Bijbel in Gewone Taal (BGT)
6

De zonde heeft geen macht meer

De zonde beheerst ons leven niet meer

61Wat is nu de conclusie? Moeten we verkeerde dingen blijven doen, zodat God steeds kan laten zien hoe goed hij voor ons is? 2Nee, natuurlijk niet! De zonde heeft geen macht meer over ons. Dan moeten wij dus ook niet doorgaan met het doen van verkeerde dingen!

3-4Jullie weten wat de doop betekent. De doop laat zien dat we bij Jezus Christus horen. Door onze doop zijn we eigenlijk samen met hem gestorven en begraven. En door onze doop leven wij nu als nieuwe mensen. Want Christus leeft! Onze machtige Vader heeft hem laten opstaan uit de dood.

5Dus eigenlijk zijn we gestorven, net als Christus. Maar dan zullen we ook opstaan en eeuwig leven, net als Christus. 6Dit is zeker: ons oude ik is samen met Christus aan het kruis gestorven. Alleen zo kon er een eind komen aan ons zondige bestaan. Nu wordt ons leven niet meer beheerst door de zonde. 7Want als je gestorven bent, heeft de zonde geen macht meer over je. Dan ben je vrij.

Gods goedheid bepaalt ons leven

8Wij zijn gestorven met Christus. En daarom geloven we dat we ook eeuwig zullen leven met Christus. 9Dit is zeker: Christus is opgestaan uit de dood, en hij zal nooit meer sterven. Want de dood heeft geen macht meer over hem. 10Door zijn dood heeft Christus voor altijd een eind gemaakt aan de macht van de zonde. Nu leeft hij tot eer van God.

11Zo is het ook met ons. Ons oude ik is gestorven, dus de zonde heeft geen macht meer over ons. Wij leven tot eer van God, want we horen bij Jezus Christus.

12We leven nog als sterfelijke mensen met verkeerde verlangens. Maar daar mogen we niet aan toegeven! Want dan zou de zonde opnieuw macht over ons krijgen. 13Wij zijn vanuit de dood naar het leven gegaan. Doe daarom geen verkeerde dingen meer. Want daarmee leef je in dienst van de zonde. Maar doe het goede, want alleen dan leef je in dienst van God.

14De zonde zal geen macht meer over ons hebben. Want ons leven wordt niet bepaald door de Joodse wet, maar door Gods goedheid.

We zijn geen slaven van de zonde meer

15Betekent dit dat we kunnen doorgaan met het doen van verkeerde dingen? Nee, natuurlijk niet! 16Jullie weten hoe het gaat met slaven. Als je slaaf wordt van iemand, dan is hij je meester. Dan moet je hem gehoorzamen. Nu vraag ik jullie: Wie is jullie meester? Is dat de zonde, die leidt tot de dood? Of zijn jullie gehoorzaam aan God, zodat jullie gered worden?

17Gelukkig kan ik God danken! Want jullie waren eerst slaven van de zonde. Maar nu zijn jullie gehoorzame knechten geworden, in dienst van het goede nieuws.

18We zijn bevrijd uit de macht van de zonde. We zijn nu slaven van de God die ons wil redden. 19Ik zeg expres ‘slaven’, ook al klopt dat niet helemaal. Anders begrijpen jullie het misschien niet.

Wie bij God hoort, zal eeuwig leven

Vroeger lieten jullie je leiden door je verkeerde verlangens. Jullie gedrag werd slechter en slechter. Nu moeten jullie je laten leiden door het goede. Jullie moeten leven als mensen die bij God horen. 20Vroeger waren jullie slaven van de zonde. Toen hadden jullie niets te maken met de God die jullie wilde redden. 21En hoe leefden jullie toen? Jullie deden slechte dingen, waar je je nu voor schaamt. Zo’n leven leidt tot de dood.

22Maar nu zijn jullie bevrijd van de zonde. Nu zijn jullie slaven van God, nu leven jullie als mensen die bij God horen. Zo’n leven leidt tot het eeuwige leven.

