Herziene Statenvertaling (HSV)
19

Paulus in Efeze

191En het gebeurde terwijl

19:1
1 Kor. 1:12
Apollos in Korinthe was, dat Paulus, die de hogergelegen delen van het land doorgetrokken was, in Efeze kwam. Hij trof daar enige discipelen aan

2en zei tegen hen: Hebt u de Heilige Geest ontvangen toen u tot geloof kwam? En zij zeiden tegen hem: Wij hebben niet eens gehoord dat er een Heilige Geest is.

3En hij zei tegen hen: Waarmee bent u dan gedoopt? En zij zeiden: Met de doop van Johannes.

4Maar Paulus zei: Johannes doopte wel

19:4
Matt. 3:11
Mark. 1:4
Luk. 3:16
Joh. 1:26
Hand. 1:5
11:16
een doop van bekering, maar hij zei ook tegen het volk dat zij moesten geloven in Hem Die na hem kwam, dat is in Christus Jezus,

5en nadat zij dat gehoord hadden, werden zij gedoopt in de Naam van de Heere Jezus.

6

19:6
Hand. 8:17
11:15
En nadat Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen; en zij spraken in vreemde talen en profeteerden.

7En het waren bij elkaar ongeveer twaalf mannen.

8En hij ging de synagoge binnen en sprak er vrijmoedig; drie maanden lang sprak hij met hen en probeerde hen te overtuigen van de zaken van het Koninkrijk van God.

9

19:9
2 Tim. 1:15
Maar toen sommigen verhard werden en ongehoorzaam bleven, en tegenover de menigte kwaadspraken van de weg van de Heere, ging hij bij hen weg, en hij zonderde de discipelen af en sprak dagelijks in de school van een zekere Tyrannus.

10En dit gebeurde twee jaar lang, zodat allen die in Asia woonden, het Woord van de Heere Jezus hoorden, zowel Joden als Grieken.

11

19:11
Mark. 16:20
Hand. 14:3
En God deed buitengewone krachten door de handen van Paulus,

12zo zelfs dat, als de zweetdoeken of de doeken die hij om zijn middel droeg, van zijn lichaam op de zieken gelegd werden, de ziekten van hen weken en de boze geesten uit hen weggingen.

De zonen van Sceva

13En enkelen van de rondtrekkende Joodse duivelbezweerders waagden het de Naam van de Heere Jezus uit te spreken over hen die boze geesten hadden. Zij zeiden: Wij bezweren u bij Jezus, Die door Paulus gepredikt wordt.

14Het waren zeven zonen van Sceva, een Joodse overpriester, die dit deden.

15Maar de boze geest antwoordde en zei: Jezus ken ik en van Paulus weet ik af, maar u, wie bent u?

16En de man in wie de boze geest zich bevond, sprong op hen af en toen hij hen overmeesterd had, bleek hij sterker dan zij, zodat zij naakt en gewond uit dat huis vluchtten.

17En dit werd bij allen bekend, zowel bij de Joden als bij de Grieken die in Efeze woonden. En vrees overviel hen allen, en de Naam van de Heere Jezus werd groot gemaakt.

18

19:18
Matt. 3:6
En velen van hen die geloofden, kwamen hun zondige daden belijden en bekennen.

19Velen ook van hen die toverkunsten uitgeoefend hadden, brachten hun boeken bijeen en verbrandden die in tegenwoordigheid van allen. En men berekende de waarde ervan en kwam uit op vijftigduizend zilverstukken.

20

19:20
Jes. 55:11
Zo nam het Woord van de Heere met kracht toe en werd steeds sterker.

21

19:21
Rom. 15:25
Gal. 2:1
En toen dit alles voorbij was, nam Paulus zich in de geest voor door Macedonië en Achaje te gaan om naar Jeruzalem te reizen. Hij zei: Wanneer ik daar geweest ben, moet ik ook Rome zien.

22En nadat hij twee van hen die hem dienden, naar Macedonië had gestuurd, namelijk Timotheüs en Erastus, bleef hij zelf een tijd lang in Asia.

23

19:23
2 Kor. 1:8
Maar in die tijd ontstond er een niet geringe opschudding over de weg van de Heere.

Demetrius

24Want iemand van wie de naam Demetrius was, een zilversmid, die zilveren tempeltjes van Artemis maakte,

19:24
Hand. 16:16
verschafte aan zijn vakgenoten een niet gering inkomen.

25Hij riep hen bijeen met de arbeiders die zulke dingen maakten, en zei: Mannen, u weet dat wij aan deze bezigheid onze welvaart ontlenen.

