Herziene Statenvertaling (HSV)
1

De schepping

11

1:1
Job 38:4
Ps. 33:6
89:12
136:5
Hand. 14:15
17:24
Hebr. 11:3
In het begin schiep God de hemel en de aarde.

2De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water.

3En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht.

4En God zag het licht dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis.

5En God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest:1:5 Toen … geweest - Letterlijk: En het werd avond en het werd morgen; zie ook de verzen 8, 13, 19, 23 en 31. de eerste dag.

6

1:6
Ps. 33:6
104:2
136:5
Spr. 8:28
Jes. 42:5
Jer. 10:12
51:15
En God zei: Laat er een gewelf zijn in het midden van het water, en laat dat scheiding maken tussen water en water!

7En God maakte dat gewelf en maakte scheiding tussen het water dat

1:7
Ps. 33:7
136:6
Spr. 8:24
onder het gewelf is, en het water dat
1:7
Ps. 148:4
boven het gewelf is. En het was zo.

8En God noemde het gewelf hemel. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de tweede dag.

9En God zei:

1:9
Job 26:10
38:8
Ps. 24:2
33:7
136:6
Laat het water dat onder de hemel is, in één plaats samenvloeien en laat het droge zichtbaar worden! En het was zo.

10En God noemde het droge aarde en het samengevloeide water noemde Hij zeeën; en God zag dat het goed was.

11En God zei: Laat de aarde groen doen opkomen, zaaddragend gewas, vruchtbomen, die naar hun soort vrucht dragen, waarin hun zaad is op de aarde! En het was zo.

12En de aarde bracht groen voort, zaaddragend gewas naar zijn soort en bomen die vrucht dragen waarin hun zaad is, naar hun soort. En God zag dat het goed was.

13Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de derde dag.

14En God zei:

1:14
Ps. 136:7
Laten er lichten zijn aan het hemelgewelf om scheiding te maken tussen de dag en de nacht; en laten zij zijn tot tekenen, en tot aanduiding van vaste tijden en van dagen en jaren!

15

1:15
Deut. 4:19
Jer. 31:35
En laten zij tot lichten zijn aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde! En het was zo.

16En God maakte de twee grote lichten: het grote licht om de dag te beheersen en het kleine licht om de nacht te beheersen; en ook de sterren.

17En God plaatste ze aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde,

18om de dag en de nacht te beheersen en om scheiding te maken tussen het licht en de duisternis. En God zag dat het goed was.

19Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de vierde dag.

20En God zei: Laat het water wemelen van wemelende levende wezens; en laten er vogels boven de aarde vliegen, langs het hemelgewelf!

21En God schiep de grote zeedieren en alle krioelende levende wezens waarvan het water wemelt, naar hun soort, en alle gevleugelde vogels naar hun soort. En God zag dat het goed was.

22En God zegende ze en zei:

1:22
Gen. 8:17
Wees vruchtbaar, word talrijk, en vervul het water van de zeeën; en laten de vogels talrijk worden op de aarde!

23Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de vijfde dag.

24En God zei: Laat de aarde levende wezens naar hun soort voortbrengen: vee, kruipende dieren en wilde dieren van de aarde, naar zijn soort! En het was zo.

25En God maakte de wilde dieren van de aarde naar hun soort, het vee naar hun soort, en alle kruipende dieren van de aardbodem naar hun soort. En God zag dat het goed was.

26En God zei: Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en laten zij heersen over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht, over het vee, over heel de aarde en over al de kruipende dieren die over de aarde kruipen!

27En God schiep de mens

1:27
Gen. 5:1
9:6
1 Kor. 11:7
Efez. 4:24
Kol. 3:10
naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem;
1:27
Matt. 19:4
mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.

28En God zegende hen en God zei tegen hen:

1:28
Gen. 8:17
9:1,2,7
Wees vruchtbaar, word talrijk, vervul de aarde en onderwerp haar, en heers over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht en over al de dieren die over de aarde kruipen!

29En God zei: Zie

1:29
Gen. 9:3
Ps. 104:14,15
Ik geef u al het zaaddragende gewas dat op heel de aarde is, en alle bomen waaraan zaaddragende boomvruchten zijn; dat zal u tot voedsel dienen.

30

1:30
Ps. 104:14
Maar aan al de dieren van de aarde, aan alle vogels in de lucht en aan al wat over de aarde kruipt, waarin leven is, heb Ik al het groene gewas tot voedsel gegeven. En het was zo.