23Wie gehoorzaam is aan de zonde, krijgt als beloning de dood. Maar wie bij God hoort, krijgt het geschenk dat God ons wil geven: het eeuwige leven, dankzij onze Heer Jezus Christus.

7

We zijn bevrijd van de zonde

De wet geldt niet meer voor ons

71Vrienden, jullie kennen de wet. De wet geldt voor een mens zolang hij leeft. 2Ik geef een voorbeeld. Een vrouw die getrouwd is, moet bij haar man blijven. Dat is een regel van de wet. Die regel geldt voor haar zolang haar man leeft. 3Stel dat ze de vrouw van een ander wordt terwijl haar man nog leeft. Dan doet ze iets dat de wet verbiedt. Maar als haar man sterft, dan geldt die regel niet meer voor haar. Dan mag ze volgens de wet de vrouw van een ander worden.

4Vrienden, dit voorbeeld gaat over ons. Wij zijn gestorven samen met Christus. Daarom geldt de wet niet meer voor ons. Wij horen nu bij Christus, die is opgestaan uit de dood. En daardoor kunnen we nu leven tot eer van God.

5Toen wij Christus nog niet kenden, werd ons leven beheerst door verkeerde verlangens. Wij deden alles wat de wet ons verbiedt. Daarom verdienden wij de dood.

6Maar nu is ons oude ik gestorven, en daardoor zijn we bevrijd van de wet. Die geldt niet meer voor ons. We zijn nu nieuwe mensen. Ons leven wordt niet meer bepaald door de wet, maar door de heilige Geest.

De zonde maakt misbruik van de wet

7Moeten we de conclusie trekken dat de wet en de zonde hetzelfde zijn? Nee, natuurlijk niet! Maar het zit zo: Door de wet leerden de mensen wat zonde is. Want de wet verbiedt alle verkeerde verlangens. Zo leerden de mensen die verlangens kennen. 8En de zonde zorgde ervoor dat ze naar hun verkeerde verlangens gingen luisteren. Zo maakt de zonde misbruik van de wet. Zonder de wet heeft de zonde geen enkele macht.

9Ooit leefden de mensen zonder de wet. Daarna kwam de wet, en door de wet kreeg de zonde macht over de mensen. 10De wet wilde de mensen het leven geven, maar bracht de dood. 11Dat kwam door de zonde, want de zonde maakte misbruik van de wet. De zonde heeft de mensen verleid om te doen wat de wet verbiedt. En daardoor moeten alle mensen sterven. 12Maar de wet zelf is heilig. Ja, de wet is heilig, eerlijk en goed.

Het lukt mensen niet om het goede te doen

13Waarom moeten alle mensen sterven? Komt dat door de wet? Nee, natuurlijk niet. Dat komt door de zonde! Want de wet is goed, maar de zonde maakt misbruik van de wet. Zo brengt de zonde voor de mensen de dood. De zonde is dus het echte kwaad.

14We weten dat God de wet gegeven heeft. Maar mensen zijn in de macht van de zonde, en ze zijn zwak. 15Ze kunnen hun eigen gedrag niet eens begrijpen. Want vaak doen ze niet wat ze willen doen. Ze doen juist verkeerde dingen, die ze absoluut niet willen doen.

16Mensen willen wel het goede doen. Daaraan kun je zien dat de wet goed is. Toch doen mensen steeds het verkeerde. 17Eigenlijk doen ze dat niet zelf, maar het is de zonde die dat doet. Want de zonde heeft macht over hen. 18-19Het goede heeft geen macht over de mensen, het heeft geen macht over hun verkeerde verlangens. Want mensen willen wel het goede doen, maar het lukt ze niet. Ze doen juist de slechte dingen, die ze niet willen doen.

Mensen zijn in de macht van de zonde

20Mensen doen steeds slechte dingen, ook al willen ze dat niet. Dat komt doordat de zonde macht over hen heeft. 21Zo gaat het altijd: mensen doen verkeerde dingen, ook als ze het goede willen doen.

