Bijbel in Gewone Taal (BGT)
14

De kerk moet een eenheid zijn

Maak geen ruzie over eten

141-2De meesten van jullie geloven dat christenen alles mogen eten. Maar sommigen hebben niet zo’n sterk geloof. Zij geloven dat christenen geen onrein vlees mogen eten. Zorg ervoor dat ook die mensen welkom zijn als jullie bij elkaar komen. Maak geen ruzie over dat soort verschillen.

3Geloof je dat je alles mag eten? Prima. Maar denk niet dat je beter bent dan iemand die geen vlees eet. Geloof je dat je geen onrein vlees mag eten? Prima. Maar zeg niet dat het verkeerd is als een ander dat wel doet. Want bij God zijn jullie allebei welkom.

4Wie beoordeelt of een slaaf zijn werk goed doet? Alleen zijn eigen meester. Net zo worden wij alleen door onze Heer beoordeeld. En hij zorgt ervoor dat ieder van ons vasthoudt aan zijn geloof.

Doe alles om de Heer te eren

5Voor sommigen van jullie zijn bepaalde dagen heilig. Voor anderen zijn alle dagen gelijk. Houd vast aan de overtuiging die je hebt. 6Wie feestviert op heilige dagen, doet dat om de Heer te eren. En wie alles eet, doet dat ook om de Heer te eren. Want hij dankt God voor zijn eten. Maar ook iemand die geen vlees eet, doet dat om de Heer te eren. Want ook hij dankt God voor zijn eten.

7Niemand van ons leeft voor zichzelf, en niemand van ons sterft voor zichzelf. 8Als wij leven, leven wij voor de Heer. En als wij sterven, sterven wij voor de Heer. Wij horen bij onze Heer Jezus Christus, in heel ons leven en ook als we sterven. 9Want Christus is gestorven en opgestaan om Heer van ons allemaal te zijn. Hij is onze Heer, zolang we leven. En hij blijft onze Heer als we gestorven zijn.

Alleen God zal over ons oordelen

10Zeg nooit over andere gelovigen: ‘Wat zij doen, is verkeerd!’ En denk ook niet dat je beter bent dan andere gelovigen. Want op een dag staan we allemaal voor Gods troon. En dan zal God over ons rechtspreken. 11In de heilige boeken zegt God: «Zo zeker als ik leef, alle mensen zullen voor mij knielen en mij eren.»

12God zal ons dus allemaal beoordelen op onze eigen daden.

Behandel andere gelovigen met liefde

13Vrienden, we moeten elkaar niet meer veroordelen. Laten we afspreken dat we het andere gelovigen niet moeilijk maken. En dat we hun geloof niet in gevaar brengen. 14Ik weet zeker dat voedsel op zichzelf nooit onrein is. De Heer Jezus heeft mij daarvan overtuigd. Voedsel is alleen onrein voor je, als je gelooft dat het onrein is.

15Sommige christenen geloven dat bepaald voedsel onrein is. Als je met hen eet, moet je zulk voedsel dus niet op tafel zetten. Want dan maak je het moeilijk voor hen. En dan behandel je hen niet met liefde. Christus is ook voor hen gestorven! Breng hun redding dus niet in gevaar door voedsel. 16Want dan maak je de vrijheid die God jullie geeft, kapot.

17Waar gaat het om in Gods nieuwe wereld? Niet om wat je eet of drinkt! Het gaat erom dat we goed zijn voor elkaar, en in vrede met elkaar leven. En dat we blij zijn, omdat de heilige Geest in ons is.

18Als je Christus zo dient, dan doe je wat God wil. En dan zal iedereen respect voor je hebben.

Bewaar de eenheid van Gods kerk

19We moeten in vrede met elkaar leven en elkaar steunen. Daar moeten we ons uiterste best voor doen.

20Breng de eenheid in Gods kerk niet in gevaar door zomaar alles te eten. Zeker, al het eten is rein, je mag alles eten. Maar het is verkeerd als je daarmee het geloof van anderen in gevaar brengt. 21Je mag het geloof van anderen niet in gevaar brengen door vlees te eten of door wijn te drinken. Laat die dingen dan liever staan!

