Herziene Statenvertaling (HSV)
1

Inleiding

11Het eerste boek heb ik gemaakt, o Theofilus, over alles wat Jezus begonnen is te doen én te onderwijzen,

2

1:2
Mark. 16:19
Luk. 9:51
1 Tim. 3:16
tot op de dag waarop Hij opgenomen is, nadat Hij door de Heilige Geest aan de apostelen, die Hij uitgekozen had,
1:2
Joh. 20:21
opdrachten had gegeven.

3

1:3
Mark. 16:14
Joh. 20:19
21:1
1 Kor. 15:5
Hij heeft Zichzelf, nadat Hij geleden had, ook levend aan hen vertoond, met veel onmiskenbare bewijzen, veertig dagen lang, waarbij Hij door hen gezien werd en over de dingen sprak die het Koninkrijk van God betreffen.

De hemelvaart

4

1:4
Luk. 24:48,49
En toen Hij met hen samen was, beval Hij hun dat zij niet uit Jeruzalem weg zouden gaan, maar de belofte van de Vader zouden verwachten,
1:4
Joh. 14:26
15:26
16:7
die u, zei Hij, van Mij gehoord hebt;

5

1:5
Matt. 3:11
Mark. 1:8
Luk. 3:16
Joh. 1:26
Hand. 11:16
19:4
want Johannes doopte wel met water,
1:5
Jes. 44:3
Joël 2:28
Hand. 2:4
11:15
maar u zult met de Heilige Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen.

6Zij dan die samengekomen waren, vroegen Hem:

1:6
Matt. 24:3
Heere, zult U in deze tijd voor Israël het Koninkrijk weer herstellen?

7En Hij zei tegen hen:

1:7
Matt. 24:36
Het komt u niet toe de tijden of gelegenheden te weten die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft,

8

1:8
Hand. 2:4
maar u zult de kracht van de Heilige Geest ontvangen, Die over u komen zal;
1:8
Jes. 2:3
Luk. 24:48
Joh. 15:27
Hand. 2:32
en u zult Mijn getuigen zijn, zowel in Jeruzalem als in heel Judea en Samaria en tot aan het uiterste van de aarde.

9

1:9
Mark. 16:19
Luk. 24:51
En nadat Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen1:9 opgenomen - Letterlijk: opgeheven. terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen.

10En toen zij, terwijl Hij van hen wegging, hun ogen naar de hemel gericht hielden, zie, twee mannen stonden bij hen in

1:10
Matt. 28:3
witte kleding,

11die ook zeiden: Galilese mannen, waarom staat u omhoog te kijken naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is naar de hemel,

1:11
Dan. 7:13
Matt. 24:30
Mark. 13:26
Luk. 21:27
1 Thess. 1:10
2 Thess. 1:10
Openb. 1:7
zal op dezelfde wijze terugkomen als u Hem naar de hemel hebt zien gaan.

12Toen keerden zij terug naar Jeruzalem, van de berg die de Olijfberg genoemd wordt, die vlak bij Jeruzalem is en daar een sabbatsreis vandaan ligt.

13En toen zij in Jeruzalem gekomen waren, gingen zij naar de bovenzaal en bleven daar, namelijk Petrus en Jakobus en Johannes en Andreas, Filippus en Thomas, Bartholomeüs en Mattheüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon Zelotes, en Judas, de broer van Jakobus.

14Dezen bleven allen eensgezind volharden in het bidden en smeken, met de vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, en met

1:14
Matt. 13:55
Zijn broers.

Matthias tot apostel gekozen in de plaats van Judas

15En in die dagen stond Petrus op te midden van de discipelen – er was namelijk een menigte bijeen van ongeveer honderdtwintig personen – en sprak:

16Mannenbroeders, dit Schriftwoord moest vervuld worden

1:16
Ps. 41:10
Matt. 26:23
Joh. 13:18
dat de Heilige Geest bij monde van David van tevoren gesproken heeft over Judas,
1:16
Matt. 26:47
Mark. 14:43
Joh. 18:3
die gids geweest is voor hen die Jezus gevangennamen;

17

1:17
Matt. 10:4
Mark. 3:19
Luk. 6:16
want hij werd bij ons gerekend en had aan deze bediening deel1:17 deel - Letterlijk: lot; zie ook vers 25. gekregen.

18Deze nu heeft met het loon van de ongerechtigheid een stuk grond verkregen,

1:18
2 Sam. 17:23
Matt. 27:5
en nadat hij voorovergevallen was, barstte hij in het midden open en kwamen al zijn ingewanden naar buiten.

