Herziene Statenvertaling (HSV)
12

Herodes laat Jakobus onthoofden

121Omstreeks die tijd sloeg koning Herodes de hand aan sommigen van de gemeente om hen kwaad te doen.

2En hij doodde Jakobus,

12:2
Matt. 4:21
de broer van Johannes, met het zwaard.

Petrus gevangen en verlost

3En toen hij zag dat het de Joden welgevallig was, ging hij verder door ook Petrus te grijpen (het waren de dagen van de ongezuurde broden);

4

12:4
Joh. 21:18
en toen hij ook die gegrepen had, zette hij hem in de gevangenis en gaf hem over aan vier wachten, elk bestaande uit vier soldaten, om hem te bewaken, omdat hij hem na het Pascha wilde voorleiden aan het volk.

5Petrus werd dus in de gevangenis bewaakt; maar door de gemeente werd voortdurend voor hem tot God gebeden.

6Toen Herodes hem zou voorleiden, sliep Petrus die nacht tussen twee soldaten, geboeid met twee ketenen; en de bewakers voor de deur bewaakten de gevangenis.

7

12:7
Hand. 5:19
16:26
En zie, er stond een engel van de Heere en er scheen een licht in het vertrek, en door Petrus in de zij te porren, wekte hij hem en zei: Sta snel op. En zijn ketenen vielen van zijn handen af.

8En de engel zei tegen hem: Doe uw gordel om en bind uw sandalen aan. En hij deed dat. En hij zei tegen hem: Sla uw bovenkleed om en volg mij.

9En hij ging naar buiten en volgde hem, en hij wist niet dat het werkelijkheid was wat er door de engel plaatsvond, maar hij dacht dat hij een visioen zag.

10En toen zij langs de eerste en tweede wacht gegaan waren, kwamen zij bij de ijzeren poort die naar de stad leidt; die ging

12:10
Hand. 16:26
vanzelf voor hen open. En toen zij naar buiten gegaan waren, liepen zij één straat verder, en meteen ging de engel van hem weg.

11En toen Petrus tot zichzelf gekomen was, zei hij: Nu weet ik werkelijk

12:11
Dan. 6:23
dat de Heere Zijn engel uitgezonden heeft en mij verlost heeft uit de hand van Herodes en uit alles wat het Joodse volk verwachtte.

12En toen dit tot hem doorgedrongen was,

12:12
Hand. 4:23
ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, die ook Markus genoemd werd, waar velen bijeenwaren en baden.

13Toen Petrus aan de deur van de poort klopte, ging er een dienstmeisje naartoe om te luisteren, van wie de naam Rhodé was.

14En toen zij de stem van Petrus herkende, deed zij van blijdschap de poort niet open, maar rende naar binnen en berichtte dat Petrus voor de poort stond.

15En zij zeiden tegen haar: U bent buiten zinnen! Maar zij hield vol dat het zo was. En zij zeiden: Het is zijn engel.

16Maar Petrus bleef kloppen; en toen zij opengedaan hadden, zagen zij hem en waren buiten zichzelf.

17En hij gebaarde hun

12:17
Hand. 13:16
19:33
21:40
met de hand dat zij zwijgen moesten, en hij vertelde hun hoe de Heere hem uit de gevangenis geleid had en zei: Vertel dit aan Jakobus en de broeders. En hij ging naar buiten en reisde naar een andere plaats.

18Toen het dag was geworden, was er geen geringe opschudding onder de soldaten over wat er met Petrus gebeurd kon zijn.

19En nadat Herodes hem gezocht maar niet gevonden had, ondervroeg hij de bewakers en gaf bevel hen weg te leiden. En hij vertrok van Judea naar Caesarea en bleef daar.

De dood van Herodes

20En Herodes koesterde bittere vijandschap tegen de Tyriërs en Sidoniërs; maar zij kwamen eensgezind naar hem toe, en na Blastus, de kamerheer van de koning, overtuigd te hebben, vroegen zij om vrede, omdat hun land gevoed werd door dat van de koning.

21En op een vastgestelde dag trok Herodes een koninklijk kleed aan en hield, op de rechterstoel gezeten, een toespraak tot hen.

