Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

11Sefanja was een profeet. Hij was een zoon van Kusi en een kleinzoon van Gedalja. Gedalja was een zoon van Amarja, en dat was weer een zoon van Hizkia.

De Heer sprak tegen Sefanja toen Josia, de zoon van Amon, koning van Juda was.

Hier volgen de woorden van de Heer en van Sefanja.

De dag van de Heer

De Heer zal alles vernietigen

2De Heer zegt: ‘Ik ga alles op aarde vernietigen! 3Ik zal alle mensen en dieren doden, ook de vogels en de vissen. Want de mensen zijn slecht. Daarom zal er niemand op aarde in leven blijven.

4Ik zal ook de mensen in Jeruzalem en Juda straffen. Daar zal ik de priesters van de god Baäl doden, en iedereen die hem vereert. 5En iedereen die op het dak van zijn huis bidt tot de sterren.

Er zijn ook mensen die tot mij bidden en zeggen dat ze mij dienen. Maar tegelijk dienen ze de god Milkom. Die mensen zal ik ook doden. 6En ook de mensen die niets meer van me willen weten, en mij niet om raad vragen. Ik zal alles en iedereen vernietigen.’

De dag van de Heer is dichtbij

7Wees stil, volk van Juda! Want de Heer komt. De dag dat hij komt, is dichtbij! Dan zal hij een feestmaal geven voor zijn gasten, maar jullie zullen daar niet bij zijn.

8De Heer zegt: ‘Op die dag zal ik de zonen van de koning en alle hoge ambtenaren straffen. En ook iedereen die de gewoontes van andere volken overneemt, 9en iedereen die rekening houdt met andere goden. Ik straf ook iedereen die steelt en moordt voor de koning. Ik straf hen allemaal op de dag dat ik kom.’

Iedereen is bang voor de Heer

10De Heer zegt: ‘Je zult mensen horen schreeuwen in de Vispoort. Je zult mensen horen huilen in de nieuwe wijken. Ook buiten Jeruzalem zal iedereen wanhopig zijn. 11Huil maar, als je in de Vijzelbuurt woont! Er zal niets meer te koop zijn, en er zal geen geld meer zijn om mee te betalen.

12Ik kijk overal in Jeruzalem rond. Ik straf alle mensen die alleen maar leven voor hun eigen plezier. Ze denken zeker dat ik hen met rust zal laten, 13maar ze raken alles kwijt. Hun huizen worden verwoest. Als ze een nieuw huis bouwen, zullen ze er niet in wonen. Als ze een wijngaard planten, krijgen ze de wijn niet te drinken.’

De dag van de Heer is verschrikkelijk

14Het duurt niet lang meer tot de Heer komt. Dat zal een verschrikkelijke dag zijn. Nog maar even en het is zover. Je zult het wel horen! Ook de dapperste mensen zullen dan schreeuwen van angst.

15De woede van de Heer is groot. De dag dat hij komt, zal een dag zijn van angst en ellende. Het zal een dag zijn van storm en verwoesting, een donkere dag zonder licht, een dag van zwarte wolken. 16Dan waarschuwt het alarm voor gevaar: het is oorlog! Sterke steden worden verwoest, de torens op de muren storten in.

17Dan zullen de mensen bang zijn voor de Heer. Want ze hebben dingen gedaan die de Heer verboden heeft. Ze zullen rondlopen zonder doel, alsof ze blind zijn. Ze gaan dood, hun bloed stroomt over de straat. Hun lichaam ligt te verrotten. 18Ze hebben niets aan hun geld, dat kan hen niet redden als de Heer woedend is. Want dan zal het hele land in brand staan, en iedereen sterft een vreselijke dood.

2

De mensen in Juda worden gewaarschuwd

21Volk van Juda, wat zijn jullie slecht! Denk toch na en begrijp hoe erg het is. 2Doe dat voordat de Heer zijn plannen uitvoert. Want de tijd gaat snel. Doe het voordat de Heer jullie zijn woede laat voelen. Voordat hij jullie straft, voordat de dag van de Heer begint.

3Maar sommigen van jullie zijn trouw aan de Heer en leven volgens zijn wetten. Zij moeten zich alleen op hem richten, en goed en eenvoudig proberen te leven. Misschien zullen ze dan veilig zijn op de dag van de Heer.

De Heer straft alle vijanden

De Filistijnen worden gestraft

4In de stad Gaza zal niemand meer wonen. Askelon wordt een kale vlakte. Uit Asdod wordt iedereen weggejaagd op het heetst van de dag. En de stad Ekron zal verdwijnen. 5Luister, Filistijnen! Jullie zijn uit Kreta gekomen, jullie wonen nu in Kanaän, in de buurt van de zee. Maar het zal slecht met jullie aflopen. De Heer zal zorgen dat daar niemand van jullie meer blijft wonen.

6-7In het land van de Filistijnen groeit dan alleen nog maar gras. Hun land is dan voor de mensen uit Juda die nog in leven zijn. Die laten er hun dieren eten, en er staan schuren voor de schapen en de geiten. En zelf zullen ze ’s avonds gaan slapen in de huizen van Askelon. Want de Heer zal medelijden hebben met de mensen uit Juda. En hij zal zorgen dat er een nieuwe tijd voor hen komt.

De Moabieten en de Ammonieten worden gestraft

8-9De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Ik heb gehoord hoe de Moabieten lachen om mijn volk. En hoe de Ammonieten mijn volk beledigen. Ze zeggen dat het land Juda niets voorstelt. Daarom zal er met het land van die volken hetzelfde gebeuren als met de steden Sodom en Gomorra: hun land wordt voor altijd een kale vlakte waar niets meer wil groeien. De mensen uit Juda die nog in leven zijn, zullen alles uit de huizen van de Moabieten en de Ammonieten stelen. En ze zullen hun land in bezit nemen.’

10Zo zal de machtige Heer die volken straffen. Want ze vinden zichzelf geweldig, en ze lachen om het volk van de Heer. 11Maar ze zullen bang worden voor de Heer. Want hij zal de goden van de hele wereld vernietigen. Dan zullen alle mensen hem gaan dienen, overal op aarde.

De Nubiërs en de Assyriërs worden gestraft

12De Heer zal naar het zuiden gaan. Hij zal zorgen dat het volk van Nubië sterft in een oorlog.

13De Heer zal ook naar het noorden gaan. Hij zal Assyrië straffen, hij zal dat land verwoesten. Er zal niemand meer wonen in Nineve. Die stad wordt een plaats waar niets meer wil groeien. 14Er komen alleen maar wilde dieren. Die vinden er een plek om te rusten. Uilen en kraaien slapen er tussen het puin. De wind blaast door de gaten in de muren. De deuren zijn kapot, de stukken hout liggen op de grond.

15Dat blijft er over van die stad, die nu nog vrolijk is. Nu denken de mensen nog dat ze daar veilig zijn. Ze zeggen: ‘Er is maar één Nineve!’ Maar ach, die stad wordt een verlaten vlakte. Wilde dieren vinden er een plek om te rusten. Iedereen die er komt, slaat van schrik zijn hand voor zijn mond.