22Mensen zijn blij met Gods wet, want diep van binnen weten ze: de wet is goed. 23-25Maar aan hun daden zie je dat ze in de macht van de zonde zijn. Ze luisteren niet naar hun verstand, maar ze luisteren naar hun eigen verkeerde verlangens. Hun verstand zegt: ‘Luister naar de wet van God.’ Maar hun lichaam is een slaaf van de zonde.

Arme mensen! Kunnen ze ooit bevrijd worden van de zonde en de dood? Ja, dankzij Jezus Christus, onze Heer. Laten we God daarvoor danken!

8

De heilige Geest beheerst ons leven

We zijn bevrijd

81De mensen die bij Jezus Christus horen, zijn bevrijd van Gods straf. 2Wij waren in de macht van de zonde en de dood. Maar de heilige Geest heeft ons uit die macht bevrijd. En dankzij Jezus Christus krijgen we het eeuwige leven.

3Wij waren in de macht van de zonde, en de wet kon ons niet redden. Maar God zorgde ervoor dat wij gered konden worden. Hij stuurde zijn Zoon. Zijn Zoon kwam als mens op aarde, waar de zonde heerste. Want alleen zo kon hij de zonde verslaan. Op die manier heeft God een eind gemaakt aan de macht van de zonde. 4En daardoor kunnen wij nu leven zoals God het wil. Want wij worden geleid door de heilige Geest, en niet meer door onze verkeerde verlangens.

De heilige Geest helpt ons

5Als je je laat leiden door je slechte verlangens, dan wil je alleen maar verkeerde dingen doen. Maar als je je laat leiden door de heilige Geest, dan wil je alleen maar goede dingen doen. 6Wie luistert naar zijn verkeerde verlangens, eindigt in de eeuwige dood. Maar wie luistert naar de heilige Geest, zal voor eeuwig leven bij God.

7Wie luistert naar zijn slechte verlangens, is een vijand van God. Want slechte verlangens trekken zich niets aan van Gods wet. Ze gaan hun eigen gang. 8Als je je laat leiden door je slechte verlangens, kun je niet doen wat God wil.

De heilige Geest is in ons

9Maar bij jullie is dat heel anders. Jullie laten je niet leiden door je slechte verlangens, maar door de heilige Geest. Want de heilige Geest is in jullie gekomen. En je kunt alleen bij Christus horen als zijn Geest in je is.

10Christus is in ons allemaal. De zonde zorgt er nog wel voor dat wij moeten sterven, maar de heilige Geest geeft ons het eeuwige leven. Want God ziet ons als goede mensen. 11God heeft Jezus Christus laten opstaan uit de dood. En God zal ook aan ons, sterfelijke mensen, het eeuwige leven geven. Dat weten we zeker, want zijn Geest is nu al in ons gekomen.

Wij zijn Gods kinderen

12Vrienden, wij mogen ons niet langer laten leiden door onze slechte verlangens. 13Want wie luistert naar zijn slechte verlangens, eindigt in de eeuwige dood. Maar wie dankzij de Geest een eind maakt aan zijn slechte gedrag, die zal voor eeuwig leven.

14Als we ons laten leiden door Gods Geest, dan zijn we Gods kinderen. 15God heeft ons niet zijn Geest gegeven om weer bange slaven van ons te maken. Nee, God heeft ons zijn Geest gegeven om van ons zijn kinderen te maken. En als Gods kinderen bidden wij: ‘Abba, Vader!’ 16De heilige Geest geeft ons de zekerheid dat we Gods kinderen zijn.

17God heeft aan Christus het volmaakte leven gegeven. En dat wil hij ook aan ons geven, omdat ook wij zijn kinderen zijn. Wij horen bij Christus. Nu moeten we nog lijden, net als hij. Maar straks zullen we voor eeuwig leven, samen met hem.

Niets houdt onze redding tegen

Er komt een einde aan het lijden

18Dit weet ik zeker: hoe zwaar ons lijden ook wordt, het brengt ons eeuwige leven niet in gevaar.

19-21Alles op aarde wordt bedreigd door de macht van de dood. Dat is niet de schuld van de aarde, maar het is de straf van God voor de slechtheid van de mensen.