22En het volk riep uit: Een stem van God en niet van een mens!

23En onmiddellijk sloeg een engel van de Heere hem, omdat hij God de eer niet gaf; en hij werd door de wormen gegeten en gaf de geest.

24

12:24
Jes. 55:11
Hand. 6:7
En het Woord van God verbreidde zich en nam toe.

25Barnabas nu en Saulus keerden terug uit Jeruzalem na daar hun dienstwerk vervuld te hebben, en zij namen ook Johannes mee, die ook Markus genoemd werd.

13

Barnabas en Paulus naar de heidenen gezonden

131En er waren

13:1
Hand. 14:26
in Antiochië, in de gemeente aldaar, enkele profeten en leraars, namelijk Barnabas, Simeon, die Niger genoemd werd, Lucius van Cyrene, Manahen, die met Herodes, de viervorst, opgegroeid was, en Saulus.

2En terwijl zij de Heere dienden en vastten, zei de Heilige Geest:

13:2
Hand. 9:15
22:21
Rom. 1:1
Gal. 1:15
2:8
Efez. 3:8
1 Tim. 2:7
2 Tim. 1:11
Zonder voor Mij zowel Barnabas als Saulus af voor het werk waartoe Ik hen
13:2
Matt. 9:38
Rom. 10:15
Hebr. 5:4
geroepen heb.

3

13:3
Hand. 6:6
8:15
19:6
Toen vastten en baden zij, en nadat zij hun
13:3
Hand. 14:26
de handen opgelegd hadden, lieten zij hen gaan.

Barnabas en Paulus op Cyprus

4Zij dan, uitgezonden door de Heilige Geest, vertrokken naar Seleucië en voeren vandaar naar Cyprus.

5En toen zij in Salamis gekomen waren, verkondigden zij het Woord van God in de synagogen van de Joden; en zij hadden bovendien

13:5
Hand. 12:25
Johannes als dienaar.

6En toen zij het eiland doorgegaan waren tot Pafos toe, troffen zij

13:6
Hand. 8:9
19:13
een zekere tovenaar aan, een valse profeet, een Jood van wie de naam Barjezus was.

7Hij hoorde bij de stadhouder Sergius Paulus, een verstandig man. Die riep Barnabas en Saulus bij zich en verlangde ernaar het Woord van God te horen.

8

13:8
Ex. 7:11
2 Tim. 3:8
Maar Elymas, de tovenaar (want zo wordt zijn naam vertaald), ging tegen hen in en probeerde de stadhouder van het geloof af te houden.

9Maar Saulus (die ook Paulus genoemd wordt), vervuld met de Heilige Geest, keek hem doordringend aan, en zei:

10O duivelskind, vol van alle bedrog en van alle sluwheid, vijand van alle gerechtigheid, zult u er niet mee ophouden de rechte wegen van de Heere te verdraaien?

11En nu, zie, de hand van de Heere is tegen u en u zult blind zijn en de zon voor een tijd niet zien. En onmiddellijk viel er donkerheid en duisternis op hem, en rondlopend zocht hij naar mensen om hem bij de hand te leiden.

12Toen de stadhouder zag wat er gebeurd was, geloofde hij, versteld over de leer van de Heere.

Paulus in Antiochië

13En Paulus en zij die bij hem waren, voeren van Pafos weg en kwamen in Perge aan, een stad in Pamfylië.

13:13
Hand. 15:38
Maar Johannes verliet hen en keerde terug naar Jeruzalem.

14En zij gingen vanuit Perge het land door en kwamen in Antiochië in Pisidië; en zij gingen op de dag van de sabbat de synagoge binnen en gingen daar zitten.

15En na het voorlezen van de Wet en van de Profeten lieten de hoofden van de synagoge tegen hen zeggen: Mannenbroeders, als er bij u een woord van bemoediging voor het volk is, spreek dan.

16Toen stond Paulus op,

13:16
Hand. 12:17
19:33
21:40
wenkte met de hand en zei: Israëlitische mannen en u die God vreest, luister:

17De God van dit volk Israël heeft onze vaderen

13:17
Ex. 1:1
uitverkoren en het volk verhoogd toen zij vreemdelingen waren in het land Egypte, en Hij heeft hen met een machtige arm daaruit geleid.