26En u ziet en hoort dat deze Paulus een grote menigte niet alleen in Efeze, maar in bijna heel Asia overtuigd en afkerig gemaakt heeft van de goden, door te zeggen dat goden die

19:26
Ps. 115:4
Jer. 10:3
met handen gemaakt worden geen goden zijn.

27En wij lopen niet alleen het gevaar dat ons beroep een slechte naam krijgt, maar ook dat de tempel van de grote godin Artemis als niets beschouwd zal worden, en dat ook de grootheid dreigt te verdwijnen van haar aan wie heel Asia en de wereld eer bewijst.

28Toen zij dan dit hoorden, werden zij vervuld van woede en schreeuwden: Groot is de Artemis van de Efeziërs!

29En heel de stad raakte in opschudding; ze stormden eensgezind naar het theater, waarbij ze

19:29
Hand. 20:4
27:2
Kol. 4:10
Gajus en Aristarchus meesleurden, Macedoniërs, reisgenoten van Paulus.

30En toen Paulus zich onder het volk wilde begeven, lieten de discipelen het hem niet toe.

31En ook sommigen van de oversten van Asia, die met hem bevriend waren, stuurden iemand naar hem toe en riepen hem ertoe op zich niet naar het theater te begeven.

32De één nu riep dit en de ander wat anders, want de vergadering was verward en de meesten wisten niet waarom zij bijeengekomen waren.

33En men liet Alexander uit de menigte naar voren komen, omdat de Joden hem naar voren duwden. En nadat Alexander met zijn hand gewenkt had, wilde hij zich tegenover het volk verdedigen.

34Maar toen zij begrepen dat hij een Jood was, riepen zij allen als met één stem, ongeveer twee uur lang: Groot is de Artemis van de Efeziërs!

35En de stadssecretaris zei, nadat hij de menigte gekalmeerd had: Mannen van Efeze! Welk mens is er die niet weet dat de stad van de Efeziërs de tempelbewaarster is van de grote godin Artemis en van het beeld dat uit de hemel gevallen is?

36Omdat dit alles niet tegen te spreken valt, is het noodzakelijk dat u kalm blijft en niets ondoordachts doet.

37Want u hebt deze mannen hier gebracht, die geen tempelrovers zijn en uw godin niet gelasterd hebben.

38Als dus Demetrius en zijn vakgenoten tegen iemand iets hebben: er worden rechtszittingen gehouden, en er zijn stadhouders. Laten zij dan een aanklacht tegen elkaar indienen.

39Maar als u over andere zaken iets verlangt, zal daar in een wettige vergadering over beslist worden.

40Want wij lopen gevaar van oproer beschuldigd te worden om wat er vandaag gebeurd is, omdat er geen enkele reden is aan te voeren waarmee wij rekenschap kunnen afleggen van deze oploop. En nadat hij dit gezegd had, liet hij de vergadering uiteengaan.

20

Paulus bezoekt opnieuw Macedonië en Griekenland

201Nadat de opschudding bedaard was, ontbood Paulus de discipelen en, na hen gegroet te hebben,

20:1
1 Tim. 1:3
vertrok hij om naar Macedonië te reizen.

2En toen hij die delen van het land doorgetrokken was en hen met veel woorden bemoedigd had, kwam hij in Griekenland.

3En toen hij daar drie maanden doorgebracht had, en de Joden een aanslag op hem wilden plegen toen hij op het punt stond naar Syrië te varen, vatte hij het plan op terug te keren door Macedonië.

4En tot in Asia vergezelden hem Sopater uit Berea, en van de Thessalonicenzen

20:4
Hand. 19:29
27:2
Kol. 4:10
Aristarchus en Secundus, en
20:4
Hand. 19:29
1 Kor. 1:14
Gajus uit Derbe, en
20:4
Hand. 16:1
Timotheüs, en
20:4
Efez. 6:21
Kol. 4:7
2 Tim. 4:12
Tit. 3:12
Tychikus en
20:4
Hand. 21:29
2 Tim. 4:20
Trofimus uit Asia.

5Dezen waren vooruitgereisd en wachtten ons op in Troas.

6Wij echter vertrokken na de dagen van de ongezuurde broden per schip van Filippi en kwamen binnen vijf dagen bij hen in Troas aan, waar wij zeven dagen verbleven.

Paulus opnieuw in Troas

7En op de eerste dag van de week, toen de discipelen bijeengekomen waren om brood te breken, sprak Paulus hen toe, omdat hij de volgende dag wilde vertrekken; en hij liet zijn toespraak voortduren tot middernacht.

