Herziene Statenvertaling (HSV)
3

De zondeval

31De slang nu was de listigste onder alle dieren van het veld, die de HEERE God gemaakt had; en hij zei tegen de vrouw: Is het echt zo dat God gezegd heeft: U mag niet eten van alle bomen in de hof?

2En de vrouw zei tegen de slang: Van de vrucht van de bomen in de hof mogen wij eten,

3maar van de vrucht van de boom die in het midden van de hof staat, heeft God gezegd: U mag daarvan niet eten en hem niet aanraken, anders sterft u.

4Toen zei de slang

3:4
2 Kor. 11:3
tegen de vrouw: U zult zeker niet sterven.

5Maar

3:5
Joh. 8:44
God weet dat, op de dag dat u daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden en dat u als God zult zijn, goed en kwaad kennend.

6En de vrouw zag dat die boom goed was om ervan te eten en dat hij een lust was voor het oog, ja, een boom die begerenswaardig was om er verstandig door te worden; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook wat aan haar man, die bij haar was,

3:6
Rom. 5:12,14,151 Tim. 2:14
en hij at ervan.

7Toen werden de ogen van beiden geopend en zij merkten dat zij

3:7
Gen. 2:25
naakt waren. Zij vlochten vijgenbladeren samen en maakten voor zichzelf schorten.

8En zij hoorden de stem van de HEERE God, Die in de hof wandelde, bij de wind in de namiddag.3:8 de wind in de namiddag - Letterlijk: de wind van de dag. Toen verborgen Adam en zijn vrouw zich voor het aangezicht van de HEERE God te midden van de bomen in de hof.

9En de HEERE God riep Adam en zei tegen hem: Waar bent u?

10En hij zei: Ik hoorde Uw stem in de hof en ik werd bevreesd, want ik ben naakt; daarom verborg ik mij.

11En Hij zei: Wie heeft u verteld dat u naakt bent? Hebt u van die boom gegeten waarvan Ik u geboden had daar niet van te eten?

12Toen zei Adam: De vrouw die U gaf om bij mij te zijn, die heeft mij van die boom gegeven en ik heb ervan gegeten.

13En de HEERE God zei tegen de vrouw: Wat hebt u daar gedaan! En de vrouw zei:

3:13
Openb. 12:13
De slang heeft mij bedrogen en ik heb ervan gegeten.

14Toen zei de HEERE God tegen de slang:

Omdat u dit gedaan hebt, bent u vervloekt

onder al het vee en onder alle dieren van het veld!

Op uw buik zult u gaan en stof zult u eten, al de dagen van uw leven.

15En Ik zal

3:15
Matt. 4:1
vijandschap teweegbrengen tussen u en de vrouw,

en tussen uw nageslacht en haar Nageslacht;

3:15
Kol. 2:15
Dat zal u de kop vermorzelen,

en u zult Het de hiel vermorzelen.

16Tegen de vrouw zei Hij:

Ik zal uw moeite in uw zwangerschap3:16 uw moeite in uw zwangerschap - Letterlijk: uw zwoegen en uw zwangerschap. zeer groot maken;

met pijn zult u kinderen baren.

Naar uw man zal uw begeerte uitgaan,

3:16
1 Kor. 14:34
1 Tim. 2:11,12
Tit. 2:5
1 Petr. 3:6
maar hij zal over u heersen.

17En tegen Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw en van die boom gegeten hebt waarvan Ik u geboden had: U mag daarvan niet eten,

is de aardbodem omwille van u vervloekt;

met zwoegen zult u daarvan eten,

al de dagen van uw leven;

18dorens en distels zal hij voor u laten opkomen

en u zult het gewas van het veld eten.

19In het zweet van uw gezicht zult u brood eten,

totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent;

want stof bent u

en u zult tot stof terugkeren.

20En Adam gaf zijn vrouw de naam Eva,3:20 Eva betekent: leven. omdat zij moeder van alle levenden is.

21En de HEERE God maakte voor Adam en voor zijn vrouw kleren van huiden en kleedde hen daarmee.

22Toen zei de HEERE God: Zie, de mens is geworden als één van Ons, omdat hij goed en kwaad kent. Nu dan, laat hij zijn hand niet uitsteken en ook van de boom des levens nemen en eten, zodat hij eeuwig zou leven!

23Daarom zond de HEERE God hem weg uit de hof van Eden, om de aardbodem te bewerken, waaruit hij genomen was.