18

13:18
Ex. 16:35
Num. 14:34
Ps. 95:10
En Hij heeft gedurende de tijd van ongeveer veertig jaar hun doen en laten verdragen in de woestijn.

19En nadat Hij in het land Kanaän zeven volken uitgeroeid had,

13:19
Joz. 14:2
verdeelde Hij hun land onder hen door het lot.

20En daarna gaf Hij hun ongeveer vierhonderdvijftig jaar

13:20
Richt. 2:16
3:9
richters, tot aan de profeet Samuel.

21

13:21
1 Sam. 8:5
Hos. 13:11
En van toen af vroegen zij om een koning, en God gaf hun
13:21
1 Sam. 9:15
10:1
Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam van Benjamin, gedurende veertig jaar.

22En nadat Hij hem had afgezet, verwekte Hij

13:22
1 Sam. 16:12
David voor hen tot koning; Hij gaf ook getuigenis van hem met de woorden:
13:22
1 Sam. 13:14
Ps. 89:21
Hand. 7:45
Ik heb David, de zoon van Isaï, gevonden, een man naar Mijn hart, die alles zal doen wat Ik wil.

23Uit zijn nageslacht heeft God voor Israël, volgens de belofte, de Zaligmaker Jezus doen voortkomen,

24

13:24
Matt. 3:1
Mark. 1:2
Luk. 3:2
Joh. 3:23
nadat Johannes, voorafgaand aan Zijn komst, eerst aan heel het volk Israël de doop van bekering gepredikt had.

25Maar toen Johannes zijn loop aan het volbrengen was, zei hij: Wie denkt u dat ik ben?

13:25
Joh. 1:20
Ik ben de Christus niet; maar zie, Hij komt na mij,
13:25
Matt. 3:11
bij Wie ik het niet waard ben de sandalen aan Zijn voeten los te maken.

26Mannenbroeders, kinderen van het geslacht van Abraham, en wie onder u God vrezen,

13:26
Vers 46;
tot u is het woord van deze zaligheid gezonden.

27Want de inwoners van Jeruzalem en hun leiders,

13:27
Joh. 16:3
Hand. 3:17
1 Kor. 2:8
1 Tim. 1:13
die Hem niet kenden, hebben door Hem te veroordelen de uitspraken van de profeten vervuld, die iedere sabbat voorgelezen worden.

28

13:28
Matt. 27:20
Mark. 15:11
Luk. 23:18
Joh. 19:6
En hoewel zij geen reden voor Zijn dood vonden, vroegen zij Pilatus Hem te laten doden.

29En toen zij alles volbracht hadden wat er over Hem geschreven was, namen zij Hem van het hout af en legden Hem in het graf.

30

13:30
Matt. 28:6
Mark. 16:6
Luk. 24:6
Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt;

31

13:31
Mark. 16:14
Joh. 20:19
21:1
Hand. 1:3
1 Kor. 15:5
en Hij is gedurende vele dagen verschenen aan hen die met Hem opgegaan waren van Galilea naar Jeruzalem en die nu Zijn getuigen zijn bij het volk.

32En wij verkondigen u

13:32
Gen. 3:15
22:18
26:4
49:10
Deut. 18:15
2 Sam. 7:12
Ps. 132:11
Jes. 4:2
7:14
9:5
40:10
Jer. 23:5
33:14
Ezech. 34:23
37:24
Dan. 9:24,25
de belofte die aan de vaderen gedaan is, namelijk dat God die vervuld heeft aan ons, hun kinderen, door Jezus te verwekken,

33zoals ook in de tweede psalm geschreven staat: U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U verwekt.

34En dat Hij Hem uit de doden heeft doen opstaan om niet meer tot ontbinding terug te keren, heeft Hij zó gezegd:

13:34
Jes. 55:3
Ik zal u de weldaden van David geven, die betrouwbaar zijn;

35daarom zegt hij ook in een andere psalm:

13:35
Ps. 16:10
Hand. 2:27
U zult Uw Heilige niet overgeven om ontbinding te zien.

