Bijbel in Gewone Taal (BGT)
6

De achtste droom: de vier wagens

61Mijn droom ging verder, en ik zag vier wagens. Die kwamen tevoorschijn tussen twee bergen. De bergen waren van koper. 2Voor de eerste wagen stonden lichtbruine paarden. Voor de tweede wagen stonden zwarte paarden. 3Voor de derde wagen stonden witte paarden, en voor de vierde gevlekte. Het waren allemaal sterke paarden.

4Ik vroeg aan de engel wat dat allemaal betekende. 5Hij antwoordde: ‘Dat zijn de vier winden, die doen wat de Heer van de hele aarde zegt. 6De wagen met de zwarte paarden gaat naar het noorden. De wagen met de witte paarden gaat naar het westen, en de wagen met de gevlekte paarden naar het zuiden.’

7Ik zag dat de paarden ongeduldig waren. Ze wilden weg, om de hele aarde over te gaan. Toen zei de engel: ‘Ga maar, ga de hele aarde over.’ En meteen gingen ze alle kanten op. 8De engel riep naar mij: ‘Kijk naar de paarden die naar het noorden gaan! Zij zullen zorgen dat daar gebeurt wat de Heer wil.’

Zacharia moet een kroon laten maken

9De Heer zei tegen mij: 10‘Er zijn drie mannen uit Babylonië teruggekomen. Ze heten Cheldai, Tobia en Jedaja. Ze logeren in het huis van Josia, de zoon van Sefanja. Ze hebben geschenken meegebracht. Jij moet vandaag nog naar hen toe gaan, om die geschenken aan te nemen.

11Van het goud en zilver dat je van hen krijgt, moet je een kroon laten maken. Zet die kroon op het hoofd van hogepriester Jozua, de zoon van Josadak.

12-13Zeg dan tegen Jozua: ‘Let op! Er komt een nieuwe koning uit de familie van David. Hij zal steeds machtiger worden, en hij zal een nieuwe tempel bouwen voor de Heer. Hij zal koninklijke eer krijgen en op de koninklijke troon zitten. Er zal ook een priester zijn met een eigen troon. Samen zullen zij het land besturen en zorgen dat er vrede is.

14De kroon moet in de tempel van de Heer bewaard blijven. Dan zullen Cheldai, Tobia, Jedaja en Josia niet vergeten worden. Dat zegt de machtige Heer.’’

Zacharia spreekt tegen het volk

15Er zullen mensen uit verre landen naar Jeruzalem komen om te helpen bij de bouw van de tempel. Dat zal gebeuren als jullie luisteren naar de Heer, jullie God. En dan zullen jullie begrijpen dat de machtige Heer mij gestuurd heeft.

7

De Heer spreekt opnieuw tegen Zacharia

Een vraag over rouwen en vasten

71In het vierde jaar dat Darius koning was, sprak de Heer opnieuw tegen mij. Dat gebeurde op de vierde dag van de negende maand.

2-3Er was een groep mannen uit Betel naar Jeruzalem gekomen, onder leiding van Sareser en Regem-Melech. Ze gingen naar de tempel om de machtige Heer te eren. Daar stelden ze een vraag aan de priesters en de profeten: ‘Wij rouwen en vasten elk jaar in de vijfde maand. Dat doen we al heel lang. Moeten we daarmee door blijven gaan?’

4-5Toen gaf de machtige Heer mij een boodschap voor het volk en de priesters. Ik moest het volgende tegen hen zeggen: ‘Al zeventig jaar rouwen en vasten jullie in de vijfde en de zevende maand. Doen jullie dat echt voor de Heer, of alleen voor jezelf? 6Als jullie eten en drinken, dan doen jullie dat toch ook voor jezelf?’

Een boodschap over het verleden

7Ik moest ook zeggen: ‘De Heer heeft al eerder profeten naar jullie toe gestuurd. Toen woonden er veel mensen in Jeruzalem, en het was er rustig en veilig. Zo was het ook in de steden eromheen, en in het zuiden en westen van het land.

8-9En nu stuurt de machtige Heer mij! Dit is zijn boodschap: Spreek eerlijk recht, wees goed voor elkaar en zorg voor elkaar. 10Onderdruk geen weduwen en geen kinderen zonder vader, geen vreemdelingen en geen arme mensen. Maak geen plannen om elkaar kwaad te doen.

11Jullie voorouders hebben niet naar de profeten geluisterd. Ze stopten hun oren dicht, zodat ze niets konden horen. 12-13Ze weigerden om te luisteren naar de wetten en regels die de machtige Heer hun gaf. Ze hoorden niet wat de profeten namens hem zeiden.

