Bijbel in Gewone Taal (BGT)
5

De zekerheid van de redding

We zullen eeuwig bij God leven

51-2God ziet ons dus als goede mensen omdat we geloven. Wij waren vijanden van God. Maar nu is er vrede tussen God en ons, dankzij onze Heer Jezus Christus. Daarom vertrouwen we erop dat we eeuwig bij God zullen leven. Op dat vertrouwen mogen we trots zijn.

3En dat is niet het enige. We mogen er ook trots op zijn dat we het nu moeilijk hebben. Want door alle moeilijkheden leren we om vol te houden. 4En door vol te houden worden we sterk in ons geloof. En daardoor hebben we het vaste vertrouwen dat we eeuwig bij God zullen leven. 5Dat zal zeker gebeuren, want God heeft ons zijn heilige Geest nu al gegeven.

Het is zeker dat we gered worden

6Vroeger waren we vijanden van God. Wijzelf konden dat niet veranderen, maar Christus wel: hij is voor ons gestorven. 7Welk mens is bereid om voor een ander te sterven? Misschien als die ander een goed en eerlijk mens is? Ja, misschien zijn er mensen die willen sterven voor een goed mens. 8Maar Christus is voor ons gestorven toen we nog leefden als slechte mensen. Dat is het bewijs dat God van ons houdt!

9-10Vroeger waren we dus vijanden van God. Maar nu is het goed tussen God en ons, dankzij de dood van zijn Zoon. Want dankzij de dood van Christus ziet God ons als goede mensen. En dus zullen we ook voor eeuwig gered worden. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. Want Christus leeft, en hij zal ons redden op de dag dat God rechtspreekt over de wereld.

11Laten we God alle eer geven. Want dankzij onze Heer Jezus Christus is het nu goed tussen God en ons.

De dood en het leven

Door Adam kwam de dood in de wereld

12Door één mens, Adam, kwam de zonde in de wereld. En door de zonde kwam de dood in de wereld. En omdat alle mensen na Adam verkeerde dingen deden, kwam de dood voor iedereen.

13-14In de tijd tussen Adam en Mozes was de Joodse wet er nog niet. De mensen konden dus nog niet veroordeeld worden door de wet. Adam deed wat God hem had verboden, de mensen na Adam deden verkeerde dingen uit zichzelf. En alle mensen moesten sterven, want de dood had macht over iedereen.

Maar tegenover Adam staat een ander mens: Jezus Christus. 15-16De zonde van Adam had grote gevolgen: voor alle mensen kwam de dood. De straf voor Adam werd dus de straf voor alle mensen. Maar er is iets gebeurd dat belangrijker is. God heeft ons een groot geschenk gegeven: Jezus Christus. Door die ene mens is God goed voor alle mensen. Dankzij Jezus Christus ziet God ons als goede mensen, ook al hebben we veel fouten gemaakt. Ons leven wordt niet meer bepaald door de zonde van Adam, maar door Gods grote geschenk.

Door Christus krijgen we eeuwig leven

17Vanwege de zonde van één mens, Adam, kreeg de dood macht over alle mensen. Maar dankzij één mens, Jezus Christus, zullen wij allemaal eeuwig leven, samen met hem. Want dankzij Jezus Christus ziet God ons als goede mensen. Dat is Gods grote geschenk voor ons.

18-19Door de zonde van één mens strafte God alle mensen. Doordat Adam ongehoorzaam was aan God, kreeg de zonde macht over iedereen. Maar doordat één mens het goede deed, ziet God ons allemaal als goede mensen. Doordat Jezus Christus gehoorzaam was aan God, zal God aan ons allemaal het eeuwige leven geven.

20Toen de Joodse wet kwam, werd duidelijk welk gedrag verkeerd was. Daardoor kwam er steeds meer zonde. Maar hoeveel zonde er ook kwam, Gods goedheid was altijd groter. 21Zolang de zonde macht had over de mensen, moesten alle mensen sterven. Maar nu wordt ons leven bepaald door Gods goedheid. Nu ziet God ons als goede mensen en wil hij ons het eeuwige leven geven, dankzij Jezus Christus, onze Heer.