36

13:36
1 Kon. 2:10
Hand. 2:29
Immers, David is ontslapen nadat hij in zijn tijd het raadsbesluit van God uitgediend had, en hij is bij zijn vaderen gelegd en heeft wel ontbinding gezien;

37maar Hij Die God opgewekt heeft, heeft geen ontbinding gezien.

38Laat het u dan bekend zijn, mannenbroeders,

13:38
Luk. 24:47
1 Joh. 2:12
dat door Hem aan u vergeving van de zonden verkondigd wordt

39

13:39
Rom. 3:28
8:3
Gal. 2:16
Hebr. 7:19
en dat
13:39
Rom. 10:4
ieder die gelooft, door Hem gerechtvaardigd wordt van alles waarvan u door de wet van Mozes niet gerechtvaardigd kon worden.

40Pas dan op dat u niet overkomt wat er gezegd is in de profeten:

41

13:41
Jes. 28:14
Hab. 1:5
Zie, verachters, verwonder u en verdwijn, want Ik verricht een werk in uw dagen, een werk dat u niet zult geloven als iemand het u vertelt.

42En toen de Joden weggegaan waren uit de synagoge, drongen de heidenen erop aan dat op de volgende sabbat dezelfde woorden tot hen gesproken zouden worden.

43En toen de synagoge uitgegaan was, volgden velen van de Joden en van de godvrezende proselieten Paulus en Barnabas. Die spraken tot hen

13:43
Hand. 11:23
14:22
en spoorden hen aan om bij de genade van God te blijven.

44En op de volgende sabbat kwam bijna heel de stad samen om het Woord van God te horen.

45Maar toen de Joden de menigten zagen, werden zij met afgunst vervuld en spraken tegen wat er door Paulus gezegd werd; zij spraken niet alleen tegen, maar lasterden ook.

46Maar Paulus en Barnabas zeiden vrijmoedig:

13:46
Vers
Het was nodig dat het Woord van God eerst tot u gesproken zou worden,
13:46
Ex. 32:10
Jes. 55:5
Matt. 8:12
21:43
Rom. 10:19
maar aangezien u het verwerpt en uzelf het eeuwige leven niet waard oordeelt, zie, wij wenden ons tot de heidenen.

47Zo immers heeft de Heere ons geboden:

13:47
Jes. 42:6
49:6
Luk. 2:32
Ik heb u tot een licht voor de heidenen gesteld, opdat u tot zaligheid zou zijn tot aan het uiterste van de aarde.

Paulus en Barnabas naar Ikonium

48Toen nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich en prezen het Woord van de Heere, en er geloofden er zovelen als er bestemd waren voor het eeuwige leven.

49En het Woord van de Heere verbreidde zich door heel het land.

50Maar de Joden stookten de godvrezende en aanzienlijke vrouwen en de voornaamsten van de stad op

13:50
2 Tim. 3:11
en ontketenden een vervolging tegen Paulus en Barnabas, en zij verdreven hen uit hun gebied.

51Maar zij schudden tegen hen het stof van hun voeten af en gingen naar Ikonium.

52En de discipelen werden vervuld met blijdschap en met de Heilige Geest.

14

141En het gebeurde in Ikonium dat zij samen de synagoge van de Joden binnengingen en zo spraken dat een grote menigte, zowel van Joden als van Grieken, geloofde.

2Maar de Joden die ongehoorzaam waren, wekten in de zielen van de heidenen onrust en verbittering tegen de broeders.

3Zij verbleven daar dan lange tijd en spraken vrijmoedig, in vertrouwen op de Heere,

14:3
Mark. 16:20
Hand. 19:11
Hebr. 2:4
Die getuigenis gaf aan het Woord van Zijn genade en tekenen en wonderen door hun hand liet gebeuren.

4En de bevolking van de stad raakte verdeeld. Sommigen waren voor de Joden, anderen voor de apostelen.