8En er waren veel lampen in de bovenzaal waar zij bijeenwaren.

9En een zekere jongeman, van wie de naam Eutychus was, zat in het venster en werd door een diepe slaap overmand, doordat Paulus zo lang sprak. Hij viel, door de slaap overmand, van de derde verdieping naar beneden en werd dood opgetild.

10Maar Paulus ging naar beneden,

20:10
1 Kon. 17:21
2 Kon. 4:34
wierp zich op hem, sloeg zijn armen om hem heen en zei: Maak geen misbaar, want zijn ziel is in hem.

11En nadat hij weer naar boven gegaan was, brood gebroken en iets genuttigd had, en hij lang, tot het aanbreken van de dag toe, met hen gesproken had, vertrok hij zo.

12En zij brachten de jongen levend mee en werden bovenmate vertroost.

13Wij nu waren vooruitgegaan naar het schip en voeren weg naar Assus, waar wij Paulus aan boord zouden nemen, want zo had hij het ons opgedragen, omdat hijzelf te voet zou gaan.

14En toen hij zich in Assus bij ons gevoegd had, namen wij hem aan boord en gingen naar Mitylene.

15En daarvandaan voeren wij verder en kwamen de volgende dag ter hoogte van Chios, en de dag daarna legden wij aan in Samos en bleven in Trogyllion, en de daaropvolgende dag kwamen wij in Milete aan.

16Want Paulus had zich voorgenomen Efeze voorbij te varen om geen tijd in Asia te hoeven doorbrengen,

20:16
Hand. 21:4,12
want hij haastte zich om, als het mogelijk voor hem was, op de Pinksterdag in Jeruzalem te zijn.

Afscheid van de ouderlingen in Efeze

17Maar hij stuurde iemand uit Milete naar Efeze en liet de ouderlingen van de gemeente halen.

18En toen zij bij hem gekomen waren, zei hij tegen hen: U weet hoe ik,

20:18
Hand. 19:10
van de eerste dag af dat ik in Asia aankwam, heel de tijd in uw midden geweest ben

19en de Heere gediend heb met alle nederigheid en veel tranen, en onder verzoekingen die mij overkomen zijn door de aanslagen van de Joden;

20hoe ik niets van wat nuttig was, nagelaten heb u te verkondigen en te onderwijzen, in het openbaar en in de huizen,

21en ik heb zowel tegenover Joden als Grieken getuigd

20:21
Matt. 3:2
Mark. 1:15
Luk. 24:47
van de bekering tot God en het geloof in onze Heere Jezus Christus.

22En nu, zie, ik reis, gebonden door de Geest, naar Jeruzalem, en ik weet niet wat ik daar zal tegenkomen,

23behalve dan dat de Heilige Geest van stad tot stad getuigt dat mij boeien en verdrukkingen te wachten staan.

24

20:24
Hand. 21:13
Maar ik maak mij nergens zorgen over, en ook acht ik mijn leven niet kostbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, evenals de bediening die ik
20:24
Gal. 1:1
Tit. 1:3
van de Heere Jezus ontvangen heb om te getuigen van het Evangelie van Gods genade.

25En nu, zie, ik weet dat u allen, bij wie ik rondgegaan ben en het Koninkrijk van God gepredikt heb, mijn gezicht niet meer zult zien.

26Daarom betuig ik u op de huidige dag dat ik rein ben van het bloed van u allen,

27want ik heb niet nagelaten u heel het raadsbesluit van God te verkondigen.

28

20:28
1 Petr. 5:2
Zie dan toe op uzelf en op heel de kudde, te midden waarvan de Heilige Geest u tot opzieners aangesteld heeft om de gemeente van God te weiden, die Hij
20:28
Efez. 1:7
Kol. 1:14
1 Petr. 1:19
Openb. 5:9
verkregen heeft door Zijn eigen bloed.

29Want dit weet ik: dat na mijn vertrek

20:29
2 Petr. 2:1
wrede wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet sparen;

30

20:30
Ps. 41:10
Matt. 26:21
Hand. 1:17
1 Joh. 2:19
en dat uit uw eigen midden mannen zullen opstaan die de waarheid verdraaien20:30 de waarheid verdraaien - Letterlijk: verdraaide (dingen) spreken. om de discipelen weg te trekken achter zich aan.

31Daarom: wees waakzaam, en bedenk dat ik drie jaar lang, nacht en dag, niet heb opgehouden iedereen onder tranen terecht te wijzen.

