Herziene Statenvertaling (HSV)

De zondeval

31De slang nu was de listigste onder alle dieren van het veld, die de HEERE God gemaakt had; en hij zei tegen de vrouw: Is het echt zo dat God gezegd heeft: U mag niet eten van alle bomen in de hof?

2En de vrouw zei tegen de slang: Van de vrucht van de bomen in de hof mogen wij eten,

3maar van de vrucht van de boom die in het midden van de hof staat, heeft God gezegd: U mag daarvan niet eten en hem niet aanraken, anders sterft u.

4Toen zei de slang

3:4
2 Kor. 11:3
tegen de vrouw: U zult zeker niet sterven.

5Maar

3:5
Joh. 8:44
God weet dat, op de dag dat u daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden en dat u als God zult zijn, goed en kwaad kennend.

6En de vrouw zag dat die boom goed was om ervan te eten en dat hij een lust was voor het oog, ja, een boom die begerenswaardig was om er verstandig door te worden; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook wat aan haar man, die bij haar was,

3:6
Rom. 5:12,14,151 Tim. 2:14
en hij at ervan.

7Toen werden de ogen van beiden geopend en zij merkten dat zij

3:7
Gen. 2:25
naakt waren. Zij vlochten vijgenbladeren samen en maakten voor zichzelf schorten.

8En zij hoorden de stem van de HEERE God, Die in de hof wandelde, bij de wind in de namiddag.3:8 de wind in de namiddag - Letterlijk: de wind van de dag. Toen verborgen Adam en zijn vrouw zich voor het aangezicht van de HEERE God te midden van de bomen in de hof.

9En de HEERE God riep Adam en zei tegen hem: Waar bent u?

10En hij zei: Ik hoorde Uw stem in de hof en ik werd bevreesd, want ik ben naakt; daarom verborg ik mij.

11En Hij zei: Wie heeft u verteld dat u naakt bent? Hebt u van die boom gegeten waarvan Ik u geboden had daar niet van te eten?

12Toen zei Adam: De vrouw die U gaf om bij mij te zijn, die heeft mij van die boom gegeven en ik heb ervan gegeten.

13En de HEERE God zei tegen de vrouw: Wat hebt u daar gedaan! En de vrouw zei:

3:13
Openb. 12:13
De slang heeft mij bedrogen en ik heb ervan gegeten.

14Toen zei de HEERE God tegen de slang:

Omdat u dit gedaan hebt, bent u vervloekt

onder al het vee en onder alle dieren van het veld!

Op uw buik zult u gaan en stof zult u eten, al de dagen van uw leven.

15En Ik zal

3:15
Matt. 4:1
vijandschap teweegbrengen tussen u en de vrouw,

en tussen uw nageslacht en haar Nageslacht;

3:15
Kol. 2:15
Dat zal u de kop vermorzelen,

en u zult Het de hiel vermorzelen.

16Tegen de vrouw zei Hij:

Ik zal uw moeite in uw zwangerschap3:16 uw moeite in uw zwangerschap - Letterlijk: uw zwoegen en uw zwangerschap. zeer groot maken;

met pijn zult u kinderen baren.

Naar uw man zal uw begeerte uitgaan,

3:16
1 Kor. 14:34
1 Tim. 2:11,12
Tit. 2:5
1 Petr. 3:6
maar hij zal over u heersen.

17En tegen Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw en van die boom gegeten hebt waarvan Ik u geboden had: U mag daarvan niet eten,

is de aardbodem omwille van u vervloekt;

met zwoegen zult u daarvan eten,

al de dagen van uw leven;

18dorens en distels zal hij voor u laten opkomen

en u zult het gewas van het veld eten.

19In het zweet van uw gezicht zult u brood eten,

totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent;

want stof bent u

en u zult tot stof terugkeren.

20En Adam gaf zijn vrouw de naam Eva,3:20 Eva betekent: leven. omdat zij moeder van alle levenden is.

21En de HEERE God maakte voor Adam en voor zijn vrouw kleren van huiden en kleedde hen daarmee.

22Toen zei de HEERE God: Zie, de mens is geworden als één van Ons, omdat hij goed en kwaad kent. Nu dan, laat hij zijn hand niet uitsteken en ook van de boom des levens nemen en eten, zodat hij eeuwig zou leven!

23Daarom zond de HEERE God hem weg uit de hof van Eden, om de aardbodem te bewerken, waaruit hij genomen was.

24Hij verdreef de mens, en plaatste ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een vlammend zwaard, dat heen en weer bewoog,3:24 een vlammend zwaard, dat heen en weer bewoog - Letterlijk: en de vlam van het wentelende zwaard. om de weg naar de boom des levens te bewaken.