Paulus en Barnabas naar Lystre en Derbe

5En toen er een oploop ontstond, zowel van heidenen als van Joden, met hun leiders, om hen smadelijk te behandelen en te stenigen,

6

14:6
Matt. 10:23
Hand. 8:1
vluchtten zij, toen dit tot hen doorgedrongen was, naar de steden van Lycaonië, namelijk Lystre en Derbe, en de omgeving ervan.

7En zij verkondigden daar het Evangelie.

8En er zat in Lystre een man

14:8
Hand. 3:2
die geen macht had over zijn voeten: hij was kreupel van de moederschoot af en had nooit kunnen lopen.

9Deze hoorde Paulus spreken. Die keek hem doordringend aan en toen hij zag dat hij geloof had om gezond te worden,

10zei hij met luide stem: Sta recht op uw voeten!

14:10
Jes. 35:6
En hij sprong op en liep rond.

11En de menigten, die zagen wat Paulus gedaan had, verhieven hun stem en zeiden in het Lycaonisch:

14:11
Hand. 28:6
De goden zijn aan mensen gelijk geworden en naar ons afgedaald.

12En zij noemden Barnabas Zeus en Paulus Hermes, omdat hij het woord voerde.

13En de priester van Zeus, wiens tempel vóór hun stad lag, bracht ossen en kransen bij de poorten en wilde samen met de menigten offeren.

14Maar toen de apostelen Barnabas en Paulus dat hoorden, scheurden zij hun kleren, stortten zich in de menigte en riepen:

15Mannen,

14:15
Hand. 10:26
Openb. 19:10
22:9
waarom doet u dit? Ook wij zijn mensen net zoals u, en wij verkondigen u juist dat u zich van deze zinloze dingen moet bekeren tot de levende God,
14:15
Gen. 1:1
Ps. 33:6
124:8
146:6
Openb. 14:7
Die de hemel, de aarde, de zee en alles wat erin is, gemaakt heeft.

16

14:16
Ps. 81:13
Hij heeft in de tijden die achter ons liggen al de heidenen hun eigen wegen laten gaan,

17

14:17
Rom. 1:19
hoewel Hij Zichzelf toch niet onbetuigd liet door goed te doen: Hij gaf ons vanuit de hemel regen en vruchtbare tijden en verzadigde ons hart met voedsel en vreugde.

18En door dit te zeggen, konden zij de menigten er maar nauwelijks van weerhouden, aan hen te offeren.

De terugkeer naar Antiochië

19Maar er kwamen Joden uit Antiochië en Ikonium, die de menigten overtuigden; en zij

14:19
2 Kor. 11:25
stenigden Paulus en sleepten hem de stad uit, omdat zij dachten dat hij dood was.

20Maar toen de discipelen hem omringd hadden, stond hij op en ging de stad in, en de volgende dag vertrok hij met Barnabas naar Derbe.

21En nadat zij aan die stad het Evangelie verkondigd hadden en veel discipelen gemaakt hadden, keerden zij terug naar Lystre, Ikonium en Antiochië,

22en zij versterkten de zielen van de discipelen,

14:22
Hand. 11:23
13:43
spoorden hen aan in het geloof te blijven en zeiden
14:22
Matt. 10:38
16:24
Luk. 24:26
2 Tim. 3:12
dat wij door veel verdrukkingen in het Koninkrijk van God moeten ingaan.

23En toen zij in elke gemeente door het opsteken van de handen voor hen ouderlingen gekozen hadden en onder vasten gebeden hadden, droegen zij hen op aan de Heere, in Wie zij nu geloofden.

24En na Pisidië doorgereisd te hebben, kwamen zij in Pamfylië.

25En toen zij in Perge het Woord gesproken hadden, kwamen zij naar Attalia.

26En daarvandaan voeren zij

14:26
Hand. 13:1
naar Antiochië, waar zij aan de genade van God opgedragen waren voor het werk dat zij volbracht hadden.

27Toen zij daar aangekomen waren, riepen zij de gemeente bijeen en deden er verslag van wat voor grote dingen God met hen gedaan had, en dat Hij voor de heidenen de deur van het geloof geopend had.

28En zij verbleven daar geen korte tijd met de discipelen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]