Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

De vierde droom: hogepriester Jozua

31Daarna zag ik hogepriester Jozua staan. Tegenover hem stond een engel van de Heer, en naast hem stond Satan. Satan beschuldigde Jozua van slechte dingen. 2Maar de engel zei tegen Satan: ‘De Heer verbiedt je om te spreken! Want hij heeft Jozua zelf gered uit Babylonië. En hij heeft Jeruzalem uitgekozen als stad voor zijn tempel.’

3Jozua had vuile kleren aan toen hij tegenover de engel stond. 4De engel gaf zijn dienaren opdracht om hem die kleren uit te trekken. En tegen Jozua zei hij: ‘Kijk, ik geef je schone, witte kleren. Dat is het teken dat de Heer al je schuld weggenomen heeft.’ 5Toen zei ik: ‘Jozua heeft ook een nieuwe tulband nodig.’

Daarna deden de dienaren Jozua schone, witte kleren aan, en ze zetten een nieuwe tulband op zijn hoofd. De engel van de Heer bleef erbij staan.

6Toen zei de engel tegen Jozua: 7‘Dit zegt de machtige Heer: ‘Als je leeft volgens mijn wetten en regels, dan mag je voor mijn tempel zorgen. En dan mag je mij dienen samen met mijn engelen.

8Luister naar mij, hogepriester Jozua, samen met de andere priesters. Ik zal jullie een teken van de nieuwe toekomst geven: ik zal mijn dienaar sturen, een nieuwe koning uit de familie van David.

9Ik zal ook een steen voor je neerleggen, Jozua, een steen waar zeven ogen op getekend staan. Ik, de machtige Heer, zal er zelf op schrijven. En ik zal in één dag de schuld van dit land wegnemen. 10Dan zal iedereen elkaar uitnodigen om samen in vrede te eten en te drinken.’’

4

De vijfde droom: de kandelaar en de olijfbomen

41De engel die alles uitlegde, kwam terug. In mijn droom maakte hij me wakker. 2Hij vroeg me wat ik zag.

Ik antwoordde dat ik een gouden kandelaar zag. De bovenkant van de kandelaar zag eruit als een ronde schaal. Aan de rand van die schaal zaten zeven olielampjes, en elk lampje had zeven pitten en zeven buisjes voor de olie. 3Naast de kandelaar stonden twee olijfbomen, één aan de linkerkant en één aan de rechterkant.

4Ik vroeg aan de engel: ‘Wat betekent dat, heer?’ 5‘Begrijp je dat niet?’ zei de engel. En ik antwoordde: ‘Nee, heer.’ 6-14Toen zei de engel: ‘Die zeven lampjes op de kandelaar, dat zijn de ogen van de Heer, die overal op aarde rondkijken.’

Ik stelde de engel nog een vraag: ‘En wat betekenen die twee olijfbomen naast de kandelaar? En die twee olijftakken, met die twee gouden buisjes waar olie doorheen loopt?’

‘Begrijp je dat niet?’ zei de engel. En ik antwoordde: ‘Nee, heer.’ Toen zei de engel: ‘Dat zijn twee mannen. De Heer van de hele aarde heeft die twee mannen uitgekozen als zijn dienaren.’

Een boodschap over Zerubbabel

Daarna gaf de engel me een boodschap van de Heer over Zerubbabel, de bestuurder van Juda. Dit was de boodschap van de Heer: ‘Zerubbabel moet niet vertrouwen op zijn eigen kracht, maar alleen op mij. Want ik zal hem helpen om alle moeilijkheden te overwinnen. Hij zal zelf de laatste steen voor de tempel op zijn plaats leggen. Dan zal iedereen juichen.

Zerubbabel is al begonnen met het werk aan de tempel, en hij zal het ook afmaken. Dan zal hij begrijpen dat ik, de machtige Heer, jou gestuurd heb.

Toen Zerubbabel met het werk begon, had niemand er vertrouwen in. Maar iedereen zal juichen als ze hem zien met de laatste steen in zijn handen.’

5

De zesde droom: het boek in de lucht

51Mijn droom ging weer verder, en ik zag hoog in de lucht een groot boek vliegen. 2De engel die alles uitlegde, vroeg: ‘Wat zie je?’ Ik zei: ‘Hoog in de lucht zie ik een groot, geopend boek. Het is 10 meter breed en 5 meter hoog.’

3De engel zei: ‘In dat boek staat dat er overal in het land mensen gestraft zullen worden. Iedereen die steelt, wordt gestraft. En ook iedereen die liegt, en toch zegt: ‘God weet dat ik de waarheid spreek!’

4De machtige Heer zegt dat al die dieven en leugenaars gestraft zullen worden. Hun huizen worden verwoest, er blijft niets van over! De Heer zal daar zelf voor zorgen.’

De zevende droom: de vrouw in de ton

5De engel die alles uitlegde, kwam opnieuw naar me toe. Hij zei: ‘Kijk eens wat daar tevoorschijn komt!’ 6Ik vroeg: ‘Wat is dat?’ ‘Dat is een grote houten ton,’ zei de engel. ‘Daarin zit het kwaad dat overal in het land gedaan wordt.’

7Op de ton lag een zwaar deksel van lood. Toen dat deksel openging, zag ik een vrouw in de ton zitten. 8De engel zei: ‘Zij is het kwaad!’ Hij duwde de vrouw naar beneden en deed het deksel weer dicht.

9Toen ik omhoogkeek, zag ik in de lucht twee vrouwen dichterbij komen. Ze hadden vleugels die leken op de vleugels van een ooievaar. De vrouwen werden vooruitgeblazen door de wind. Ze tilden de ton op van de grond en vlogen ermee weg, hoog de lucht in.

10Ik vroeg aan de engel die alles uitlegde: ‘Waar brengen de vrouwen die ton naartoe?’ 11‘Naar Babylonië,’ zei hij. ‘Daar gaan ze een tempel bouwen voor die vrouw. En als de tempel klaar is, wordt de ton daar neergezet. Dan zal de vrouw daar vereerd worden.’