6

De zonde heeft geen macht meer

De zonde beheerst ons leven niet meer

61Wat is nu de conclusie? Moeten we verkeerde dingen blijven doen, zodat God steeds kan laten zien hoe goed hij voor ons is? 2Nee, natuurlijk niet! De zonde heeft geen macht meer over ons. Dan moeten wij dus ook niet doorgaan met het doen van verkeerde dingen!

3-4Jullie weten wat de doop betekent. De doop laat zien dat we bij Jezus Christus horen. Door onze doop zijn we eigenlijk samen met hem gestorven en begraven. En door onze doop leven wij nu als nieuwe mensen. Want Christus leeft! Onze machtige Vader heeft hem laten opstaan uit de dood.

5Dus eigenlijk zijn we gestorven, net als Christus. Maar dan zullen we ook opstaan en eeuwig leven, net als Christus. 6Dit is zeker: ons oude ik is samen met Christus aan het kruis gestorven. Alleen zo kon er een eind komen aan ons zondige bestaan. Nu wordt ons leven niet meer beheerst door de zonde. 7Want als je gestorven bent, heeft de zonde geen macht meer over je. Dan ben je vrij.

Gods goedheid bepaalt ons leven

8Wij zijn gestorven met Christus. En daarom geloven we dat we ook eeuwig zullen leven met Christus. 9Dit is zeker: Christus is opgestaan uit de dood, en hij zal nooit meer sterven. Want de dood heeft geen macht meer over hem. 10Door zijn dood heeft Christus voor altijd een eind gemaakt aan de macht van de zonde. Nu leeft hij tot eer van God.

11Zo is het ook met ons. Ons oude ik is gestorven, dus de zonde heeft geen macht meer over ons. Wij leven tot eer van God, want we horen bij Jezus Christus.

12We leven nog als sterfelijke mensen met verkeerde verlangens. Maar daar mogen we niet aan toegeven! Want dan zou de zonde opnieuw macht over ons krijgen. 13Wij zijn vanuit de dood naar het leven gegaan. Doe daarom geen verkeerde dingen meer. Want daarmee leef je in dienst van de zonde. Maar doe het goede, want alleen dan leef je in dienst van God.

14De zonde zal geen macht meer over ons hebben. Want ons leven wordt niet bepaald door de Joodse wet, maar door Gods goedheid.

We zijn geen slaven van de zonde meer

15Betekent dit dat we kunnen doorgaan met het doen van verkeerde dingen? Nee, natuurlijk niet! 16Jullie weten hoe het gaat met slaven. Als je slaaf wordt van iemand, dan is hij je meester. Dan moet je hem gehoorzamen. Nu vraag ik jullie: Wie is jullie meester? Is dat de zonde, die leidt tot de dood? Of zijn jullie gehoorzaam aan God, zodat jullie gered worden?

17Gelukkig kan ik God danken! Want jullie waren eerst slaven van de zonde. Maar nu zijn jullie gehoorzame knechten geworden, in dienst van het goede nieuws.

18We zijn bevrijd uit de macht van de zonde. We zijn nu slaven van de God die ons wil redden. 19Ik zeg expres ‘slaven’, ook al klopt dat niet helemaal. Anders begrijpen jullie het misschien niet.

Wie bij God hoort, zal eeuwig leven

Vroeger lieten jullie je leiden door je verkeerde verlangens. Jullie gedrag werd slechter en slechter. Nu moeten jullie je laten leiden door het goede. Jullie moeten leven als mensen die bij God horen. 20Vroeger waren jullie slaven van de zonde. Toen hadden jullie niets te maken met de God die jullie wilde redden. 21En hoe leefden jullie toen? Jullie deden slechte dingen, waar je je nu voor schaamt. Zo’n leven leidt tot de dood.

22Maar nu zijn jullie bevrijd van de zonde. Nu zijn jullie slaven van God, nu leven jullie als mensen die bij God horen. Zo’n leven leidt tot het eeuwige leven.

23Wie gehoorzaam is aan de zonde, krijgt als beloning de dood. Maar wie bij God hoort, krijgt het geschenk dat God ons wil geven: het eeuwige leven, dankzij onze Heer Jezus Christus.