32En nu, broeders, ik draag u op aan God en aan het woord van Zijn genade, aan Hem Die bij machte is om u op te bouwen en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.

33

20:33
1 Kor. 9:12
2 Kor. 11:9
12:13
Ik heb niemands zilver of goud of kleding verlangd.

34En u weet zelf dat

20:34
Hand. 18:3
1 Kor. 4:12
1 Thess. 2:9
2 Thess. 3:8
deze handen dienst hebben gedaan om te voorzien in mijn behoeften, en voor hen die bij mij waren.

35Ik heb u in alles laten zien dat men, door zo te arbeiden, het moet opnemen voor de zwakken en de woorden van de Heere Jezus in herinnering moet houden, namelijk dat Hij gezegd heeft: Het is zaliger te geven dan te ontvangen.

36En toen hij dit gezegd had,

20:36
Hand. 21:5
knielde hij neer en bad met hen allen.

37En allen begonnen luid te huilen, vielen Paulus om de hals en kusten hem,

38zeer bedroefd, vooral om het woord dat hij gesproken had, namelijk dat zij zijn gezicht niet meer zouden zien. En zij deden hem uitgeleide naar het schip.

21

Paulus op weg naar Jeruzalem

211En het gebeurde, nadat wij ons van hen losgemaakt hadden en weggevaren waren, dat wij rechtstreeks koers zetten naar Kos, de volgende dag naar Rhodos en vandaar naar Patara.

2En toen wij een schip gevonden hadden dat naar Fenicië zou oversteken, gingen wij aan boord en voeren weg.

3En nadat wij Cyprus in zicht gekregen hadden en dat links hadden laten liggen, voeren wij naar Syrië en kwamen aan in Tyrus, want daar moest het schip zijn lading lossen.

4En nadat wij er discipelen gevonden hadden, bleven wij daar zeven dagen. Zij zeiden tegen Paulus, door de Geest,

21:4
Vers
dat hij niet naar Jeruzalem moest gaan.

5Het gebeurde nu, toen wij deze dagen daar doorgebracht hadden, dat wij vertrokken en verder reisden. En zij begeleidden ons allen met vrouwen en kinderen tot buiten de stad. En wij knielden neer op het strand en baden.

6En toen wij elkaar gegroet hadden, gingen wij aan boord van het schip, maar zij keerden terug, ieder naar zijn huis.

7Nadat wij de reis per schip vanaf Tyrus volbracht hadden, kwamen wij aan in Ptolemaïs, begroetten de broeders en bleven één dag bij hen.

8En de volgende dag gingen Paulus en wij die bij hem waren, daarvandaan en kwamen in Caesarea. Wij gingen naar het huis van

21:8
Hand. 6:5
8:29
Filippus, de evangelist, die een van de zeven diakenen was, en bleven bij hem.

9Deze had vier dochters, nog maagden, die

21:9
Joël 2:28
Hand. 2:17
profeteerden.

10En toen wij daar vele dagen bleven, kwam er een zekere profeet uit Judea, van wie de naam

21:10
Hand. 11:28
Agabus was.

11En hij kwam naar ons toe, pakte de gordel van Paulus, en nadat hij zijn eigen handen en voeten daarmee gebonden had, zei hij: Dit zegt de Heilige Geest:

21:11
Vers 33;
De man van wie deze gordel is, zullen de Joden op deze manier in Jeruzalem binden en in de handen van de heidenen overleveren.

12Toen wij dit hoorden, smeekten zowel wij als de mensen van die plaats dat hij niet naar Jeruzalem zou gaan.

13Maar Paulus antwoordde:

21:13
Hand. 20:24
Wat doet u nu dat u huilt en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid, niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven in Jeruzalem voor de Naam van de Heere Jezus.

14En toen hij zich niet liet overtuigen, deden wij er het zwijgen toe, en zeiden:

21:14
Matt. 6:10
Luk. 11:2
22:42
Laat de wil van de Heere geschieden.

Paulus in Jeruzalem

15En na die dagen maakten wij ons gereed en gingen naar Jeruzalem.

16En met ons gingen ook enigen van de discipelen van Caesarea mee; die brachten een zekere Mnason van Cyprus mee, een oude discipel, bij wie wij te gast zouden zijn.

17En toen wij in Jeruzalem aankwamen, ontvingen de broeders ons met blijdschap.

18De volgende dag ging Paulus met ons naar Jakobus. En al de ouderlingen waren daar gekomen.

