaam gemaakt heeft van alles,
1:2
Gen. 1:3
Ps. 33:6
Joh. 1:3
Efez. 3:9
Kol. 1:16
door Wie Hij ook de wereld gemaakt heeft.

3

1:3
2 Kor. 4:4
Filipp. 2:6
Kol. 1:15
Hij, Die de afstraling van Gods heerlijkheid is en de afdruk van Zijn zelfstandigheid, Die alle dingen draagt door Zijn krachtig woord, heeft, nadat Hij de reiniging van onze zonden door Zichzelf tot stand had gebracht, Zich gezet aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen.

4Hij is zoveel meer geworden dan de engelen als de Naam die Hij als erfdeel ontvangen heeft,

1:4
Filipp. 2:9
voortreffelijker is dan die van hen.

5Want tegen wie van de engelen heeft God ooit gezegd:

1:5
Ps. 2:7
Hand. 13:33
Hebr. 5:5
U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U verwekt? En verder:
1:5
2 Sam. 7:14
1 Kron. 22:10
Ik zal voor Hem tot een Vader zijn, en Hij zal voor Mij tot een Zoon zijn?

6En wanneer Hij vervolgens de Eerstgeborene in de wereld brengt, zegt Hij:

1:6
Ps. 97:7
En laten alle engelen van God Hem aanbidden.

7En van de engelen zegt Hij weliswaar:

1:7
Ps. 104:4
Die Zijn engelen maakt tot geesten en Zijn dienaren tot een vuurvlam,

8maar tegen de Zoon zegt Hij:

1:8
Ps. 45:7
Uw troon, o God, bestaat in alle eeuwigheid. De scepter van Uw koninkrijk is een scepter van het recht.

9U hebt gerechtigheid lief en haat ongerechtigheid. Daarom heeft Uw God U gezalfd, o God, met vreugdeolie, boven Uw metgezellen.

10En:

1:10
Ps. 102:26
In het begin hebt U, Heere, de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn de werken van Uw handen.

11

1:11
Jes. 51:6
2 Petr. 3:7,10
Die zullen vergaan, maar U blijft altijd. En ze zullen alle verslijten als een gewaad,

12en als een mantel zult U ze oprollen en ze zullen verwisseld worden; maar U bent Dezelfde en Uw jaren zullen niet ophouden.

13En tegen wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd:

1:13
Ps. 110:1
Hand. 2:34
1 Kor. 15:25
Efez. 1:20
Hebr. 10:12
Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd heb als een voetbank voor Uw voeten?

14Zijn zij niet allen dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen die de zaligheid zullen beërven?

2

Acht slaan op de grote zaligheid

21Daarom moeten wij ons te meer houden aan wat door ons gehoord is, opdat wij niet op enig moment afdrijven.

2Want als

2:2
Hand. 7:53
Gal. 3:19
het woord dat door engelen gesproken werd, al bindend was en
2:2
Gen. 19:17,26
Deut. 27:26
elke overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontving,

3

2:3
Hebr. 12:25
hoe zullen wij dan ontvluchten, als wij zo'n grote zaligheid veronachtzamen,
2:3
Matt. 4:17
Mark. 1:14
die in het begin door de Heere is verkondigd, en die aan ons is bevestigd door hen die Hem gehoord hebben.

4

2:4
Mark. 16:20
Hand. 14:3
19:11
God heeft er bovendien mede getuigenis aan gegeven door tekenen, wonderen en allerlei krachten, en gaven2:4 gaven - Letterlijk: uitdelingen. van de Heilige Geest, overeenkomstig Zijn wil.

Wij zien Jezus

5Want Hij heeft de komende wereld, waarover wij spreken, niet onderworpen aan de engelen,

6maar iemand heeft ergens getuigd:

2:6
Ps. 8:5
Wat is de mens, dat U aan hem denkt, of de mensenzoon, dat U naar hem omziet?

7U hebt hem voor korte tijd minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt U hem gekroond. U hebt hem gesteld over de werken van Uw handen;

8

2:8
Ps. 8:7
Matt. 28:18
1 Kor. 15:27
Efez. 1:22
alle dingen hebt U onder zijn voeten onderworpen. Want bij het onderwerpen van alle dingen aan Hem heeft Hij niets uitgezonderd wat Hem niet onderworpen is. Nu zien wij echter nog niet dat Hem alle dingen onderworpen zijn,

9maar wij zien Jezus

2:9
Hand. 2:33
met heerlijkheid en eer gekroond,
2:9
Filipp. 2:7,8
Die voor korte tijd minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden van de dood, opdat Hij door de genade van God voor allen de dood zou proeven.

10Want het paste Hem, om Wie alle dingen zijn en door Wie alle dingen zijn, dat Hij, om veel kinderen tot heerlijkheid te brengen, de Leidsman van hun zaligheid door lijden zou heiligen.

11Immers, zowel Hij Die heiligt als zij die geheiligd worden,

2:11
Hand. 17:26
zijn allen uit één. Daarom schaamt Hij Zich er niet voor hen broeders te noemen,

12want Hij zegt:

2:12
Ps. 22:23
Ik zal Uw Naam aan Mijn broeders verkondigen; te midden van de gemeente zal Ik U lofzingen.

13En verder:

2:13
Jes. 8:17
Ik zal Mijn vertrouwen op Hem stellen. En vervolgens:
2:13
Jes. 8:18
Zie, Ik en de kinderen die God Mij gegeven heeft.

14Omdat nu die kinderen van vlees en bloed zijn,

2:14
Joh. 1:14
Filipp. 2:7
heeft Hij eveneens daaraan deel gehad
2:14
Jes. 25:8
Hos. 13:14
1 Kor. 15:54
2 Tim. 1:10
om door de dood hem die de macht over de dood had – dat is de duivel – teniet te doen,

15en allen te verlossen die door angst voor de dood gedurende heel hun leven

2:15
Rom. 8:15
aan slavernij onderworpen waren.

16Want werkelijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het nageslacht van Abraham aan.

17

2:17
Filipp. 2:7
Hebr. 4:15
Daarom moest Hij in alles aan Zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn in de dingen die God betreffen, om de zonden van het volk te verzoenen.

18

2:18
Hebr. 4:15,16
Want waarin Hij Zelf geleden heeft, toen Hij verzocht werd, kan Hij hen die verzocht worden, te hulp komen.