Herziene Statenvertaling (HSV)
12

Vele gaven, één Geest

121Wat nu de geestelijke gaven betreft, broeders, wil ik niet dat u onwetend bent.

2U weet dat u heidenen was, weggetrokken naar de stomme afgoden. Zo liet u zich meevoeren.

3Daarom maak ik u bekend

12:3
Mark. 9:39
dat niemand die door de Geest van God spreekt, zegt: Jezus is een vervloekte. Ook kan niemand zeggen: Jezus is
12:3
Joh. 13:13
1 Kor. 8:6
Heere, dan door de Heilige Geest.

4

12:4
Rom. 12:6
1 Petr. 4:10
Er is verscheidenheid van genadegaven, maar het is dezelfde Geest.

5Er is verscheidenheid van bedieningen, en het is dezelfde Heere.

6Er is verscheidenheid van werkingen, maar het is dezelfde God, Die alles in allen werkt.

7Aan ieder echter wordt de openbaring van de Geest gegeven tot wat nuttig is voor de ander.

8Want aan de één wordt door de Geest een woord van wijsheid gegeven en aan de ander een woord van kennis, door dezelfde Geest;

9en aan een ander geloof, door dezelfde Geest, en aan een ander genadegaven van genezingen, door dezelfde Geest;

10en aan een ander werkingen van krachten, en aan een ander profetie, en aan een ander het onderscheiden van geesten, en aan een ander allerlei talen,12:10 allerlei talen - Letterlijk: soorten van talen; zie ook de verzen 28 en 30. en aan een ander uitleg van talen.

11Al deze dingen echter

12:11
Rom. 12:3,6
Efez. 4:7
werkt één en dezelfde Geest,
12:11
1 Kor. 7:7
2 Kor. 10:13
Die aan ieder afzonderlijk uitdeelt zoals Hij wil.

Vele leden, één lichaam

12

12:12
Rom. 12:4,5
Efez. 4:16
Want zoals het lichaam één is en veel leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, hoewel het er veel zijn, één lichaam zijn, zo is het ook met Christus.

13Ook wij allen immers zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt,

12:13
Gal. 3:28
hetzij dat wij Joden zijn, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen; en wij allen zijn van één Geest doordrenkt.

14Want ook het lichaam bestaat niet uit één lid, maar uit vele.

15Als de voet zou zeggen: Omdat ik geen hand ben, ben ik niet van het lichaam, is hij daarom dan niet van het lichaam?

16En als het oor zou zeggen: Omdat ik geen oog ben, ben ik niet van het lichaam, is het daarom dan niet van het lichaam?

17Als het hele lichaam oog was, waar zou het gehoor zijn? Als het hele lichaam gehoor was, waar zou de reuk zijn?

18Maar nu heeft God de leden, elk van hen afzonderlijk, in het lichaam een plaats gegeven zoals Hij gewild heeft.

19Als zij alle één lid waren, waar zou het lichaam zijn?

20Nu echter zijn er wel veel leden, maar is er slechts één lichaam.

21En het oog kan niet zeggen tegen de hand: Ik heb je niet nodig, of vervolgens het hoofd tegen de voeten: Ik heb jullie niet nodig.

22Ja, meer nog, de leden van het lichaam die de zwakste schijnen te zijn, zijn echter juist noodzakelijk.

23En aan de leden van het lichaam die wij als minder eervol beschouwen, verlenen wij groter eer en onze oneerbare leden krijgen een grotere eer.

24Onze eerbare leden echter hebben dat niet nodig. Maar God heeft het lichaam zo samengesteld, dat Hij aan het lid dat tekortkomt, groter eer gaf,

25opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn, maar de leden voor elkaar gelijke zorg zouden dragen.

26En als één lid lijdt, lijden alle leden mee. Als één lid eer ontvangt, verblijden alle leden zich mee.

27

12:27
Rom. 12:5
Efez. 1:23
4:12
5:23
Kol. 1:24
Samen bent u namelijk het lichaam van Christus, en ieder afzonderlijk Zijn leden.

28God nu heeft sommigen in de gemeente een plaats gegeven:

12:28
Efez. 4:11
ten eerste apostelen,
12:28
Efez. 2:20
ten tweede profeten, ten derde leraars, vervolgens krachten, daarna genadegaven van genezingen, vormen van hulpverlening, bestuurlijke gaven, allerlei talen.

29Zijn zij soms allen apostelen? Zijn zij soms allen profeten? Zijn zij soms allen leraars? Zijn zij soms allen krachten?

30Hebben zij soms allen genadegaven van genezingen? Spreken zij soms allen in talen? Zijn zij soms allen uitleggers?

