Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

Ruth en Noömi

Elimelech en zijn familie

11Toen de rechters het land bestuurden, was er eens hongersnood in Juda. Daarom besloot een man uit Betlehem naar het land Moab te gaan. Zijn vrouw en zijn twee zonen gingen mee.

2De man heette Elimelech. Zijn vrouw heette Noömi, en zijn zonen heetten Machlon en Kiljon. Ze kwamen uit het gebied Efrata in Juda.

Ze reisden naar Moab. Daar bleven ze als vreemdeling wonen.

De mannen sterven in Moab

3Na een tijd stierf Elimelech. Zijn vrouw bleef achter met haar twee zonen. 4De zonen trouwden met meisjes uit Moab. Het ene meisje heette Orpa, het andere meisje heette Ruth.

Na ongeveer tien jaar 5stierven ook de zonen. Noömi bleef toen alleen achter, zonder zonen en zonder man.

Noömi gaat terug

6Op een dag hoorde Noömi dat de Heer medelijden had gekregen met zijn volk. Hij had een einde gemaakt aan de honger in Juda. Daarom besloot Noömi terug te gaan naar haar eigen land. 7Ze ging weg uit Moab, waar ze al die tijd gewoond had. En allebei haar schoondochters gingen met haar mee.

Maar onderweg 8zei Noömi tegen haar schoondochters: ‘Nu moeten jullie teruggaan naar huis, naar je eigen moeder. Ik hoop dat de Heer goed voor jullie zal zijn. Want jullie zijn ook altijd goed geweest voor mij en voor mijn zonen. 9Ik hoop ook dat de Heer jullie allebei weer een man zal geven, en ook kinderen.’

Noömi kuste haar schoondochters om afscheid te nemen. Maar die begonnen te huilen. 10‘Nee,’ zeiden ze. ‘We willen met u mee, naar uw volk.’

Ruth en Orpa moeten in Moab blijven

11Noömi zei nog een keer: ‘Maar kinderen, ga toch terug! Waarom zouden jullie met mij meegaan? Denken jullie dat ik nog zonen kan krijgen? Zodat jullie met hen kunnen trouwen? 12Echt, jullie moeten teruggaan. Ik ben te oud om opnieuw te trouwen. Stel je voor dat ik vannacht nog met een man zou slapen, en dat ik nog zonen zou krijgen. 13Kunnen jullie dan wachten tot die volwassen zijn? En kunnen jullie zo lang alleen blijven? Nee, kinderen! De Heer is tegen mij. Daarom heb ik zo veel ongeluk. En daarom moeten jullie niet met mij meegaan.’

Ruth gaat met Noömi mee

14Toen begonnen Orpa en Ruth weer te huilen. Orpa kuste Noömi en nam afscheid. Maar Ruth sloeg haar armen om Noömi heen. 15Noömi zei tegen Ruth: ‘Kijk, je schoonzus gaat terug naar haar volk en haar god. Ga toch met haar mee!’

16Maar Ruth antwoordde: ‘Zeg toch niet steeds dat ik terug moet gaan! Ik laat u niet in de steek. Waar u heen gaat, daar ga ik heen. Waar u woont, daar wil ik ook wonen. Uw volk is mijn volk, en uw God is mijn God. 17Waar u sterft, daar wil ik ook sterven, en daar wil ik ook begraven worden. Alleen de dood kan ons scheiden. De Heer mag me straffen als ik u in de steek laat!’

18Toen begreep Noömi dat Ruth beslist met haar mee wilde gaan. Daarom zei ze er niets meer over. 19Samen gingen ze verder naar Betlehem.

Noömi en Ruth komen in Betlehem

Toen Noömi en Ruth in Betlehem aankwamen, begon iedereen over hen te praten. De vrouwen in de stad zeiden: ‘Dat is toch Noömi?’

20Maar Noömi zei: ‘Jullie moeten me niet Noömi, de gelukkige, noemen. Je kunt me beter Mara, de ongelukkige, noemen! Want de machtige God heeft mij erg ongelukkig gemaakt. 21Toen ik hier wegging, had ik alles nog. Nu heeft de Heer mij wel teruggebracht, maar ik heb niets en niemand meer. Dan kun je me toch niet gelukkig noemen? De machtige Heer is tegen mij. Daarom gaat het zo slecht met mij.’

