Herziene Statenvertaling (HSV)
2

Karakter en doel van de prediking

21En ik, broeders, toen ik bij u kwam,

2:1
Vers
ben niet gekomen om u met voortreffelijkheid van woorden of van wijsheid het getuigenis van God te verkondigen,

2want ik had mij voorgenomen niets anders onder u te weten dan Jezus Christus, en Die gekruisigd.

3

2:3
Hand. 18:1
En ik was bij u in
2:3
Hand. 18:3
2 Kor. 10:10
zwakheid, met vrees en veel beven.

4En mijn spreken en mijn prediking

2:4
Vers
bestonden niet in overtuigende woorden van menselijke wijsheid, maar in het betonen van geest en kracht,

5opdat uw geloof niet zou bestaan in wijsheid van mensen,

2:5
2 Kor. 4:7
maar in kracht van God.

6

2:6
Job 28:21
En wij spreken wijsheid onder de geestelijk volwassenen,2:6 volwassenen - Letterlijk: volmaakten. maar een wijsheid
2:6
Jak. 3:15
niet van deze wereld, en ook niet van de leiders van deze wereld,
2:6
1 Kor. 15:24
die tenietgedaan worden.

7Wij spreken echter

2:7
Rom. 16:25
de wijsheid van God, als een geheimenis; een wijsheid
2:7
1 Kor. 4:1
die verborgen was en die God vóór alle eeuwen voorbestemd heeft tot onze heerlijkheid;

8

2:8
Matt. 11:25
Joh. 7:48
Hand. 13:27
2 Kor. 3:14
een wijsheid die niemand van de leiders van deze wereld gekend heeft.
2:8
Joh. 16:3
Hand. 3:17
13:27
1 Tim. 1:13
Immers, als zij die gekend hadden, zouden zij de Heere der heerlijkheid niet gekruisigd hebben.

9Maar het is zoals geschreven staat:

2:9
Jes. 64:4
Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, dat is wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben.

10

2:10
Matt. 13:11
2 Kor. 3:18
Aan ons echter heeft God het geopenbaard door Zijn Geest. De Geest immers onderzoekt alle dingen, zelfs de diepten van God.

11

2:11
Spr. 27:19
Jer. 17:9
Want wie van de mensen kent de dingen van de mens dan de geest van de mens, die in hem is? Zo kent ook niemand de dingen van God dan de Geest van God.

12En wij hebben niet ontvangen de geest van de wereld,

2:12
Rom. 8:15
maar de Geest Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen die ons door God genadig geschonken zijn.

13Van die dingen spreken wij ook,

2:13
Vers
niet met woorden die de menselijke wijsheid ons leert, maar met woorden die de Heilige Geest ons leert, om geestelijke dingen met geestelijke dingen te vergelijken.

14Maar de natuurlijke mens neemt de dingen van de Geest van God niet aan, want ze zijn dwaasheid voor hem. Hij kan ze ook niet leren kennen, omdat ze geestelijk beoordeeld worden.

15

2:15
Spr. 28:5
De geestelijke mens beoordeelt wel alle dingen, zelf echter wordt hij door niemand beoordeeld.

16

2:16
Jes. 40:13
Rom. 11:34
Want wie heeft de gedachten van de Heere gekend, dat hij Hem zal onderrichten? Maar wij hebben de gedachten van Christus.

3

Waarschuwing tegen verdeeldheid

31En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot mensen die geestelijk zijn, maar als tot mensen die nog vleselijk zijn, als tot jonge kinderen in Christus.

2

3:2
Hebr. 5:12
1 Petr. 2:2
Ik heb u met melk gevoed en niet met vast voedsel, want u kon dat nog niet verdragen; ja, u kunt dat ook nu nog niet,

3want u bent nog vleselijk.

3:3
1 Kor. 1:11
Gal. 5:19
Jak. 3:16
Als er immers onder u afgunst is en ruzie en tweedracht, bent u dan niet vleselijk en wandelt u dan niet naar de mens?