Toen is de machtige Heer woedend geworden. Hij zei: ‘Als zij niet naar mij luisteren, dan zal ik ook niet naar hen luisteren! 14Ik zal hen wegjagen naar landen die ze niet kennen. En hun eigen land blijft leeg achter. Er komt niemand meer.’

Zo is dat mooie land een verschrikkelijke plek geworden.’

8

Een boodschap over de toekomst

81-2Maar nu zegt de machtige Heer: ‘Ik houd veel van Jeruzalem, heel veel! Daarom straf ik de vijanden van mijn volk. 3Ik kom terug naar de berg Sion, en ik ga weer in Jeruzalem wonen. Jeruzalem krijgt een nieuwe naam: Stad van Trouw. En de Sion, de berg van de machtige Heer, heet nu Heilige Berg.

4Op de pleinen van Jeruzalem zullen weer oude mensen zitten, mannen en vrouwen. Ze zijn zo oud dat ze een stok nodig hebben om te lopen. 5De pleinen zullen vol zijn met kinderen, met spelende jongens en meisjes.

6Jullie zijn nog maar met weinig mensen. Daarom denken jullie nu dat zo’n wonder niet mogelijk is. Maar ik ben de machtige Heer, voor mij is alles mogelijk!

7-8Ik zal mijn volk bevrijden. Ik haal de Israëlieten terug uit de hele wereld en ik laat hen weer in Jeruzalem wonen. Zij zullen mijn volk zijn, en ik zal hun God zijn. Ik zal trouw en goed voor hen zijn.’

Het volk zal weer gelukkig worden

9Dit zegt de machtige Heer: ‘De profeten hebben gesproken toen het werk aan mijn tempel begon. Nu horen jullie opnieuw wat zij toen gezegd hebben. En daarom moeten jullie het werk volhouden!

10Eerst werkte iedereen zonder dat het iets opleverde. Het was nergens veilig, want ik zorgde ervoor dat de mensen vijanden van elkaar waren.

11Maar nu zal ik zorgen dat jullie het beter krijgen. 12Wie zaait, krijgt een goede oogst. Er zullen druiven groeien in de wijngaard, er zal koren groeien op het land. En er zal regen vallen als het nodig is. Daar zal ik voor zorgen. Want jullie zijn mijn volk.

13Jullie werden door de andere volken ongelukkig genoemd. Jullie, het volk van Juda en van Israël! Maar nu zal ik jullie helpen. Ik zal zorgen dat die andere volken jullie gelukkig gaan noemen! Verlies de moed niet, houd vol.’

Het volk moet leven zoals de Heer wil

14Dit zegt de machtige Heer: ‘Jullie voorouders maakten mij boos. Daarom besloot ik om ze kwaad te doen, en dat heb ik gedaan. 15Maar nu is het anders. Nu heb ik besloten om te zorgen dat het goed gaat met Jeruzalem en Juda. Jullie moeten dus niet de moed verliezen.

16Dit is hoe jullie moeten leven: Wees eerlijk tegen elkaar en spreek eerlijk recht, zodat er vrede tussen jullie is. 17Maak geen plannen om een ander kwaad te doen. En lieg niet als je voor de rechter staat. Want dat vind ik vreselijk.’ Dat zegt de machtige Heer.

Het volk hoeft niet meer te vasten

18-19De machtige Heer sprak opnieuw tegen mij. Dit was zijn boodschap: ‘De mensen in Juda vasten op sommige dagen in de vierde, de vijfde, de zevende en de tiende maand. Vanaf nu zullen dat feestdagen worden, dagen waarop iedereen vrolijk en blij is. Maar de mensen moeten wel eerlijk tegen elkaar zijn en in vrede met elkaar leven.’

Alle volken zullen de Heer vereren

20De machtige Heer sprak opnieuw tegen mij. Dit was zijn boodschap: ‘Er zullen weer mensen uit andere steden en landen naar Jeruzalem komen. 21Onderweg zullen ze tegen iedereen zeggen: ‘Kom met ons mee! Wij zijn op weg om de Heer te eren, we willen bidden tot de machtige Heer!’

22Grote, machtige volken zullen naar Jeruzalem komen om daar te bidden en mij te eren.

23In die tijd zal het gebeuren dat er tien vreemdelingen naar een Joodse man toe komen. Ze spreken verschillende talen, maar ze zullen allemaal zeggen: ‘Wij hebben gehoord dat God bij uw volk is. Daarom willen we met u meegaan.’’