Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

De tweede droom: de vier hoorns

21Mijn droom ging verder, en ik zag vier hoorns. Het waren hoorns van bokken. 2Ik vroeg aan de engel die alles uitlegde, wat dat betekende. En hij antwoordde: ‘Die hoorns zijn de machtige volken die het volk van Israël weggejaagd hebben uit Juda en Jeruzalem.’

3Daarna zag ik vier mannen met hamers. 4Ik vroeg wat die kwamen doen, en de engel zei: ‘Die mannen komen de hoorns kapotslaan. Want de Heer zal de volken vernietigen die het volk van Israël weggejaagd hebben uit Juda. Ze hebben de Israëlieten onderdrukt en bang gemaakt, maar nu zullen ze zelf bang worden.’

De derde droom: de man met het touw

5Mijn droom ging verder, en ik zag een man met een stuk touw in zijn hand.

6Ik vroeg aan die man waar hij heen ging, en hij zei: ‘Ik ga meten hoeveel land er nog bij Jeruzalem is. Want ik moet weten hoe groot de stad kan worden.’

7Toen zag ik weer de engel die alles uitlegde. Er kwam een andere engel naar hem toe, 8die zei: ‘Ga snel naar die man met dat touw! En zeg tegen hem dat er geen muren om Jeruzalem heen mogen komen. Want dan wordt de stad te klein voor alle mensen en dieren die er komen wonen. 9De Heer zal zelf een muur om de stad zijn, een muur van vuur die de stad beschermt. Hij zal in de stad wonen, als een stralend licht. Dat heeft hij zelf gezegd.’

De Israëlieten in Babylonië

10-11Daarna gaf de Heer mij een boodschap voor de Israëlieten die nog in Babylonië waren.

Dit was de boodschap van de Heer: ‘Ik heb jullie voorouders weggejaagd uit hun land, en jullie wonen zelf nog steeds in Babylonië. Maar nu moeten jullie daar weggaan! Kom terug naar Jeruzalem, want daar zullen jullie veilig zijn.

12-13Ik zal jullie onderdrukkers straffen. Want wie jullie iets aandoet, doet mij iets aan. Ik zal hen straffen, en jullie zullen over hen heersen.’

De machtige Heer heeft mij zelf die boodschap gegeven. Als hij jullie onderdrukkers straft, zullen jullie begrijpen dat hij mij gestuurd heeft.

De inwoners van Jeruzalem

14-15Ik kreeg nog een boodschap van de Heer: ‘Inwoners van Jeruzalem, wees blij en juich! Want ik, de Heer, kom weer terug naar jullie stad. En ik zal bij jullie blijven wonen. In die tijd zullen ook veel andere volken naar Jeruzalem komen om mij te vereren. En ook zij zullen bij mij horen.’

Als de machtige Heer terugkomt naar Jeruzalem, zullen jullie begrijpen dat hij mij naar jullie toe gestuurd heeft. 16Hij zal voor altijd in Juda wonen, in het heilige land. En Jeruzalem zal weer zijn stad zijn. 17De Heer zal uit de hemel komen, uit zijn heilige paleis. Als hij komt, moet iedereen stil zijn.

3

De vierde droom: hogepriester Jozua

31Daarna zag ik hogepriester Jozua staan. Tegenover hem stond een engel van de Heer, en naast hem stond Satan. Satan beschuldigde Jozua van slechte dingen. 2Maar de engel zei tegen Satan: ‘De Heer verbiedt je om te spreken! Want hij heeft Jozua zelf gered uit Babylonië. En hij heeft Jeruzalem uitgekozen als stad voor zijn tempel.’

3Jozua had vuile kleren aan toen hij tegenover de engel stond. 4De engel gaf zijn dienaren opdracht om hem die kleren uit te trekken. En tegen Jozua zei hij: ‘Kijk, ik geef je schone, witte kleren. Dat is het teken dat de Heer al je schuld weggenomen heeft.’ 5Toen zei ik: ‘Jozua heeft ook een nieuwe tulband nodig.’

Daarna deden de dienaren Jozua schone, witte kleren aan, en ze zetten een nieuwe tulband op zijn hoofd. De engel van de Heer bleef erbij staan.

6Toen zei de engel tegen Jozua: 7‘Dit zegt de machtige Heer: ‘Als je leeft volgens mijn wetten en regels, dan mag je voor mijn tempel zorgen. En dan mag je mij dienen samen met mijn engelen.

8Luister naar mij, hogepriester Jozua, samen met de andere priesters. Ik zal jullie een teken van de nieuwe toekomst geven: ik zal mijn dienaar sturen, een nieuwe koning uit de familie van David.

9Ik zal ook een steen voor je neerleggen, Jozua, een steen waar zeven ogen op getekend staan. Ik, de machtige Heer, zal er zelf op schrijven. En ik zal in één dag de schuld van dit land wegnemen. 10Dan zal iedereen elkaar uitnodigen om samen in vrede te eten en te drinken.’’

4

De vijfde droom: de kandelaar en de olijfbomen

41De engel die alles uitlegde, kwam terug. In mijn droom maakte hij me wakker. 2Hij vroeg me wat ik zag.

Ik antwoordde dat ik een gouden kandelaar zag. De bovenkant van de kandelaar zag eruit als een ronde schaal. Aan de rand van die schaal zaten zeven olielampjes, en elk lampje had zeven pitten en zeven buisjes voor de olie. 3Naast de kandelaar stonden twee olijfbomen, één aan de linkerkant en één aan de rechterkant.

4Ik vroeg aan de engel: ‘Wat betekent dat, heer?’ 5‘Begrijp je dat niet?’ zei de engel. En ik antwoordde: ‘Nee, heer.’ 6-14Toen zei de engel: ‘Die zeven lampjes op de kandelaar, dat zijn de ogen van de Heer, die overal op aarde rondkijken.’

Ik stelde de engel nog een vraag: ‘En wat betekenen die twee olijfbomen naast de kandelaar? En die twee olijftakken, met die twee gouden buisjes waar olie doorheen loopt?’

‘Begrijp je dat niet?’ zei de engel. En ik antwoordde: ‘Nee, heer.’ Toen zei de engel: ‘Dat zijn twee mannen. De Heer van de hele aarde heeft die twee mannen uitgekozen als zijn dienaren.’

Een boodschap over Zerubbabel

Daarna gaf de engel me een boodschap van de Heer over Zerubbabel, de bestuurder van Juda. Dit was de boodschap van de Heer: ‘Zerubbabel moet niet vertrouwen op zijn eigen kracht, maar alleen op mij. Want ik zal hem helpen om alle moeilijkheden te overwinnen. Hij zal zelf de laatste steen voor de tempel op zijn plaats leggen. Dan zal iedereen juichen.

Zerubbabel is al begonnen met het werk aan de tempel, en hij zal het ook afmaken. Dan zal hij begrijpen dat ik, de machtige Heer, jou gestuurd heb.

Toen Zerubbabel met het werk begon, had niemand er vertrouwen in. Maar iedereen zal juichen als ze hem zien met de laatste steen in zijn handen.’