Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

God blijft trouw aan zijn belofte

31Je zou kunnen zeggen: ‘Welk voordeel heeft het eigenlijk om Jood te zijn? Wat heb je eraan als je besneden bent?’ 2Het antwoord is: Je hebt er heel veel aan om Jood te zijn. Het belangrijkste is dat God aan de Joden zijn beloftes gegeven heeft. Die staan in de heilige boeken.

3Maar toen Gods beloftes uitkwamen, wilden veel Joden het niet geloven. Is dat voor God een reden om hen in de steek te laten? 4Nee, natuurlijk niet! Want mensen kun je niet vertrouwen, maar God wel. Hij blijft trouw aan wat hij beloofd heeft. Want zo staat het al in de heilige boeken: «God, iedereen zal zien dat uw woorden waar zijn. Iedereen zal weten dat u gelijk hebt.»

5-6Nu zou je kunnen zeggen: ‘De slechtheid van de mensen is dus nodig om te laten zien dat God eerlijk en betrouwbaar is. Maar dan is het oneerlijk als God de mensen voor hun slechtheid straft!’ Zo kun je natuurlijk niet over God spreken! God is goed en eerlijk. Anders zou hij nooit de rechter van de wereld kunnen zijn.

7Nu zou je kunnen zeggen: ‘Goed, alleen God is betrouwbaar, alleen hij verdient alle eer. Dankzij mijn slechte gedrag wordt dat juist duidelijk. Maar dan hoef ik toch niet meer gestraft te worden?’ 8Houd toch op, dat is niet wat ik zeg! Er zijn mensen die beweren: ‘Volgens Paulus moet je veel slechte dingen doen. Want dan kan God laten zien hoe goed hij is!’ De mensen die dat over mij zeggen, liegen. Zulke mensen verdienen Gods straf!

Alle mensen zijn zondig

9Je zou nu kunnen zeggen: ‘Is het dan een nadeel om Jood te zijn?’ Absoluut niet! Want wat ik vastgesteld heb, is dit: alle mensen doen verkeerde dingen, Joden en niet-Joden.

10In de heilige boeken staat: «Er is geen mens die altijd goed doet, zelfs niet één. 11Niemand is wijs, niemand is trouw aan God. 12Iedereen is slecht en oneerlijk. Geen mens is goed, zelfs niet één. 13Mensen spreken alleen maar kwaad, en ze vertellen alleen maar leugens. Hun woorden zijn slecht en gevaarlijk. 14Ze liegen en bedriegen. 15Ze plegen graag moorden. 16Overal brengen ze geweld en ellende. 17Vrede krijgt bij hen geen kans. 18En eerbied voor God hebben ze niet.»

19Dat staat in de heilige boeken van de Joden, en dus gaat het ook over de Joden zelf. Voor hen geldt hetzelfde als voor iedereen: Niemand heeft een excuus voor zijn slechte gedrag. Iedereen is schuldig tegenover God. 20En niemand wordt gered doordat hij zich aan de Joodse wet houdt. Want het lukt niemand om alles te doen wat er in de wet staat. De wet leert ons juist dat ieder mens verkeerde dingen doet.

Redding door het geloof

God redt iedereen die gelooft

21-22Maar God wil de mensen redden. Dat wordt al verteld in de heilige boeken. En nu mag het aan iedereen bekendgemaakt worden: Mensen worden gered, niet doordat ze zich aan de wet houden, maar doordat ze geloven. Want God redt iedereen die gelooft in Jezus Christus.

God maakt geen verschil tussen Joden en niet-Joden. 23Want alle mensen doen verkeerde dingen. Daardoor leeft niemand dicht bij God. 24Maar God wil de mensen redden, zomaar, voor niets. Hij vergeeft de zonden van iedereen die gelooft in Jezus Christus. Zo goed wil God voor ons zijn.

25-26Tegelijk wil God dat de schuld van de mensen weer goedgemaakt wordt. Hij heeft daarom zelf gezorgd voor een geschenk waarmee dat kan gebeuren. Dat geschenk is Jezus Christus. Dankzij zijn dood worden de mensen die in hem geloven, gered.

God heeft altijd veel geduld met de mensen gehad. Hij liet hen in leven, ook al deden ze veel verkeerde dingen. En nu redt God iedereen die gelooft in Jezus Christus. Want iedereen die gelooft, wordt door God als een goed mens gezien.

Alleen door geloof word je gered

27Kunnen we dan nog zeggen dat het ene volk beter is dan het andere? Nee! Voor iedereen geldt dezelfde wet. Is dat een wet met regels om je aan te houden? Nee, het is de wet van het geloof. 28Want wij weten dat mensen alleen gered kunnen worden door het geloof. En niet doordat ze zich aan de Joodse wet houden.