24Hij verdreef de mens, en plaatste ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een vlammend zwaard, dat heen en weer bewoog,3:24 een vlammend zwaard, dat heen en weer bewoog - Letterlijk: en de vlam van het wentelende zwaard. om de weg naar de boom des levens te bewaken.

4

Kaïn en Abel

41En Adam had gemeenschap met Eva,4:1 had gemeenschap met Eva - Letterlijk: hij kende Eva; zie ook de verzen 17 en 25. zijn vrouw, en zij werd zwanger en baarde Kaïn,4:1 Kaïn betekent: gekregen. en zei: Ik heb een man van de HEERE gekregen!

2En zij baarde opnieuw: zijn broer Abel. Abel werd herder van kleinvee en Kaïn werd bewerker van de aardbodem.

3En het gebeurde na verloop van dagen dat Kaïn van de opbrengst van de aardbodem aan de HEERE een offer bracht.

4Ook Abel bracht een offer, van de eerstgeborenen van zijn kleinvee en van hun vet.

4:4
Hebr. 11:4
De HEERE nu sloeg acht op Abel en op zijn offer,

5maar op Kaïn en op zijn offer sloeg Hij geen acht. Toen ontstak Kaïn in grote woede en liet hij zijn hoofd4:5 Letterlijk: gezicht, zie ook vers 6. zakken.

6En de HEERE zei tegen Kaïn: Waarom bent u in woede ontstoken en waarom heeft u uw hoofd laten zakken?

7Is het niet zo dat u, als u het goede doet, uw hoofd kunt opheffen? Maar als u niet het goede doet, ligt de zonde aan de deur. Naar u gaat zijn begeerte uit, maar ú moet over hem heersen.

8En Kaïn sprak met zijn broer Abel. En het gebeurde, toen zij op het veld waren, dat Kaïn zijn broer Abel aanviel

4:8
Matt. 23:35
1 Joh. 3:12
en hem doodde.

9En de HEERE zei tegen Kaïn: Waar is Abel, uw broer? En hij zei: Ik weet het niet; ben ik de hoeder van mijn broer?

10En Hij zei: Wat hebt u gedaan!

4:10
Hebr. 12:24
Er is een stem van het bloed van uw broer, dat van de aardbodem tot Mij roept.

11Nu dan, u bent vervloekt, weg van de aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan om het bloed van uw broer uit uw hand op te nemen.

12Als u de aardbodem bewerkt, zal die u zijn volle opbrengst niet meer geven;

4:12
Spr. 28:17
u zult dolend en dwalend over de aarde gaan.

13En Kaïn zei tegen de HEERE: Mijn misdaad is te groot om vergeven te worden.4:13 Mijn misdaad … te worden - Of: mijn schuld is te groot om te dragen.

14Zie, U verdrijft mij heden van het aangezicht van de aardbodem en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn en dolend en dwalend over de aarde gaan;

4:14
Job 15:20,21
en het zal zo zijn dat al wie mij tegenkomt, mij zal doden.

15Maar de HEERE zei tegen hem: Daarom zal al wie Kaïn doodt zevenvoudig gewroken worden! En de HEERE merkte Kaïn met een teken, zodat niemand die hem tegenkwam, hem zou doden.

16Toen ging Kaïn weg van het aangezicht van de HEERE; en hij woonde in het land Nod,4:16 Nod betekent: dwalen. ten oosten van Eden.

Nageslacht van Kaïn

17En Kaïn had gemeenschap met zijn vrouw, en zij werd zwanger en baarde Henoch. Kaïn was een stad aan het bouwen, en hij noemde de naam van die stad naar de naam van zijn zoon, Henoch.

18En bij Henoch werd Hirad geboren; en Hirad verwekte Mechujaël; en Mechujaël verwekte Methusaël; en Methusaël verwekte Lamech.

19Lamech nam voor zichzelf twee vrouwen; de naam van de ene was Ada, en de naam van de andere Zilla.

20Ada baarde Jabal; die werd de vader van wie tenten bewonen en vee houden.

21En de naam van zijn broer was Jubal. Deze werd de vader van allen die harp en fluit kunnen bespelen.

22Ook Zilla baarde: Tubal Kaïn, een smid, vader van alle koper- en ijzerbewerkers; en de zuster van Tubal Kaïn was Naëma.

23En Lamech zei tegen zijn vrouwen:

Ada en Zilla, luister naar mijn stem,

vrouwen van Lamech, hoor mijn woorden aan:

Voorzeker! Ik doodde een man om mijn wond

en een jongen om mijn striem!