Toch is er hoop! Want ooit wordt de aarde bevrijd. Dan komt er een eind aan de macht van de dood. De aarde verlangt hevig naar dat moment van bevrijding. Dan zal God aan zijn kinderen het eeuwige leven geven. En dan zullen zij voor altijd op aarde leven.

Ook aan ons lijden komt een einde

22Nu is het leven op aarde nog vol pijn en ellende. 23Dat geldt ook voor ons leven. God heeft ons de heilige Geest al gegeven, maar we wachten nog op een lichaam dat nooit zal sterven. Dat is het grootste geschenk dat God ons zal geven. Dan zullen we leven als Gods kinderen. Maar tot die tijd hebben we het moeilijk en zwaar.

24-25We zijn al gered, ook al zien we dat nu nog niet. Toch vertrouwen we erop dat God ons de eeuwige redding zal geven. Als we het nu al konden zien, dan hoefden we er niet op te vertrouwen. Maar door vol te houden in deze moeilijke tijd, laten we zien dat we echt op God vertrouwen.

De heilige Geest bidt voor ons

26De heilige Geest steunt ons als we het moeilijk hebben. Wij weten niet welke bedoeling God heeft met ons lijden. En we weten daarom niet wat we moeten bidden. Maar de heilige Geest zelf bidt voor ons, beter dan een mens het ooit zou kunnen. Zo smeekt hij God om ons te helpen.

27God weet hoe wij van binnen zijn. Hij weet wat de Geest hem namens ons vraagt. Want het is zijn eigen Geest die voor ons bidt. 28God zorgt ervoor dat al ons lijden uiteindelijk het goede brengt: onze eeuwige redding. Dat is zeker, want God houdt van ons.

Gods kinderen zullen eeuwig leven

God heeft ons uitgekozen volgens zijn plan. 29Hij kende ons al voordat we er waren. En hij heeft ons uitgekozen om zijn kinderen te zijn.

God zal ons een volmaakt lichaam geven. Een lichaam zoals dat van zijn Zoon, die lijkt op God zelf. Dan zullen wij broers en zussen zijn van Christus, de enige Zoon van God. 30Want God heeft ons uitgekozen om te gaan geloven. En omdat we geloven, ziet hij ons als goede mensen. En omdat hij ons als goede mensen ziet, geeft hij ons het eeuwige leven.

Gods liefde overwint alles

31Wat moet ik hier verder nog over zeggen? God houdt van ons. Voor wie zouden wij dan nog bang moeten zijn?

32God liet toe dat zijn eigen Zoon gedood werd. Hij leverde hem uit aan slechte mensen. Dat deed God voor ons allemaal. Maar dan is het zeker dat hij ons ook het eeuwige leven zal geven, het eeuwige leven dat zijn Zoon al gekregen heeft.

33-34Wij zijn door God uitgekozen. Moeten we dan bang zijn als mensen ons beschuldigen of ons veroordelen? Nee! Want God ziet ons als goede mensen. Jezus Christus is gestorven, maar nog belangrijker: hij is opgestaan uit de dood. Hij is in de hemel en zit naast God, aan de rechterkant. Hij laat ons nooit in de steek.

35Wij horen bij Christus, en Christus houdt van ons. Niets kan dat veranderen. Ook al moeten we lijden, ook al worden we vervolgd of bedreigd. Ook al hebben we honger, ook al zijn we arm, ook al is ons leven in gevaar.

36In de heilige boeken staat: «Omdat we bij u horen, moeten we elke dag lijden. We worden behandeld als schapen die geslacht worden.» 37Maar hoe zwaar het ook wordt, we zullen alle moeilijkheden overwinnen. Want God houdt van ons.

38-39Dit weet ik zeker: door de dood en opstanding van Jezus Christus, onze Heer, liet God zien hoeveel hij van ons houdt. En niets kan dat veranderen: geen engel, geen geest, geen machthebber, geen mens of macht op aarde of in de hemel. Want wat er ook gebeurt, vandaag of in de toekomst, of we nu leven of sterven: God houdt van ons!