Herziene Statenvertaling (HSV)
13

Het beest dat uit de zee opkomt

131En ik zag uit de zee

13:1
Dan. 7:20
Openb. 17:3
een beest opkomen, dat zeven koppen en tien hoorns had, en op zijn hoorns waren tien diademen, en op zijn koppen een godslasterlijke naam.

2En het beest dat ik zag, leek op een panter, en zijn poten waren als die van een beer, en zijn muil was als de muil van een leeuw. En de draak gaf hem zijn kracht, zijn troon en grote macht.

3En ik zag een van zijn koppen als dodelijk gewond,13:3 dodelijk gewond - Letterlijk: geslacht. maar zijn dodelijke wond werd genezen. En de hele aarde ging het beest met verwondering achterna.

4En zij aanbaden de draak, omdat hij aan het beest macht gegeven had. En zij aanbaden het beest en zeiden: Wie is aan dit beest

13:4
Openb. 18:18
gelijk? En wie kan er oorlog tegen voeren?

5En het werd een mond gegeven om grote woorden en godslasteringen te spreken, en het werd macht gegeven om dit

13:5
Openb. 11:2
tweeënveertig maanden lang te doen.

6En het opende zijn mond om God te lasteren, om Zijn Naam te lasteren en Zijn tent en hen die in de hemel wonen.

7En

13:7
Dan. 7:21
Openb. 11:7
het beest werd macht gegeven om oorlog te voeren tegen de heiligen en om hen te overwinnen, en hem werd macht gegeven over elke stam, taal en volk.

8En allen die op de aarde wonen, zullen het aanbidden, althans

13:8
Ex. 32:33
Filipp. 4:3
Openb. 3:5
20:12
21:27
van wie de namen niet zijn geschreven in het boek des levens van het Lam Dat geslacht is,
13:8
Openb. 17:8
van de grondlegging van de wereld af.

9Indien iemand oren heeft, laat hij horen.

10Als iemand in gevangenschap voert, die gaat zelf in gevangenschap.

13:10
Gen. 9:6
Matt. 26:52
Als iemand met het zwaard doodt, die moet zelf met het zwaard gedood worden.
13:10
Openb. 14:12
Hier is de volharding en het geloof van de heiligen.

Het beest dat uit de aarde opkomt

11En ik zag een ander beest opkomen,

13:11
Openb. 11:7
uit de aarde, en het had twee hoorns, als die van het Lam, maar het sprak als de draak.

12En het oefent al de macht van het eerste beest

13:12
Openb. 19:20
voor zijn ogen uit, en het maakt dat de aarde en zij die er wonen het eerste beest aanbidden, waarvan de
13:12
Vers
3
dodelijke wond genezen was.

13En het doet

13:13
2 Thess. 2:9
Openb. 16:14
grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel laat neerkomen op de aarde, voor de ogen van de mensen.

14En

13:14
Deut. 13:1
Matt. 24:24
Openb. 16:14
19:20
het misleidt hen die op de aarde wonen door middel van de tekenen die het gegeven zijn te doen voor de ogen van het beest. En het zegt tegen hen die op de aarde wonen, dat zij een beeld moeten maken voor het beest dat de wond van het zwaard had en weer levend werd.

15En hem werd macht gegeven om een geest te geven aan het beeld van het beest, opdat het beeld van het beest zelfs zou spreken, en zou maken dat allen die

13:15
Openb. 19:20
het beeld van het beest niet zouden aanbidden, gedood zouden worden.

16En het maakt dat men aan allen, kleinen en groten, rijken en armen, vrijen en slaven

13:16
Openb. 19:20
een merkteken geeft op hun rechterhand of op hun voorhoofd,

17en het maakt dat niemand kan kopen of verkopen, behalve hij die dat merkteken heeft, of

13:17
Openb. 14:11
de naam van het beest of het getal van zijn naam.

18Hier is

13:18
Openb. 17:9
de wijsheid: wie verstand heeft, laat hij het getal van het beest berekenen, want het is een getal van een mens, en zijn getal is zeshonderdzesenzestig.

Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
13

131

13:1
Dan. 7:3-8
Op. 17:3,7-12
Toen zag ik uit de zee een beest opkomen. Het had tien horens en zeven koppen; het had een kroon op elke horen, en er stonden godslasterlijke namen op zijn koppen. 2Het beest dat ik zag leek op een panter, met poten als van een beer en een bek als de muil van een leeuw. De draak droeg zijn kracht en heerschappij en gezag aan het beest over. 3Een van de koppen van het beest zag eruit alsof hij geslacht was; het was een dodelijke verwonding, maar de wond genas. Vol bewondering ging de hele wereld achter het beest aan. 4Iedereen aanbad de draak, omdat hij het beest gezag had gegeven. Ook het beest zelf aanbaden ze, met de woorden: ‘Wie is gelijk aan het beest? Wie kan het tegen hem opnemen?’ 5
13:5
Dan. 7:11,20
Het beest kon zijn bek gebruiken voor grootspraak en godslasteringen, en dat tweeënveertig maanden lang. 6
13:6
Dan. 7:8,25
11:36
Het opende zijn bek en lasterde God, zijn naam en zijn woning en hen die in de hemel wonen. 7
13:7
Dan. 7:21
Op. 11:7
Het mocht de strijd met de heiligen aanbinden en hen overwinnen. Ook kreeg het macht over alle landen en volken, over mensen van elke stam en taal. 8
13:8
Op. 3:5
20:12,15
Alle mensen die op aarde leven zullen het beest aanbidden, iedereen van wie de naam niet vanaf het begin van de wereld in het boek van het leven staat, het boek van het lam dat geslacht is.

9

13:9
Op. 2:7
Wie oren heeft, moet horen. 10
13:10
Jer. 15:2
43:11
Op. 14:12
Wie gevangenschap moet verduren, zal in gevangenschap gaan. En wie door het zwaard moet sterven, zal sterven door het zwaard. Hier komt het aan op de standvastigheid en trouw van de heiligen.

11Toen zag ik een tweede beest, dat opkwam uit de aarde. Het had twee horens, net als een lam, en het sprak als een draak. 12Voor de ogen van het eerste beest oefende het heel diens macht uit. Het dwong de aarde en alle mensen die erop leefden het eerste beest, dat van zijn dodelijke verwonding genezen was, te aanbidden. 13

13:13
Mat. 24:24
Marc. 13:22
Het verrichtte indrukwekkende tekenen, het liet voor de ogen van de mensen zelfs vuur uit de hemel neerdalen op de aarde. 14Het wist de mensen die op aarde leven te misleiden door de tekenen die het voor de ogen van het eerste beest kon verrichten. Het droeg hun op een beeld te maken voor het beest dat ondanks zijn steekwond toch leefde. 15
13:15
Dan. 3:5-7,15
Het kreeg de macht om dat beeld leven in te blazen, zodat het beeld van het beest ook kon spreken en ervoor kon zorgen dat iedereen die het beeld niet aanbad, gedood zou worden. 16
13:16
Op. 7:3
14:9-11
16:2
19:20
20:4
Verder liet het bij alle mensen, jong en oud, rijk en arm, slaaf en vrije, een merkteken zetten op hun rechterhand of op hun voorhoofd. 17Alleen mensen met dat teken – dat wil zeggen de naam van het beest of het getal van die naam – konden iets kopen of verkopen.

18

13:18
Op. 17:9
Hier komt het aan op wijsheid. Laat ieder die inzicht heeft het getal van het beest ontcijferen; er wordt een mens mee aangeduid. Het getal is zeshonderdzesenzestig.