31En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie,

1:31
Deut. 32:4
Mark. 7:37
het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.

2

21Zo zijn de hemel en de aarde voltooid, en heel hun legermacht.

2

2:2
Ex. 20:11
31:17
Deut. 5:14
Hebr. 4:4
Toen God op de zevende dag Zijn werk, dat Hij gemaakt had, voltooid had, rustte Hij op de zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had.

3En God zegende de zevende dag en heiligde die, want daarop rustte Hij van al Zijn werk, dat God schiep door het te maken.

De schepping van de mens

4Dit is wat uit de hemel en de aarde voortkwam,2:4 Dit is wat uit de hemel en de aarde voortkwam - Letterlijk: Dit zijn de afstammelingen van de hemel en de aarde. toen zij geschapen werden. Op de dag dat de HEERE God aarde en hemel maakte –

5er was nog geen enkele veldstruik op de aarde en er was nog geen enkel veldgewas opgekomen, want de HEERE God had het niet laten regenen op de aarde; en er was geen mens om de aardbodem te bewerken,

6maar een damp steeg uit de aarde op en bevochtigde heel de aardbodem –

7toen vormde de HEERE God de mens uit

2:7
1 Kor. 15:47
het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens
2:7
1 Kor. 15:45
tot een levend wezen.

8Ook plantte de HEERE God een hof in Eden, in het oosten, en Hij plaatste daar de mens, die Hij gevormd had.

9En de HEERE God liet allerlei bomen uit de aardbodem opkomen, begerenswaardig om te zien en goed om van te eten; ook

2:9
Openb. 2:7
de boom des levens, in het midden van de hof, en de boom van de kennis van goed en kwaad.

10Een rivier kwam voort uit Eden om de hof te bevochtigen. En vandaar splitste hij zich en vormde vier hoofdstromen.

11De naam van de eerste rivier is Pison; die is het die rond heel het land van Havila stroomt, waar het goud is.

12En het goud van dit land is goed; ook is er balsemhars en de edelsteen onyx.

13En de naam van de tweede rivier is Gihon; die is het die rond heel het land Cusj stroomt.

14En de naam van de derde rivier is Tigris; die loopt ten oosten van Assur. En de vierde rivier is de Eufraat.

15De HEERE God nam de mens, en zette hem in de hof van Eden om die te bewerken en te onderhouden.

16En de HEERE God gebood de mens: Van alle bomen van de hof mag u vrij eten,

17maar van de boom van de kennis van goed en kwaad, daarvan mag u niet eten, want op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven.

18Ook zei de HEERE God: Het is niet goed dat de mens alleen is; Ik zal een hulp voor hem maken als iemand tegenover hem.

19De HEERE God vormde uit de aardbodem alle dieren van het veld en alle vogels in de lucht, en bracht die bij Adam2:19 Adam - Volgens Griekse vertaling; Hebreeuws: de mens; dit geldt voor meerdere tekstplaatsen in de hoofdstukken 2, 3 en 4. om te zien hoe hij ze noemen zou; en zoals Adam elk levend wezen noemen zou, zo zou zijn naam zijn.

20Zo gaf Adam namen aan al het vee en aan de vogels in de lucht en aan alle dieren van het veld; maar voor de mens vond hij geen hulp als iemand tegenover hem.

21Toen liet de HEERE God een diepe slaap op Adam vallen, zodat hij in slaap viel; en Hij nam een van zijn ribben en sloot de plaats ervan toe met vlees.

22En de HEERE God bouwde de rib die Hij

2:22
1 Kor. 11:8
uit Adam genomen had, tot een vrouw en Hij bracht haar bij Adam.

23Toen zei Adam:

Deze is ditmaal

2:23
Mal. 2:14
Efez. 5:30,31
been van mijn beenderen,

en vlees van mijn vlees!

Deze zal mannin2:23 mannin - Of: vrouw; het Hebreeuwse “isha” (vrouw) lijkt op “ish” (man). genoemd worden,

want uit de man

is zij genomen.

24

2:24
Matt. 19:5
Mark. 10:7
Efez. 5:31
Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten;
2:24
1 Kor. 6:16
Efez. 5:28,29
en zij zullen tot één vlees zijn.

25En zij waren beiden

2:25
Gen. 3:7
naakt, Adam en zijn vrouw, maar zij schaamden zich niet.