Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

11Zacharia was een profeet. Hij was een zoon van Berechja en een kleinzoon van Iddo.

De Heer sprak tegen Zacharia in het tweede jaar dat Darius koning van Perzië was. Dat gebeurde in de achtste maand van dat jaar.

De Heer spreekt tegen Zacharia

Het volk moet anders gaan leven

2De Heer zei: ‘Ik ben woedend geweest op de voorouders van je volk, en ik heb ze gestraft. 3-4Maar nu moet jij namens mij tegen het volk zeggen: ‘Ik ben de machtige Heer. Jullie moeten weer gaan leven zoals ik het wil. Dan zal ik bij jullie terugkomen.

Jullie moeten het anders doen dan jullie voorouders! Ook naar hen heb ik profeten gestuurd. Die profeten zeiden tegen jullie voorouders dat ze beter moesten gaan leven. En dat ze weer moesten gaan doen wat ik wilde. Maar ze hebben niet geluisterd.

5Die profeten leven niet meer, en ook jullie voorouders zijn allang gestorven. 6Maar voordat jullie voorouders stierven, heb ik hen gestraft. Want ze luisterden niet naar de profeten, en ze leefden niet volgens mijn wetten.’’

Toen de mensen hoorden wat Zacharia zei, gingen ze anders leven. Want ze begrepen dat de machtige Heer gedaan had wat hij gezegd had. Hij had hun voorouders gestraft voor hun slechte gedrag.

De dromen van Zacharia

7De Heer sprak nog een keer tegen de profeet Zacharia in het tweede jaar dat Darius koning was. Dat was op de 24ste dag van de elfde maand. Hier volgt het verslag van Zacharia over alles wat hij toen hoorde en zag.

De eerste droom: de man op het paard

8Vannacht kreeg ik een droom. En in die droom zag ik een man op een lichtbruin paard. Het paard stond tussen groene struiken aan de rand van het water. Verderop zag ik nog meer paarden staan: lichtbruine, donkerbruine en witte.

9Er was in mijn droom ook een engel die mij alles uitlegde. Ik vroeg hem: ‘Wat zijn dat voor paarden, en wie zijn de mannen die erop zitten?’ De engel antwoordde: ‘Dat zul je nu horen.’

10Toen zei de man op het paard tussen de struiken: ‘Dit zijn de ruiters die de Heer op weg gestuurd heeft. Zij moesten overal op aarde rondkijken.’ 11En de ruiters zeiden tegen de man: ‘Wij zijn overal op aarde geweest. Er is nergens oorlog meer, overal is het rustig.’

12Toen riep de engel: ‘Machtige Heer, u bent nu al zeventig jaar boos op Jeruzalem en de andere steden in Juda. Wanneer zult u weer laten zien dat u van ze houdt?’ 13De Heer stelde hem gerust met een vriendelijk antwoord.

Een boodschap van de Heer

14Daarna kreeg ik een opdracht van de engel die alles uitlegde. Ik moest naar het volk toe gaan met een boodschap van de machtige Heer. Dit was zijn boodschap: ‘Ik houd veel van Jeruzalem en van de berg Sion, heel veel. 15Maar ik ben kwaad op de andere volken, heel kwaad. Want zij denken dat ze alles mogen. Ze zijn te hard geweest voor mijn volk. Harder dan mijn volk verdiende, en harder dan ik wilde.

16Maar ik houd van mijn volk, en daarom kom ik terug naar Jeruzalem. Mijn tempel zal weer opgebouwd worden, en er komen weer nieuwe huizen in de stad.’

17En dit moest ik ook nog zeggen namens de machtige Heer: ‘Het zal weer goed gaan in alle steden van Juda. De Heer zal de mensen op de berg Sion weer moed geven. En hij zal weer in Jeruzalem wonen.’

2

De tweede droom: de vier hoorns

21Mijn droom ging verder, en ik zag vier hoorns. Het waren hoorns van bokken. 2Ik vroeg aan de engel die alles uitlegde, wat dat betekende. En hij antwoordde: ‘Die hoorns zijn de machtige volken die het volk van Israël weggejaagd hebben uit Juda en Jeruzalem.’

3Daarna zag ik vier mannen met hamers. 4Ik vroeg wat die kwamen doen, en de engel zei: ‘Die mannen komen de hoorns kapotslaan. Want de Heer zal de volken vernietigen die het volk van Israël weggejaagd hebben uit Juda. Ze hebben de Israëlieten onderdrukt en bang gemaakt, maar nu zullen ze zelf bang worden.’