19En het is bekend geworden bij allen die in Jeruzalem wonen, zodat dat stuk grond in hun eigen taal

1:19
Matt. 27:8
Akeldama genoemd wordt, dat wil zeggen: bloedakker.

20Want er staat geschreven in het boek van de Psalmen:

1:20
Ps. 69:26
Laat zijn woonplaats woest worden en laat er niemand zijn die daarin woont.
1:20
Ps. 109:8
En: Laat een ander zijn ambt als opziener nemen.

21

1:21
Hand. 6:3
Het is dus nodig dat een van de mannen die met ons omgegaan zijn gedurende heel de tijd dat de Heere Jezus onder ons in- en uitging,

22te beginnen met de doop van Johannes tot op de dag waarop Hij

1:22
Vers
van ons opgenomen werd, met ons getuige wordt van Zijn opstanding.

23

1:23
Hand. 6:6
En zij stelden er twee voor: Jozef, die Barsabas heette, die ook Justus genoemd werd, en Matthias.

24En zij baden en zeiden: U Heere,

1:24
1 Sam. 16:7
1 Kron. 28:9
29:17
Ps. 7:10
Jer. 11:20
17:10
20:12
Hand. 15:8
Openb. 2:23
Kenner van het hart van allen, wijs van deze twee er een aan, die U uitgekozen hebt

25om deel te krijgen aan deze bediening, namelijk aan het apostelschap, waarvan Judas afgeweken is om naar zijn eigen plaats te gaan.

26En zij wierpen hun loten en het lot viel op Matthias; en hij werd met instemming van allen aan de elf apostelen toegevoegd.

2

De uitstorting van de Heilige Geest

21En toen de dag

2:1
Lev. 23:15
Deut. 16:9
van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen
2:1
Hand. 1:14
eensgezind bijeen.

2En plotseling kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en dat vervulde heel het huis waar zij zaten.

3En aan hen werden tongen als van vuur gezien, die zich verdeelden, en het zat op ieder van hen.

4

2:4
Matt. 3:11
Mark. 1:8
Luk. 3:16
Joh. 14:26
15:26
16:13
Hand. 11:15
19:6
En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen te spreken
2:4
Mark. 16:17
Hand. 10:46
in andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.

5Nu woonden er Joden in Jeruzalem, godvrezende mannen uit alle volken die er onder de hemel zijn.

6Toen dan dit geluid klonk, kwam de menigte samen en raakte in verwarring, want ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken.

7En zij waren allen buiten zichzelf en verwonderden zich, en zij zeiden tegen elkaar: Zie, zijn het niet allen Galileeërs die daar spreken?

8En hoe kunnen wij hen dan horen, eenieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn?

9Parthen, Meden en Elamieten en zij die inwoners zijn van Mesopotamië, Judea, Kappadocië, Pontus en Asia,

10Frygië, Pamfylië, Egypte, en de streken van Libië, dat bij Cyrene ligt, alsook de nu hier verblijvende Romeinen, zowel Joden als proselieten,

11Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze taal over de grote werken van God spreken.

12En zij waren allen buiten zichzelf en raakten in onzekerheid, en de één zei tegen de ander: Wat wil dit toch zeggen?

13Anderen zeiden spottend: Zij zijn vol zoete wijn.

De toespraak van Petrus op de Pinksterdag

14Maar Petrus, die daar met de elf andere apostelen stond, verhief zijn stem en sprak tot hen: Joodse mannen en u allen die in Jeruzalem woont, dit moet u bekend zijn en laat mijn woorden tot uw oren doordringen:

15deze mensen zijn namelijk niet dronken, zoals u vermoedt, want het is pas het derde uur van de dag.

16Maar dit is wat gesproken is door de profeet Joël:

17

2:17
Jes. 44:3
Ezech. 11:19
36:27
Joël 2:28
Zach. 12:10
Joh. 7:38
En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal
2:17
Hand. 10:45
uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en
2:17
Luk. 2:36
Hand. 21:9
uw dochters zullen profeteren, uw jongemannen zullen visioenen zien en uw ouderen zullen dromen dromen.

18En ook op Mijn dienaren en op Mijn dienaressen zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren.

19En Ik zal wonderen geven in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed, vuur en rookwalm.

20De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en ontzagwekkende dag van de Heere komt.

21

2:21
Joël 2:32
Rom. 10:13
En het zal zo zijn dat ieder die de Naam van de Heere zal aanroepen, zalig zal worden.

22Israëlitische mannen, luister naar deze woorden: Jezus de Nazarener, een Man Die u van Godswege aangewezen is door krachten, wonderen en tekenen, die God in uw midden door Hem gedaan heeft, zoals u ook zelf weet,

23deze Jezus,

2:23
Hand. 4:28
Die overeenkomstig het vastgestelde raadsbesluit en de voorkennis van God overgegeven is,
2:23
Hand. 5:30
hebt u gevangengenomen en door de handen van onrechtvaardigen aan het kruis gespijkerd en gedood.