4Want als iemand zegt:

3:4
1 Kor. 1:12
Ik ben van Paulus, en een ander: Ik van Apollos, bent u dan niet vleselijk?

5Wie is Paulus dan, en wie is

3:5
Hand. 18:24
1 Kor. 1:12
16:12
Apollos, anders dan dienaren, door wie u tot geloof gekomen bent, en dat zoals de Heere aan ieder van hen gegeven heeft?

6Ik heb geplant,

3:6
Hand. 18:26
19:1
Apollos heeft begoten, maar God heeft laten groeien.

7Dus is dan noch hij die plant iets, noch hij die begiet, maar God, Die laat groeien.

8En hij die plant en hij die begiet, zijn één,

3:8
Ps. 62:13
Jer. 17:10
32:19
Matt. 16:27
Rom. 2:6
14:12
2 Kor. 5:10
Gal. 6:5
Openb. 2:23
22:12
maar ieder zal zijn eigen loon ontvangen overeenkomstig zijn eigen inspanning.

9Want Gods

3:9
2 Kor. 6:1
medearbeiders zijn wíj. Gods akker en Gods
3:9
Efez. 2:20
Kol. 2:7
1 Petr. 2:5
bouwwerk bent ú.

Christus het enige fundament

10Overeenkomstig de genade van God die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd en een ander bouwt daarop. Ieder dient er echter op toe te zien hoe hij daarop bouwt.

11Want niemand kan een ander fundament leggen dan

3:11
Jes. 28:16
Matt. 16:18
wat gelegd is, dat is Jezus Christus.

12Of nu iemand op dit fundament bouwt met goud, zilver, edelstenen, hout, hooi of stro,

13ieders werk zal openbaar worden.

3:13
Jes. 8:20
48:10
Jer. 23:29
1 Petr. 1:7
4:12
De dag zal het namelijk duidelijk maken, omdat die in vuur verschijnt. En hoe ieders werk is, zal het vuur beproeven.

14Als iemands werk dat hij op het fundament gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen.

15Als iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden. Hijzelf echter zal behouden worden, maar wel zo: als door vuur heen.

16

3:16
1 Kor. 6:19
2 Kor. 6:16
Hebr. 3:6
1 Petr. 2:5
Weet u niet dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont?

17Als iemand de tempel van God te gronde richt, zal God hem te gronde richten, want de tempel van God is heilig, en deze tempel bent u.

18

3:18
Spr. 3:7
Jes. 5:21
Laat niemand zichzelf bedriegen. Als iemand onder u denkt dat hij wijs is in deze wereld, laat hij dwaas worden, opdat hij wijs zal worden.

19Want de wijsheid van deze wereld is dwaasheid bij God, want er staat geschreven:

3:19
Job 5:13
Hij vangt de wijzen in hun sluwheid.

20En opnieuw:

3:20
Ps. 94:11
De Heere kent de overwegingen van de wijzen, dat zij zinloos zijn.

21Laat daarom niemand roemen in mensen, want alles is van u:

22hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Kefas, hetzij de wereld, hetzij het leven, hetzij de dood, hetzij tegenwoordige dingen, hetzij toekomstige dingen, alles is van u.

23U echter bent van Christus en Christus is van God.

4

Dienaren van Christus

41Laat ieder mens ons zó beschouwen, namelijk

4:1
Matt. 24:45
2 Kor. 6:4
Kol. 1:25
Tit. 1:7
als dienaren van Christus en beheerders van de geheimenissen van God.

2En verder wordt van de beheerders verlangd

4:2
Luk. 12:42
dat zij betrouwbaar blijken te zijn.

3Maar het betekent zeer weinig voor mij dat ik door u beoordeeld word of door enig menselijk oordeel.4:3 menselijk oordeel - Letterlijk: menselijke dag. Ja, ik beoordeel ook mijzelf niet.

4Want ik ben mij van niets bewust,

4:4
Ex. 34:7
Job 9:2
Ps. 143:2
maar daardoor ben ik nog niet gerechtvaardigd. Wie mij echter beoordeelt, is de Heere.