22Zo kwam Noömi terug uit Moab, samen met Ruth, haar schoondochter uit Moab. Ze kwamen in Betlehem aan toen de boeren het koren gingen maaien.

2

Ruth ontmoet Boaz

Ruth gaat koren oprapen

21-3Op een dag zei Ruth tegen Noömi: ‘De boeren zijn koren aan het maaien. Ik wil graag naar het land gaan, en koren oprapen dat na het maaien is blijven liggen. Ik ga alleen maar koren oprapen bij een boer die dat goedvindt.’ Noömi zei: ‘Dat is goed, kind, doe dat maar.’

Ruth ging dus naar het land. Toevallig kwam ze op het land van een man die familie was van Noömi en Elimelech. Die man heette Boaz. Hij was rijk en belangrijk.

Boaz komt op het land

4Na een poosje kwam Boaz zelf vanuit Betlehem naar het land. Hij groette de knechten die aan het maaien waren, en zij groetten terug.

5Toen vroeg Boaz aan de knecht die de leiding had: ‘Wie is die jonge vrouw daar?’ 6‘Dat is een buitenlandse vrouw,’ zei de knecht. ‘Ze is met Noömi meegekomen uit Moab. 7Ze verzamelt koren dat na het maaien blijft liggen. Ze heeft gevraagd of dat mocht. Vanmorgen vroeg was ze hier al, en ze is de hele dag bezig. Ze is maar heel even gaan zitten.’

Boaz en Ruth ontmoeten elkaar

8Boaz ging naar Ruth toe. ‘Luister eens,’ zei hij. ‘Je moet niet naar een andere boer gaan. Blijf hier op het land bij de vrouwen die voor mij werken. 9Loop maar achter hen aan. Ik zal tegen mijn knechten zeggen dat ze je met rust moeten laten. Let jij maar op het koren dat op de grond gevallen is, en blijf dicht bij de andere vrouwen. En als je dorst hebt, kun je water halen bij de knechten.’

10Ruth maakte een diepe buiging en zei: ‘Waarom bent u zo vriendelijk voor mij? Waarom zorgt u zo goed voor me? U kent me helemaal niet.’ 11Boaz zei: ‘Ik heb veel over je gehoord. Ik weet hoe goed je voor Noömi geweest bent na de dood van je man. Je hebt je vader en je moeder en je geboorteland verlaten. En je bent met Noömi meegegaan naar mensen die je helemaal niet kende. 12De God van Israël zal je daarvoor belonen. Bij hem heb je hulp gezocht, en hij zal je beschermen.’

13Ruth zei: ‘Dank u wel. Ik werk niet eens voor u, en toch bent u zo vriendelijk voor me. Nu hoef ik me geen zorgen meer te maken.’

Boaz zorgt goed voor Ruth

14Toen het etenstijd was, zei Boaz tegen Ruth: ‘Kom maar hier, en eet wat brood en drink wat wijn.’ Ruth ging bij de knechten en de vrouwen zitten. Boaz gaf haar brood. Ruth at tot ze genoeg had, en ze hield zelfs nog wat over.

15Na het eten ging Ruth weer aan het werk. Boaz zei tegen de knechten: ‘Laat haar overal koren verzamelen, 16zeg er niets van. Jullie moeten juist wat extra koren voor haar laten liggen.’

17Ruth werkte door tot de avond. Toen schudde ze de graankorrels uit het koren dat ze opgeraapt had. Het was wel 30 kilo. 18Ze nam het allemaal mee terug naar de stad.

Ruth komt thuis

Ruth liet aan Noömi het graan zien dat ze verzameld had. En ze gaf ook het brood dat ze overhad van het eten op het land. 19‘Waar ben je vandaag geweest?’ riep Noömi. ‘Bij wie heb je gewerkt? God zal de man gelukkig maken die zo goed voor je geweest is!’ Ruth vertelde bij wie ze geweest was: ‘De man bij wie ik vandaag gewerkt heb, heet Boaz.’