24

2:24
Hand. 10:40
God heeft Hem echter doen opstaan door de weeën van de dood te ontbinden, omdat het niet mogelijk was dat Hij daardoor vastgehouden zou worden.

25Want David zegt over Hem:

2:25
Ps. 16:8
Ik zag de Heere altijd voor mij, want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet zou wankelen.

26Daarom is mijn hart verblijd en mijn tong verheugt zich; ja, ook zal mijn vlees rusten in hoop,

27want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten en Uw Heilige niet overgeven om ontbinding te zien.

28U hebt mij de wegen ten leven bekendgemaakt. U zult mij vervullen met vreugde door Uw aangezicht.

29Mannenbroeders, het is mij toegestaan over de aartsvader David vrijuit tegen u te zeggen dat

2:29
1 Kon. 2:10
Hand. 13:36
hij én gestorven én begraven is, en dat zijn graf tot op deze dag bij ons is.

30Aangezien hij een profeet was en wist

2:30
2 Sam. 7:12
Ps. 132:11
Luk. 1:32
Hand. 13:23
Rom. 1:3
2 Tim. 2:8
dat God hem met een eed gezworen had dat Hij uit de vrucht van zijn lichaam,2:30 lichaam - Letterlijk: lendenen. voor zover het zijn vlees betrof, de Christus zou doen opstaan om Hem op zijn troon te zetten,

31daarom voorzag hij dit en zei hij over de opstanding van Christus

2:31
Ps. 16:10
Hand. 13:35
dat Zijn ziel niet is verlaten in het graf en dat Zijn vlees geen ontbinding heeft gezien.

32Deze Jezus heeft God doen opstaan,

2:32
Joh. 15:27
Hand. 1:8
waarvan wij allen getuigen zijn.

33Hij dan, Die

2:33
Hand. 5:31
Filipp. 2:9
door de rechterhand van God verhoogd is en
2:33
Hand. 1:4
de belofte van de Heilige Geest ontvangen heeft van de Vader, heeft dit
2:33
Hand. 10:45
uitgestort wat u nu ziet en hoort.

34David is immers niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt:

2:34
Ps. 110:1
1 Kor. 15:25
Efez. 1:20
Hebr. 1:13
De Heere heeft gesproken tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand,

35totdat Ik Uw vijanden neergelegd zal hebben als een voetbank voor Uw voeten.

36Laat dan heel het huis van Israël zeker weten dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die u gekruisigd hebt.

De eerste bekeerden

37

2:37
Zach. 12:10
Luk. 3:10
Hand. 9:6
En toen zij dit hoorden, werden zij diep in het hart geraakt en zeiden tegen Petrus en de andere apostelen:
2:37
Hand. 16:30
Wat moeten wij doen, mannenbroeders?

38En Petrus zei tegen hen: Bekeer u en laat ieder van u gedoopt worden in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van de zonden; en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen.

39Want voor u is de belofte en voor uw

2:39
Joël 2:28
kinderen en voor allen
2:39
Efez. 2:13
die veraf zijn, zovelen als de Heere, onze God, ertoe roepen zal.

40En met veel meer andere woorden legde hij getuigenis af en spoorde hij hen aan met de woorden: Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht!

41Zij nu die zijn woord met vreugde aannamen, werden gedoopt; en ongeveer drieduizend zielen werden er op die dag aan hen toegevoegd.

42En zij volhardden in de leer van de apostelen en in de gemeenschap, in het breken van het brood en in de gebeden.

43En er kwam vrees over iedereen;2:43 iedereen - Letterlijk: elke ziel. en er werden

2:43
Mark. 16:17
Hand. 5:12
veel wonderen en tekenen door de apostelen gedaan.

44

2:44
Deut. 15:4
Hand. 4:32
En allen die geloofden, waren bijeen en hadden alle dingen gemeenschappelijk;

45en zij verkochten hun bezittingen en eigendommen

2:45
Jes. 58:7
Hand. 4:35
en verdeelden die onder allen, naar dat ieder nodig had.

46En zij bleven dagelijks

2:46
Hand. 1:14
20:7
eensgezind in de tempel bijeenkomen, en terwijl zij van huis tot huis brood braken, namen zij gezamenlijk voedsel tot zich, met vreugde en in eenvoud van hart;

47en zij loofden God en vonden genade bij heel het volk.

2:47
Hand. 5:14
11:21
En de Heere voegde dagelijks mensen die zalig werden, aan de gemeente toe.