31Streef dus naar de beste genadegaven. En ik wijs u een weg die dit alles nog overtreft.

13

De uitnemendheid van de liefde

131Al zou ik de talen van de mensen en van de engelen spreken, maar ik had de liefde niet, dan zou ik klinkend koper of een schallende cimbaal zijn geworden.

2

13:2
Matt. 7:22
Rom. 12:7
En al zou ik de gave van de profetie hebben en alle geheimenissen weten en alle kennis bezitten, en al zou ik al het geloof hebben zodat ik
13:2
Matt. 17:20
21:21
Mark. 11:23
Luk. 17:6
bergen zou verzetten, maar ik had de liefde niet, dan was ik niets.

3En al zou ik al mijn bezittingen uitdelen tot levensonderhoud van de armen, en al zou ik mijn lichaam overgeven om verbrand te worden, maar ik had de liefde niet, het baatte mij niets.

4

13:4
Spr. 10:12
1 Petr. 4:8
De liefde is geduldig,

zij is vriendelijk,

de liefde is niet jaloers,

de liefde pronkt niet,

zij doet niet gewichtig,

5zij handelt niet ongepast,

zij

13:5
1 Kor. 10:24
Filipp. 2:4
zoekt niet haar eigen belang,

zij wordt niet verbitterd,

zij denkt geen kwaad,

6zij verblijdt zich niet over de ongerechtigheid,

maar

13:6
2 Joh. vs.
verheugt zich over de waarheid,

7zij bedekt alle dingen,

zij gelooft alle dingen,

zij hoopt alle dingen,

zij verdraagt alle dingen.

8De liefde vergaat nooit.

Wat dan profetieën betreft,

zij zullen tenietgedaan worden,

wat talen betreft, zij zullen ophouden,

wat kennis betreft, zij zal tenietgedaan worden.

9Want wij kennen ten dele en wij profeteren ten dele,

10maar wanneer het volmaakte zal gekomen zijn,

zal wat ten dele is, tenietgedaan worden.

11Toen ik een kind was,

sprak ik als een kind,

dacht ik als een kind,

overlegde ik als een kind,

maar nu ik een man geworden ben,

heb ik het kinderlijke tenietgedaan.

12

13:12
2 Kor. 3:18
Nu immers kijken wij door middel van een spiegel in een raadsel,

maar dan zullen wij zien van aangezicht tot aangezicht.

Nu ken ik ten dele,

maar dan zal ik kennen,

zoals ik zelf gekend ben.

13En nu blijven geloof, hoop en liefde, deze drie,

maar de meeste van deze is de liefde.

14

Profetie en talen

141Jaag de liefde na en streef naar de geestelijke gaven, en vooral daarnaar dat u mag profeteren.

2Wie namelijk in een andere taal spreekt, spreekt niet tot mensen, maar tot God, want niemand begrijpt het, maar in zijn geest spreekt hij geheimenissen.

3Wie echter profeteert, spreekt tot mensen woorden van opbouw en vermaning en troost.

4Wie in een andere taal spreekt, bouwt zichzelf op, maar wie profeteert, bouwt de gemeente op.

5En ik zou wel willen dat u allen in andere talen spreekt, maar vooral dat u profeteert. Immers, wie profeteert, is meer dan wie in andere talen spreekt, tenzij hij het uitlegt, opdat de gemeente erdoor opgebouwd wordt.

6En nu, broeders, als ik naar u toe zou komen en in andere talen zou spreken, wat voor voordeel zou ik u brengen, als ik ook niet tot u zou spreken óf door openbaring, óf door kennis, óf door profetie, óf door onderricht?

7Dat geldt ook de levenloze dingen die geluid geven, of het nu een fluit is of een citer, als zij zich niet onderscheiden in hun klanken, hoe zal men weten wat op de fluit of op de citer gespeeld wordt?

8Want ook als de bazuin een onherkenbaar geluid geeft, wie zal zich gereedmaken voor de strijd?

9Zo is het ook als u door de taal geen goed verstaanbaar woord voortbrengt. Hoe zal dan begrepen worden wat er gezegd wordt? U bent dan namelijk als iemand die maar wat in de lucht spreekt.

10Er zijn, al naar het voorvalt, zoveel soorten geluiden in de wereld, en niet één daarvan is zonder eigen klank.

11Als ik dan de betekenis14:11 betekenis - Letterlijk: kracht. van het geluid niet ken, zal ik voor hem die spreekt een buitenlander zijn en zal hij die spreekt voor mij een buitenlander zijn.