29-30Er is maar één God. En hij is niet alleen de God van de Joden, maar ook de God van alle andere volken. Hij redt Joden als ze geloven, en hij redt niet-Joden als ze geloven.

31Beweer ik nu dat alleen het geloof belangrijk is, en de wet helemaal niet? Nee, ik zeg juist dat je je pas echt aan de wet houdt als je gelooft.

4

Als je gelooft, ziet God je als een goed mens

41Laten we eens kijken naar het voorbeeld van Abraham, de voorvader van de Joden. Hoe is het met hem gegaan? 2Abraham heeft veel goede dingen gedaan. Dat maakt indruk op mensen, maar voor God gaat het om iets anders. God heeft Abraham niet gered omdat hij zo goed leefde. 3Nee, in de heilige boeken staat: «Abraham geloofde in God, en daarom zag God hem als een goed mens.»

4Als iemand werkt, krijgt hij loon. Niet als geschenk, maar omdat hij het verdient. 5Maar niemand verdient het om door God gered te worden. Je moet er dus op vertrouwen dat God je wil redden, ook al ben je een slecht mens. Als je dat gelooft, ziet God je als een goed mens.

6Wat is het echte geluk? Dat God je als een goed mens ziet, ook al verdien je dat niet. Ook David heeft dat gezegd in de heilige boeken. Hij zei: 7-8«Je bent gelukkig als God je zonden vergeeft. Je bent gelukkig als God niet meer denkt aan je fouten, en niet meer kijkt naar je schuld.»

Het geloof was er voor de besnijdenis

9Maar voor wie is het echte geluk? Alleen voor mensen die besneden zijn? Of ook voor mensen die niet besneden zijn? Denk even aan wat ik net zei: ‘Abraham geloofde in God, en daarom zag God hem als een goed mens.’ 10Wanneer gebeurde dat? Toen Abraham al besneden was, of toen hij nog niet besneden was? Het gebeurde toen hij nog niet besneden was!

11Door Abrahams geloof zag God hem als een goed mens, ook al was hij toen nog niet besneden. Zo werd Abraham de voorvader van alle gelovigen die niet besneden zijn. Zij worden gered omdat ze geloven.

Later werd Abraham besneden. Dat was het teken dat God hem als een goed mens zag. 12Zo werd Abraham ook de voorvader van de mensen die besneden zijn. Maar dan moeten ze wel geloven! Net zoals Abraham, die al geloofde voordat hij besneden was.

Gods belofte hoort bij het geloof

13God beloofde aan Abraham en zijn nakomelingen dat de nieuwe wereld voor hen zou zijn. Dat was niet omdat Abraham zich aan de wet hield, maar omdat hij geloofde. Want daarom zag God hem als een goed mens.

14Dus waar gaat het om? Dat je leeft volgens de Joodse wet? Nee, dan zou het geloof geen zin hebben. En dan zou Gods belofte niet uitkomen. 15De wet laat alleen maar zien dat mensen schuldig zijn. Maar voor wie gelooft, geldt dat niet.

16God wilde laten zien hoe goed hij voor ons is. Daarom beloofde hij zijn nieuwe wereld aan alle nakomelingen van Abraham. Niet alleen aan de Joden, maar ook aan de niet-Joden. Als ze maar geloven, net zoals onze voorvader Abraham. 17Want in de heilige boeken zegt God tegen Abraham: «Ik beloof je dat er later heel veel volken van jou zullen afstammen.»

Abraham geloofde wat God zei

God beloofde dus veel nakomelingen aan Abraham, en Abraham geloofde God. Hij wist dat God de macht heeft om doden levend te maken. En om iets dat niet bestaat, te laten leven. 18Abraham geloofde dat er later heel veel volken van hem zouden afstammen. Want God had gezegd: ‘Je zult heel veel nakomelingen krijgen.’

Abraham geloofde dat, ook al was het iets dat eigenlijk helemaal niet kon. 19Want Abraham wist best dat hij veel te oud was om vader te worden. Hij was al honderd jaar. En zijn vrouw Sara was veel te oud om een kind te krijgen. 20Toch twijfelde Abraham niet, maar hij geloofde dat ze een kind zouden krijgen. Omdat God het beloofd had.

God zorgde ervoor dat Abrahams geloof steeds sterker werd. En Abraham eerde God. 21Want God heeft de macht om te doen wat hij belooft. Dat geloofde Abraham, zonder te twijfelen. 22En daarom zag God hem als een goed mens.