3

De kreupele genezen

31Petrus nu en Johannes gingen samen naar de tempel tijdens het uur van het gebed, het negende uur.

2

3:2
Hand. 14:8
En een man die vanaf de moederschoot kreupel was, werd daarheen gedragen. Men zette hem dagelijks bij de tempelpoort die de Schone genoemd wordt,
3:2
Joh. 9:8
om een liefdegave te vragen aan hen die de tempel binnengingen.

3Toen hij Petrus en Johannes zag op het moment dat zij de tempel zouden binnengaan, vroeg hij of hij een liefdegave mocht ontvangen.

4En Petrus keek hem met Johannes doordringend aan en zei: Kijk ons aan!

5En hij hield de ogen op hen gericht, omdat hij verwachtte iets van hen te ontvangen.

6Petrus zei echter: Zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb, dat geef ik u:

3:6
Hand. 4:10
in de Naam van Jezus Christus de Nazarener, sta op en ga lopen!

7En hij greep hem bij de rechterhand en richtte hem op, en onmiddellijk werden zijn voeten en enkels vast.

8En met een sprong stond hij overeind en liep rond, en hij ging met hen de tempel in, lopend en springend en God lovend.

9En al het volk zag hem lopen en God loven.

10En zij wisten dat hij degene was die voor een liefdegave bij de Schone Poort van de tempel gezeten had; en zij werden vervuld met verbazing en ontsteltenis over wat er met hem gebeurd was.

11En terwijl de kreupele, die genezen was, Petrus en Johannes vasthield, stroomde al het volk bij hen samen in de zuilengang die de zuilengang van Salomo genoemd wordt, en verbaasde zich.

12Toen Petrus dat zag, antwoordde hij het volk: Israëlitische mannen, waarom verwondert u zich hierover, of waarom kijkt u ons zo doordringend aan, alsof wij door onze eigen kracht of godsvrucht hebben bewerkstelligd dat deze man nu loopt?

13De God van Abraham, Izak en Jakob, de God van onze vaderen, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt, Die u hebt overgeleverd. U hebt Hem verloochend

3:13
Matt. 27:20
Mark. 15:11
Luk. 23:18
Joh. 18:40
vóór Pilatus, toen die oordeelde dat men Hem zou loslaten.

14U echter hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend en gevraagd dat u een moordenaar geschonken zou worden,

15

3:15
Hand. 1:8
2:32
maar de Vorst van het leven hebt u gedood, Die God uit de doden opgewekt heeft, waarvan wij getuigen zijn.

16En Zijn Naam heeft deze man, die u ziet en kent, sterk gemaakt door het geloof in Zijn Naam. En het geloof dat er is door Hem, heeft hem in aanwezigheid van u allen deze volkomen gezondheid gegeven.

17En nu weet ik, broeders, dat u het uit onwetendheid gedaan hebt, evenals uw leiders,

18maar God heeft op die manier vervuld wat Hij

3:18
Jes. 50:6
53:5
Luk. 24:27
bij monde van al Zijn profeten aangekondigd had, namelijk dat de Christus lijden zou.

19

3:19
Hand. 2:38
Kom dus tot inkeer en bekeer u, opdat uw zonden uitgewist worden en er tijden van verkwikking zullen komen van het aangezicht van de Heere,

20en Hij Jezus Christus zal zenden, Die tevoren aan u verkondigd is.

21Hem moet de hemel ontvangen tot de tijden waarin alle dingen worden hersteld, waarover God gesproken heeft bij monde van al Zijn heilige profeten door de eeuwen heen.

22Want Mozes heeft tegen de vaderen gezegd:

3:22
Deut. 18:15,18,19
Joh. 1:46
Hand. 7:37
De Heere, uw God, zal voor u een Profeet laten opstaan uit uw broeders, zoals ik; naar Hem moet u luisteren in alles wat Hij tot u zal spreken.

23En het zal zo zijn dat al3:23 al - Letterlijk: elke ziel. wie niet geluisterd zal hebben naar deze Profeet, uit het volk uitgeroeid zal worden.

24En ook al de profeten vanaf Samuel en zovelen als er daarna gesproken hebben, hebben deze dagen aangekondigd.

25U bent kinderen van de profeten en van het verbond dat God met onze vaderen sloot, toen Hij tegen Abraham zei:

3:25
Gen. 22:18
Gal. 3:8
En in uw Nageslacht zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden.

26God, Die Zijn Kind Jezus heeft doen opstaan, heeft Hem eerst naar u gezonden om u hierin te zegenen dat Hij ieder van u zou afbrengen van zijn slechte daden.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]