De derde droom: de man met het touw

5Mijn droom ging verder, en ik zag een man met een stuk touw in zijn hand.

6Ik vroeg aan die man waar hij heen ging, en hij zei: ‘Ik ga meten hoeveel land er nog bij Jeruzalem is. Want ik moet weten hoe groot de stad kan worden.’

7Toen zag ik weer de engel die alles uitlegde. Er kwam een andere engel naar hem toe, 8die zei: ‘Ga snel naar die man met dat touw! En zeg tegen hem dat er geen muren om Jeruzalem heen mogen komen. Want dan wordt de stad te klein voor alle mensen en dieren die er komen wonen. 9De Heer zal zelf een muur om de stad zijn, een muur van vuur die de stad beschermt. Hij zal in de stad wonen, als een stralend licht. Dat heeft hij zelf gezegd.’

De Israëlieten in Babylonië

10-11Daarna gaf de Heer mij een boodschap voor de Israëlieten die nog in Babylonië waren.

Dit was de boodschap van de Heer: ‘Ik heb jullie voorouders weggejaagd uit hun land, en jullie wonen zelf nog steeds in Babylonië. Maar nu moeten jullie daar weggaan! Kom terug naar Jeruzalem, want daar zullen jullie veilig zijn.

12-13Ik zal jullie onderdrukkers straffen. Want wie jullie iets aandoet, doet mij iets aan. Ik zal hen straffen, en jullie zullen over hen heersen.’

De machtige Heer heeft mij zelf die boodschap gegeven. Als hij jullie onderdrukkers straft, zullen jullie begrijpen dat hij mij gestuurd heeft.

De inwoners van Jeruzalem

14-15Ik kreeg nog een boodschap van de Heer: ‘Inwoners van Jeruzalem, wees blij en juich! Want ik, de Heer, kom weer terug naar jullie stad. En ik zal bij jullie blijven wonen. In die tijd zullen ook veel andere volken naar Jeruzalem komen om mij te vereren. En ook zij zullen bij mij horen.’

Als de machtige Heer terugkomt naar Jeruzalem, zullen jullie begrijpen dat hij mij naar jullie toe gestuurd heeft. 16Hij zal voor altijd in Juda wonen, in het heilige land. En Jeruzalem zal weer zijn stad zijn. 17De Heer zal uit de hemel komen, uit zijn heilige paleis. Als hij komt, moet iedereen stil zijn.

3

De vierde droom: hogepriester Jozua

31Daarna zag ik hogepriester Jozua staan. Tegenover hem stond een engel van de Heer, en naast hem stond Satan. Satan beschuldigde Jozua van slechte dingen. 2Maar de engel zei tegen Satan: ‘De Heer verbiedt je om te spreken! Want hij heeft Jozua zelf gered uit Babylonië. En hij heeft Jeruzalem uitgekozen als stad voor zijn tempel.’

3Jozua had vuile kleren aan toen hij tegenover de engel stond. 4De engel gaf zijn dienaren opdracht om hem die kleren uit te trekken. En tegen Jozua zei hij: ‘Kijk, ik geef je schone, witte kleren. Dat is het teken dat de Heer al je schuld weggenomen heeft.’ 5Toen zei ik: ‘Jozua heeft ook een nieuwe tulband nodig.’

Daarna deden de dienaren Jozua schone, witte kleren aan, en ze zetten een nieuwe tulband op zijn hoofd. De engel van de Heer bleef erbij staan.

6Toen zei de engel tegen Jozua: 7‘Dit zegt de machtige Heer: ‘Als je leeft volgens mijn wetten en regels, dan mag je voor mijn tempel zorgen. En dan mag je mij dienen samen met mijn engelen.

8Luister naar mij, hogepriester Jozua, samen met de andere priesters. Ik zal jullie een teken van de nieuwe toekomst geven: ik zal mijn dienaar sturen, een nieuwe koning uit de familie van David.

9Ik zal ook een steen voor je neerleggen, Jozua, een steen waar zeven ogen op getekend staan. Ik, de machtige Heer, zal er zelf op schrijven. En ik zal in één dag de schuld van dit land wegnemen. 10Dan zal iedereen elkaar uitnodigen om samen in vrede te eten en te drinken.’’