20Toen zei Noömi: ‘De Heer zal Boaz zeker geluk geven! Want Boaz heeft gedaan wat hij moest doen. Voor jou en voor mij, maar ook voor onze gestorven mannen. Hij is familie van ons. Volgens de wet moet hij voor ons zorgen, nu onze mannen gestorven zijn.’

21Ruth zei: ‘Boaz heeft nog iets gezegd. Ik mag op zijn land blijven werken tot al het koren gemaaid is.’ 22‘Dat is fijn,’ zei Noömi. ‘Want op het land van iemand anders zou je misschien slecht behandeld worden.’

23Ruth bleef koren verzamelen op het land van Boaz tot al het koren gemaaid was. Al die tijd woonde ze bij Noömi.

3

Ruth vraagt hulp aan Boaz

Noömi heeft een plan

31Op een dag zei Noömi tegen Ruth: ‘Ik zou graag willen dat je een man had en kinderen.

2Luister. Je weet toch dat Boaz familie van ons is? Die Boaz bij wie je koren ging zoeken. Vanavond werkt hij op het land. 3Als jij nu eens naar hem toe gaat. Neem eerst een bad. Zorg dat je er mooi uitziet en dat je lekker ruikt. Ga dan naar het land, maar laat je nog niet aan Boaz zien. Als hij klaar is met eten en drinken, 4gaat hij slapen. Je moet opletten waar hij gaat liggen. Dan moet je bij zijn voeten de deken optillen en daar bij hem gaan liggen. En wacht verder maar af wat hij zegt.’

5‘Dat is goed,’ zei Ruth. 6En ze deed alles precies zoals Noömi gezegd had.

Ruth vraagt Boaz om hulp

7Toen Boaz gegeten en gedronken had, was hij helemaal tevreden. Hij ging tegen een hoop koren aan liggen en viel in slaap. Zachtjes liep Ruth naar hem toe. Ze tilde de deken op en ging bij zijn voeten liggen.

8Midden in de nacht schrok Boaz wakker. Hij draaide zich om en merkte dat er een vrouw aan zijn voeteneind lag. 9‘Wie ben jij?’ riep hij. ‘Ik ben het, Ruth,’ antwoordde Ruth. ‘Mag ik bij u blijven? U bent familie van mijn gestorven man. Dan moet u toch voor mij en Noömi zorgen?’

Boaz vindt Ruth een geweldige vrouw

10‘De Heer zal je gelukkig maken,’ zei Boaz. ‘Ik wist al dat je veel voor de familie doet. Maar nu wordt me dat nog duidelijker. Want je had best een andere man kunnen krijgen. Een jonge man, arm of rijk. Maar je komt naar mij. 11Wees niet bang, want ik zal alles doen wat je vraagt. Je bent een geweldige vrouw. Dat weet iedereen in de stad.

12Maar er is één probleem. Volgens de wet moet ik inderdaad voor jou en Noömi zorgen, omdat ik familie van jullie ben. Maar iemand anders in de familie is eigenlijk eerder aan de beurt. 13Morgen zoek ik uit of die man voor jullie wil zorgen. Als hij niet wil, dan doe ik het. Dat beloof ik echt. Maar ga nu eerst maar slapen en blijf hier tot het ochtend wordt.’

14Ruth bleef tot de ochtend bij Boaz.

Ruth gaat weer naar huis

Toen het nog donker was, stond Ruth op. Dan zou niemand zien dat zij op het land van Boaz geweest was. Want Boaz wilde niet dat iemand dat wist. 15Boaz zei: ‘Kom eens met je omslagdoek, en houd hem goed open.’ Hij deed zes grote scheppen graan in de doek en hielp haar om de doek met het graan op te tillen. Daarna ging hij weer naar de stad.

16Ruth ging terug naar Noömi. Die zei: ‘Hoe is het gegaan, kind?’ Ruth vertelde alles. 17En ze zei: ‘Kijk eens hoeveel graan ik gekregen heb! Boaz wilde niet dat ik met lege handen thuis zou komen.’ 18Noömi zei: ‘Wacht nu maar af hoe het verdergaat. Ik weet zeker dat Boaz alles zo snel mogelijk zal regelen.’