God ziet ook ons als goede mensen

23In de heilige boeken staat dus dat God Abraham als een goed mens zag. Dat geldt niet alleen voor Abraham, 24maar ook voor ons. Want God ziet ook ons als goede mensen, omdat we in hem geloven. Wij geloven dat God Jezus Christus, onze Heer, heeft laten opstaan uit de dood. 25Omdat Jezus Christus gestorven is, worden onze zonden vergeven. En omdat hij is opgestaan uit de dood, worden wij gered.

5

De zekerheid van de redding

We zullen eeuwig bij God leven

51-2God ziet ons dus als goede mensen omdat we geloven. Wij waren vijanden van God. Maar nu is er vrede tussen God en ons, dankzij onze Heer Jezus Christus. Daarom vertrouwen we erop dat we eeuwig bij God zullen leven. Op dat vertrouwen mogen we trots zijn.

3En dat is niet het enige. We mogen er ook trots op zijn dat we het nu moeilijk hebben. Want door alle moeilijkheden leren we om vol te houden. 4En door vol te houden worden we sterk in ons geloof. En daardoor hebben we het vaste vertrouwen dat we eeuwig bij God zullen leven. 5Dat zal zeker gebeuren, want God heeft ons zijn heilige Geest nu al gegeven.

Het is zeker dat we gered worden

6Vroeger waren we vijanden van God. Wijzelf konden dat niet veranderen, maar Christus wel: hij is voor ons gestorven. 7Welk mens is bereid om voor een ander te sterven? Misschien als die ander een goed en eerlijk mens is? Ja, misschien zijn er mensen die willen sterven voor een goed mens. 8Maar Christus is voor ons gestorven toen we nog leefden als slechte mensen. Dat is het bewijs dat God van ons houdt!

9-10Vroeger waren we dus vijanden van God. Maar nu is het goed tussen God en ons, dankzij de dood van zijn Zoon. Want dankzij de dood van Christus ziet God ons als goede mensen. En dus zullen we ook voor eeuwig gered worden. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. Want Christus leeft, en hij zal ons redden op de dag dat God rechtspreekt over de wereld.

11Laten we God alle eer geven. Want dankzij onze Heer Jezus Christus is het nu goed tussen God en ons.

De dood en het leven

Door Adam kwam de dood in de wereld

12Door één mens, Adam, kwam de zonde in de wereld. En door de zonde kwam de dood in de wereld. En omdat alle mensen na Adam verkeerde dingen deden, kwam de dood voor iedereen.

13-14In de tijd tussen Adam en Mozes was de Joodse wet er nog niet. De mensen konden dus nog niet veroordeeld worden door de wet. Adam deed wat God hem had verboden, de mensen na Adam deden verkeerde dingen uit zichzelf. En alle mensen moesten sterven, want de dood had macht over iedereen.

Maar tegenover Adam staat een ander mens: Jezus Christus. 15-16De zonde van Adam had grote gevolgen: voor alle mensen kwam de dood. De straf voor Adam werd dus de straf voor alle mensen. Maar er is iets gebeurd dat belangrijker is. God heeft ons een groot geschenk gegeven: Jezus Christus. Door die ene mens is God goed voor alle mensen. Dankzij Jezus Christus ziet God ons als goede mensen, ook al hebben we veel fouten gemaakt. Ons leven wordt niet meer bepaald door de zonde van Adam, maar door Gods grote geschenk.

Door Christus krijgen we eeuwig leven

17Vanwege de zonde van één mens, Adam, kreeg de dood macht over alle mensen. Maar dankzij één mens, Jezus Christus, zullen wij allemaal eeuwig leven, samen met hem. Want dankzij Jezus Christus ziet God ons als goede mensen. Dat is Gods grote geschenk voor ons.

18-19Door de zonde van één mens strafte God alle mensen. Doordat Adam ongehoorzaam was aan God, kreeg de zonde macht over iedereen. Maar doordat één mens het goede deed, ziet God ons allemaal als goede mensen. Doordat Jezus Christus gehoorzaam was aan God, zal God aan ons allemaal het eeuwige leven geven.

20Toen de Joodse wet kwam, werd duidelijk welk gedrag verkeerd was. Daardoor kwam er steeds meer zonde. Maar hoeveel zonde er ook kwam, Gods goedheid was altijd groter. 21Zolang de zonde macht had over de mensen, moesten alle mensen sterven. Maar nu wordt ons leven bepaald door Gods goedheid. Nu ziet God ons als goede mensen en wil hij ons het eeuwige leven geven, dankzij Jezus Christus, onze Heer.