12Zo ook u, als u naar geestelijke gaven streeft,14:12 naar geestelijke gaven streeft - Letterlijk: ijverend bent naar geestelijke gaven. zoek er dan naar om overvloedig te zijn in gaven tot opbouw van de gemeente.

13Daarom, laat hij die in een andere taal spreekt, bidden dat hij het mag uitleggen.

14Want als ik in een andere taal bid, bidt mijn geest, maar mijn verstand blijft zonder vrucht.

15Hoe is het dan? Ik zal met mijn geest bidden, maar ik zal ook met mijn verstand bidden.

14:15
Efez. 5:19
Kol. 3:16
Ik zal met mijn geest lofzingen, maar ik zal ook met mijn verstand lofzingen.

16Want anders, als u dankzegt met uw geest, hoe zal hij die de plaats inneemt van de niet-ingewijde, amen zeggen op uw dankzegging, wanneer hij niet weet wat u zegt?

17Immers, u dankt wel op een mooie manier, maar de ander wordt niet opgebouwd.

18Ik dank mijn God dat ik in meer andere talen spreek dan u allen.

19In de gemeente echter wil ik liever vijf woorden spreken met mijn verstand, om ook anderen te onderwijzen, dan tienduizend woorden in een andere taal.

20

14:20
Matt. 18:3
19:14
Efez. 4:14
1 Petr. 2:1,2
Broeders, word geen kinderen in uw denken, maar wees kinderlijk in de slechtheid, en word in uw denken volwassen.14:20 volwassen - Letterlijk: volmaakt.

21

14:21
Deut. 28:49
Jes. 28:11
In de wet staat geschreven: Door mensen die een andere taal spreken, en door andere lippen zal Ik spreken tot dit volk, en ook dan zullen zij niet naar Mij luisteren, zegt de Heere.

22Zo zijn de andere talen dus tot een teken, niet voor hen die geloven, maar voor de ongelovigen, en zo is de profetie niet voor de ongelovigen, maar voor hen die geloven.

23Als nu de hele gemeente samen zou komen, en allen spraken in andere talen, en er kwamen niet-ingewijden of ongelovigen binnen, zouden zij dan niet zeggen dat u buiten zinnen bent?

24Maar als allen zouden profeteren, en er kwam een ongelovige of niet-ingewijde binnen, dan zou die door allen overtuigd en door allen beoordeeld worden.

25En zo worden de verborgen dingen van zijn hart openbaar, en zo zal hij zich met het gezicht ter aarde werpen en God aanbidden, en verkondigen dat God werkelijk in uw midden is.

Orde in gemeente en eredienst

26Hoe is het dan, broeders? Telkens wanneer u samenkomt, heeft iedereen een psalm, of hij heeft een onderwijzing, of hij heeft een andere taal, of hij heeft een openbaring, of hij heeft een uitleg. Laat alles gebeuren tot opbouw.

27En als iemand in een andere taal spreekt, laat het dan door twee of hoogstens drie mensen gedaan worden, ieder op zijn beurt, en laat één het uitleggen.

28Maar als er geen uitlegger is, laat hij dan in de gemeente zwijgen, maar laat hij tot zichzelf spreken en tot God.

29En laten twee of drie profeten spreken, en laten de anderen het beoordelen.

30En als aan een ander die daar zit, iets geopenbaard wordt, laat dan de eerste zwijgen.

31Want u kunt allen, de één na de ander, profeteren, opdat allen leren en allen bemoedigd14:31 bemoedigd - Of: vermaand. worden.

32En de geesten van de profeten zijn aan de profeten zelf onderworpen.

33Want God is geen God van wanorde, maar van vrede, zoals in alle gemeenten van de heiligen.

34

14:34
1 Tim. 2:12
Laten uw vrouwen in de gemeenten zwijgen. Het is hun immers niet toegestaan te spreken, maar bevolen onderdanig te zijn, zoals ook
14:34
Gen. 3:16
Efez. 5:22
Kol. 3:18
Tit. 2:5
1 Petr. 3:1
de wet zegt.

35En als zij iets willen leren, laten zij dat dan thuis aan hun eigen man vragen. Het is immers schandelijk voor vrouwen om in de gemeente te spreken.

36Of is het Woord van God van ú uitgegaan? Of heeft het alleen ú bereikt?

37Als iemand denkt dat hij een profeet is of een geestelijk mens, laat hij dan erkennen dat wat ik u schrijf geboden van de Heere zijn.

38Maar als iemand onwetend wil zijn, laat hij onwetend zijn.

39Daarom, broeders, streef ernaar om te profeteren, en verhinder het spreken in andere talen niet.

40Laat alle dingen op een gepaste wijze en in goede orde gebeuren.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]