24Want Kaïn wordt

4:24
Vers
zevenvoudig gewroken,

maar Lamech zeventig maal zevenmaal.

Nageslacht van Seth

25En Adam had opnieuw gemeenschap met zijn vrouw en zij baarde een zoon, en zij gaf hem de naam Seth.4:25 Seth betekent: zetting. Want, zei ze, God heeft mij ander nageslacht gegeven4:25 gegeven - Letterlijk: gezet. in de plaats van Abel; Kaïn heeft hem immers gedood.

26En ook bij Seth werd een zoon geboren, en hij gaf hem de naam Enos. Toen begon men de Naam van de HEERE aan te roepen.

5

Geslachtsregister van Adam tot Noach

51Dit is het boek van de afstammelingen van Adam. Op de dag dat God Adam schiep, maakte Hij hem

5:1
Gen. 1:26
9:6
1 Kor. 11:7
naar de gelijkenis van God.

2

5:2
Gen. 1:26
Matt. 19:4
Mark. 10:6
Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen, en Hij zegende hen en gaf hun de naam mens, op de dag dat ze geschapen werden.

3Adam leefde honderddertig jaar, en verwekte een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn beeld; en hij gaf hem de naam Seth.

4Adams dagen waren,

5:4
1 Kron. 1:1
nadat hij Seth verwekt had, achthonderd jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

5Al de dagen dat Adam leefde, waren negenhonderddertig jaar; en hij stierf.

6Seth leefde honderdvijf jaar,

5:6
Gen. 4:26
en verwekte Enos.

7En Seth leefde, nadat hij Enos verwekt had, achthonderdzeven jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

8Al de dagen van Seth waren negenhonderdtwaalf jaar; en hij stierf.

9Enos leefde negentig jaar, en verwekte

5:9
1 Kron. 1:2
Kenan.

10En Enos leefde, nadat hij Kenan verwekt had, achthonderdvijftien jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

11Al de dagen van Enos waren negenhonderdvijf jaar; en hij stierf.

12Kenan leefde zeventig jaar, en verwekte Mahalaleël.

13En Kenan leefde, nadat hij Mahalaleël verwekt had, achthonderdveertig jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

14Al de dagen van Kenan waren negenhonderdtien jaar; en hij stierf.

15Mahalaleël leefde vijfenzestig jaar, en verwekte Jered.

16En Mahalaleël leefde, nadat hij Jered verwekt had, achthonderddertig jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

17Al de dagen van Mahalaleël waren achthonderdvijfennegentig jaar; en hij stierf.

18Jered leefde honderdtweeënzestig jaar, en verwekte

5:18
1 Kron. 1:3
Henoch.

19En Jered leefde, nadat hij Henoch verwekt had, achthonderd jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

20Al de dagen van Jered waren negenhonderdtweeënzestig jaar; en hij stierf.

21

5:21
Judas vs.
Henoch leefde vijfenzestig jaar, en verwekte Methusalach.

22En Henoch

5:22
Hebr. 11:5
wandelde met God, nadat hij Methusalach verwekt had, driehonderd jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

23Al de dagen van Henoch waren driehonderdvijfenzestig jaar.

24Henoch wandelde met God, en hij was niet meer,

5:24
2 Kon. 2:11
Hebr. 11:5
want God nam hem weg.

25Methusalach leefde honderdzevenentachtig jaar, en verwekte Lamech.

26En Methusalach leefde, nadat hij Lamech verwekt had, zevenhonderdtweeëntachtig jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

27Al de dagen van Methusalach waren negenhonderdnegenenzestig jaar; en hij stierf.

28Lamech leefde honderdtweeëntachtig jaar, en verwekte een zoon.

29En hij gaf hem de naam Noach,5:29 Noach - Er is een woordspel tussen de naam Noach ‘rust’ en het Hebreeuwse woord voor ‘troosten’. en zei: Deze zal ons troosten over ons werk en over het zwoegen van onze handen, vanwege de aardbodem, die door de HEERE vervloekt is.

30En Lamech leefde, nadat hij Noach verwekt had, vijfhonderdvijfennegentig jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

31Al de dagen van Lamech waren zevenhonderdzevenenzeventig jaar; en hij stierf.

32Toen Noach vijfhonderd jaar oud was, verwekte Noach Sem, Cham en Jafeth.