Bijbel in Gewone Taal (BGT)
7

Laat zien hoe mooi je danst

De vriendinnen

71Dans, meisje uit Jeruzalem, dans!

We willen zien hoe mooi je danst.

Het meisje

Waarom willen jullie naar mij kijken,

als ik dans en ronddraai?

De jongen

2Wat zijn je voeten mooi, prinses,

je voeten in je sandalen.

Je heupen draaien mooi rond,

het lijkt wel het werk van een kunstenaar!

3Je navel lijkt op een ronde schaal

die gevuld is met kruidige wijn.

Je buik lijkt op een zacht hoopje tarwe,

met lelies eromheen.

4Je borsten lijken wel twee kalfjes,

of twee jonge herten.

5Je hals lijkt op een toren van ivoor.

Je ogen lijken op de vijvers van de stad Chesbon,

de vijvers bij de poort van Bat-Rabbim.

Je neus lijkt op een toren op de Libanon-bergen,

waar je uitkijkt over de stad Damascus.

6Je hoofd is zo hoog als de berg Karmel.

Om je hoofd krullen je glanzende haren,

die mij gevangen houden.

De jongen

7Wat ben je mooi,

wat ben je knap.

Je bent lief, zo lief!

8Je bent zo slank als een palmboom,

je borsten lijken op druiventrossen.

9-10Ik wil wel in die palmboom klimmen,

en me vasthouden aan zijn takken.

Ik wil je kussen en je liefde proeven met mijn lippen.

Want je adem is zo zoet als een appel,

je tong smaakt naar zoete wijn,

je borsten lijken op druiventrossen.

Laten we naar buiten gaan

Het meisje

11Ik ben van mijn liefste,

hij verlangt naar mij!

12Kom, mijn liefste, laten we naar buiten gaan,

laten we slapen tussen de bloemen.

13Laten we vroeg naar de wijngaard gaan.

Laten we kijken of de takken al groen worden

en de bloemen al bloeien.

Daar in de wijngaard zal ik je liefhebben.

14Je ruikt de geur al van de liefdesbessen.

Boven de poorten hangen allerlei vruchten,

vers geplukt of goed gedroogd.

Ik heb ze voor jou bewaard!