19En nadat hij hen gegroet had, verhaalde hij tot in bijzonderheden wat God door zijn bediening onder de heidenen gedaan had.

20En toen zij dat gehoord hadden, prezen zij de Heere en zeiden tegen hem: U ziet, broeder, hoeveel tienduizenden Joden er zijn die geloven; en zij zijn allemaal ijveraars voor de wet.

21Men heeft hun over u verteld dat u alle Joden die onder de heidenen wonen, leert afvallig te worden van Mozes, doordat u zegt dat zij de kinderen niet moeten besnijden en ook niet moeten wandelen overeenkomstig de gebruiken van de wet.

22Wat staat ons nu te doen? Het is beslist noodzakelijk dat heel de menigte samenkomt, want zij zullen horen dat u gekomen bent.

23Doe daarom wat wij u zeggen. Wij hebben vier mannen die een gelofte gedaan hebben.

24Neem die bij u, reinig u samen met hen en betaal voor hen de kosten van de offers, zodat zij zich het hoofd kunnen laten scheren en allen kunnen weten dat er niets waar is van wat hun over u verteld is, maar dat u zo wandelt dat u ook zelf de wet in acht neemt.

25Maar wat de heidenen betreft die geloven,

21:25
Hand. 15:23
hebben wij geschreven en goedgevonden dat zij niets dergelijks in acht hoeven te nemen,
21:25
Ex. 20:3
1 Kor. 8:1
behalve dat zij zich moeten wachten voor afgodenoffers, voor
21:25
Gen. 9:4
bloed, voor het verstikte en voor ontucht.

Paulus gevangengenomen

26

21:26
Hand. 24:6
Toen nam Paulus de mannen mee en de dag daarna reinigde hij zich samen met hen, ging de tempel binnen en maakte bekend wanneer de dagen van de reiniging vervuld zouden zijn, namelijk wanneer voor ieder van hen het offer zou worden gebracht.

27Toen de zeven dagen ten einde liepen, zagen de Joden uit Asia hem in de tempel en brachten heel de menigte in verwarring. Zij sloegen de handen aan hem

28en schreeuwden: Mannen van Israël, kom helpen! Dit is de man die overal iedereen onderwijs geeft dat indruist tegen het volk, tegen de wet en tegen deze plaats. Bovendien heeft hij ook nog Grieken in de tempel gebracht en deze heilige plaats ontheiligd.

29Want zij hadden eerder al de Efeziër

21:29
Hand. 20:4
2 Tim. 4:20
Trofimus met hem in de stad gezien, van wie zij dachten dat Paulus hem de tempel binnengebracht had.

30En heel de stad raakte in rep en roer en het volk liep te hoop. En ze grepen Paulus en sleurden hem de tempel uit, en de deuren werden meteen gesloten.

31En terwijl zij hem probeerden te doden, kreeg de overste van de legerafdeling het bericht dat heel Jeruzalem in verwarring was.

32Die nam ogenblikkelijk soldaten en hoofdmannen over honderd mee en liep snel naar beneden naar hen toe. Toen zij nu de overste en de soldaten zagen, hielden zij op Paulus te slaan.

33

21:33
Vers
Toen kwam de overste dichterbij, greep hem en gaf bevel hem met twee ketenen te boeien, en hij vroeg wie hij was en wat hij gedaan had.

34En in de menigte riep de één dit en de ander weer wat anders. Maar toen hij door de opschudding niets met zekerheid te weten kon komen, gaf hij bevel hem naar de kazerne te brengen.

35En toen hij bij de trappen gekomen was, gebeurde het dat hij door de soldaten gedragen moest worden vanwege het geweld van de menigte,

36want de volksmenigte volgde, al schreeuwend:

21:36
Luk. 23:18
Joh. 19:15
Hand. 22:22
Weg met hem!

37Toen Paulus de kazerne binnengebracht zou worden, zei hij tegen de overste: Is het mij geoorloofd iets tegen u te zeggen? En hij zei: Kent u Grieks?

38Bent u dan niet de Egyptenaar die enige tijd geleden oproer ontketende en die vierduizend gewapende opstandelingen naar de woestijn leidde?

39Maar Paulus zei: Ik ben een Joodse man

21:39
Hand. 9:11,30
uit Tarsus, een burger van een niet onbekende stad in Cilicië. Ik vraag u: Sta mij toe het volk toe te spreken.

40En toen hij het toegestaan had, gaf Paulus, staande op de trappen, het volk een wenk met de hand. En toen er een grote stilte gevallen was, sprak hij hen toe in de Hebreeuwse taal en zei:

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]