5

4:5
Matt. 7:1
Rom. 2:1
Oordeel daarom niets vóór de tijd, totdat de Heere komt.
4:5
Dan. 7:10
Openb. 20:12
Hij zal ook wat in de duisternis verborgen is aan het licht brengen, en de voornemens van het hart openbaar maken. En dan zal ieder van God lof ontvangen.

6Deze dingen nu, broeders, heb ik ter wille van u op mijzelf en Apollos toegepast, met de bedoeling dat u van ons leert

4:6
Spr. 3:7
Rom. 12:3
niets te bedenken boven wat er geschreven staat, opdat niemand zich ten gunste van de een boven de ander verheft.

7Want wie maakt onderscheid tussen u?

4:7
Joh. 3:27
Jak. 1:17
En wat hebt u dat u niet hebt ontvangen? En als u het ook ontvangen hebt, waarom roemt u alsof u het niet ontvangen had?

8U bent al verzadigd, u bent al rijk geworden, u bent al gaan regeren zonder ons. Regeerde u ook maar, opdat ook wij met u zouden mogen regeren!

9Want ik denk dat God ons, de laatste apostelen, heeft tentoongesteld

4:9
Ps. 44:23
Rom. 8:36
2 Kor. 4:11
als mensen die ter dood veroordeeld zijn. Wij zijn immers
4:9
Hebr. 10:33
een schouwspel geworden voor de wereld en voor engelen en voor mensen.

10

4:10
1 Kor. 2:3
Wij zijn dwaas om Christus' wil, maar u bent wijs in Christus, wij zwak, maar u sterk, u geëerd, maar wij veracht.

11Tot op dit moment lijden wij én honger én dorst, én zijn wij naakt, én worden wij met vuisten

4:11
Hand. 23:2
geslagen, én hebben wij geen vaste woonplaats,

12

4:12
Hand. 18:3
20:34
1 Thess. 2:9
2 Thess. 3:8
én spannen wij ons in door met onze eigen handen te werken. Worden wij uitgescholden,
4:12
Matt. 5:44
Luk. 6:28
23:34
Hand. 7:60
Rom. 12:14
dan zegenen wij. Worden wij vervolgd, dan verdragen wij.

13Worden wij belasterd, dan bidden wij. Wij zijn geworden als het uitvaagsel van de wereld en het afschraapsel van allen tot nu toe.

14Ik schrijf deze dingen niet om u te beschamen, maar

4:14
1 Thess. 2:11
als mijn geliefde kinderen wijs ik u terecht.

15Want al had u tienduizend leermeesters in Christus, daarmee hebt u nog niet vele vaders:

4:15
Hand. 18:11
Gal. 4:19Jak. 1:18
in Christus Jezus heb ík u immers door het Evangelie verwekt.

16Ik roep u er dus toe op:

4:16
1 Kor. 11:1
Filipp. 3:17
1 Thess. 1:6
2 Thess. 3:9
word mijn navolgers.

17Daarom heb ik Timotheüs naar u toe gestuurd, die mijn geliefde en trouwe zoon is in de Heere. Hij zal u in herinnering brengen mijn wegen, die in Christus zijn, zoals ik overal in elke gemeente onderwijs.

18Maar sommigen hebben zich heel gewichtig voorgedaan, alsof ik niet naar u toe zou komen.

19Maar ik zal spoedig naar u toe komen,

4:19
Hand. 18:21
Hebr. 6:3
Jak. 4:15
zo de Heere wil. En ik zal dan van hen die zich zo gewichtig hebben voorgedaan, niet de woorden leren kennen, maar de kracht.

20

4:20
1 Kor. 2:4
1 Thess. 1:5
2 Petr. 1:16
Want het Koninkrijk van God bestaat niet in woorden, maar in kracht.

21Wat wilt u? Moet ik met de roede naar u toe komen, of in liefde en in een geest van zachtmoedigheid?