7

We zijn bevrijd van de zonde

De wet geldt niet meer voor ons

71Vrienden, jullie kennen de wet. De wet geldt voor een mens zolang hij leeft. 2Ik geef een voorbeeld. Een vrouw die getrouwd is, moet bij haar man blijven. Dat is een regel van de wet. Die regel geldt voor haar zolang haar man leeft. 3Stel dat ze de vrouw van een ander wordt terwijl haar man nog leeft. Dan doet ze iets dat de wet verbiedt. Maar als haar man sterft, dan geldt die regel niet meer voor haar. Dan mag ze volgens de wet de vrouw van een ander worden.

4Vrienden, dit voorbeeld gaat over ons. Wij zijn gestorven samen met Christus. Daarom geldt de wet niet meer voor ons. Wij horen nu bij Christus, die is opgestaan uit de dood. En daardoor kunnen we nu leven tot eer van God.

5Toen wij Christus nog niet kenden, werd ons leven beheerst door verkeerde verlangens. Wij deden alles wat de wet ons verbiedt. Daarom verdienden wij de dood.

6Maar nu is ons oude ik gestorven, en daardoor zijn we bevrijd van de wet. Die geldt niet meer voor ons. We zijn nu nieuwe mensen. Ons leven wordt niet meer bepaald door de wet, maar door de heilige Geest.

De zonde maakt misbruik van de wet

7Moeten we de conclusie trekken dat de wet en de zonde hetzelfde zijn? Nee, natuurlijk niet! Maar het zit zo: Door de wet leerden de mensen wat zonde is. Want de wet verbiedt alle verkeerde verlangens. Zo leerden de mensen die verlangens kennen. 8En de zonde zorgde ervoor dat ze naar hun verkeerde verlangens gingen luisteren. Zo maakt de zonde misbruik van de wet. Zonder de wet heeft de zonde geen enkele macht.

9Ooit leefden de mensen zonder de wet. Daarna kwam de wet, en door de wet kreeg de zonde macht over de mensen. 10De wet wilde de mensen het leven geven, maar bracht de dood. 11Dat kwam door de zonde, want de zonde maakte misbruik van de wet. De zonde heeft de mensen verleid om te doen wat de wet verbiedt. En daardoor moeten alle mensen sterven. 12Maar de wet zelf is heilig. Ja, de wet is heilig, eerlijk en goed.

Het lukt mensen niet om het goede te doen

13Waarom moeten alle mensen sterven? Komt dat door de wet? Nee, natuurlijk niet. Dat komt door de zonde! Want de wet is goed, maar de zonde maakt misbruik van de wet. Zo brengt de zonde voor de mensen de dood. De zonde is dus het echte kwaad.

14We weten dat God de wet gegeven heeft. Maar mensen zijn in de macht van de zonde, en ze zijn zwak. 15Ze kunnen hun eigen gedrag niet eens begrijpen. Want vaak doen ze niet wat ze willen doen. Ze doen juist verkeerde dingen, die ze absoluut niet willen doen.

16Mensen willen wel het goede doen. Daaraan kun je zien dat de wet goed is. Toch doen mensen steeds het verkeerde. 17Eigenlijk doen ze dat niet zelf, maar het is de zonde die dat doet. Want de zonde heeft macht over hen. 18-19Het goede heeft geen macht over de mensen, het heeft geen macht over hun verkeerde verlangens. Want mensen willen wel het goede doen, maar het lukt ze niet. Ze doen juist de slechte dingen, die ze niet willen doen.

Mensen zijn in de macht van de zonde

20Mensen doen steeds slechte dingen, ook al willen ze dat niet. Dat komt doordat de zonde macht over hen heeft. 21Zo gaat het altijd: mensen doen verkeerde dingen, ook als ze het goede willen doen.

22Mensen zijn blij met Gods wet, want diep van binnen weten ze: de wet is goed. 23-25Maar aan hun daden zie je dat ze in de macht van de zonde zijn. Ze luisteren niet naar hun verstand, maar ze luisteren naar hun eigen verkeerde verlangens. Hun verstand zegt: ‘Luister naar de wet van God.’ Maar hun lichaam is een slaaf van de zonde.

Arme mensen! Kunnen ze ooit bevrijd worden van de zonde en de dood? Ja, dankzij Jezus Christus, onze Heer. Laten we God daarvoor danken!