22Houd vast aan je overtuiging, want dat is iets tussen jou en God. En volg je overtuiging op een goede manier. Dan zul je gelukkig zijn. 23Maar als je vlees eet om ruzie te zoeken met andere gelovigen, zul je gestraft worden. Want dan eet je vlees, maar niet uit geloof. En alles wat je niet uit geloof doet, is verkeerd.

15

Vorm een eenheid

151De meesten van ons kunnen goed omgaan met de vrijheid die God ons geeft. Maar sommige christenen hebben een zwak geloof. Zij hebben het moeilijk met die vrijheid. Wij moeten hen helpen, en niet bezig zijn met wat goed is voor onszelf.

2Ieder van ons moet doen wat goed is voor de ander en wat de ander helpt. 3Ook Christus was niet bezig met wat goed was voor hemzelf. Hij deed alleen wat God wilde. Dit staat over hem in de heilige boeken: «God, telkens als mensen u beledigen, doet mij dat pijn.»

4Alles wat in de heilige boeken staat, is al lang geleden opgeschreven voor ons. Het geeft ons uitleg over Gods plan. Zo geven de heilige boeken ons moed om vol te houden, en om op God te blijven vertrouwen. 5God zelf geeft ons moed en kracht om vol te houden. En ik bid dat God jullie zal helpen om het voorbeeld van Jezus Christus te volgen. Dan leren jullie om met elkaar mee te voelen. 6Want dan zijn jullie echt een eenheid. En dan kunnen jullie samen de God en Vader van onze Heer Jezus Christus alle eer geven.

Joden en niet-Joden worden één geheel

7Jullie moeten elkaar dus vol liefde accepteren, tot eer van God. Want ook Christus heeft jullie allemaal vol liefde geaccepteerd.

8Luister goed: Christus werd een dienaar van de Joden. Zo liet hij zien dat God doet wat hij beloofd heeft. Want de belofte van God aan de voorouders van de Joden werd werkelijkheid toen Christus kwam.

9Ook liet Christus zien hoe goed God is voor de niet-Joden. Want alle volken danken God voor de redding die hij wil geven. Zo staat het ook in de heilige boeken: «Samen met alle volken wil ik God danken. Ik zing een lied om hem te eren.» 10En er staat ook: «Alle volken moeten blij zijn, samen met Israël.» 11En: «Juich voor de Heer, alle volken. Zing voor hem, alle landen.» 12En de profeet Jesaja heeft gezegd: «Er zal een nieuwe koning komen uit de familie van David. Hij zal regeren over alle volken. En alle mensen verwachten hun redding van hem.»

13God geeft ons het vertrouwen dat we gered zullen worden. Ik bid dat hij jullie vreugde en vrede zal geven door jullie geloof in Jezus Christus. Dan zal jullie vertrouwen op God steeds sterker worden, door de kracht van de heilige Geest.

De plannen van Paulus

God heeft Paulus apostel gemaakt

14Vrienden, ik heb veel vertrouwen in jullie. Jullie willen absoluut het goede voor elkaar. Jullie weten precies wat God van jullie vraagt. En daardoor kunnen jullie elkaar helpen om geen fouten te maken.

15Ik heb jullie veel geschreven. Een deel ervan wisten jullie al. Ik durfde jullie al die dingen te schrijven, omdat God zelf mij heeft uitgekozen om zijn apostel te zijn. 16God stuurde mij naar de niet-Joden als dienaar van Jezus Christus. Overal vertel ik het goede nieuws. Daarmee dien ik God. Want de niet-Joden die het goede nieuws geloven, krijgen de heilige Geest. En die maakt hen heilig. Zo worden zij een geschenk dat God graag wil aannemen.

17Ik ben er trots op dat ik als dienaar van Jezus Christus voor God werk.

Paulus heeft het goede nieuws verteld

18Ik spreek niet namens mijzelf, ik zeg wat Christus mij laat zeggen. Christus gebruikt mijn woorden en daden om mensen van alle volken gehoorzaam aan God te maken. 19Door de macht van Christus gebeuren er wonderen als ik het goede nieuws vertel. En door de macht van de heilige Geest gaan mensen geloven. Zo heb ik het goede nieuws over Christus overal kunnen vertellen, vanuit Jeruzalem helemaal tot in Illyrië.

20Ik heb steeds mijn uiterste best gedaan om het goede nieuws bekend te maken. Ik ging niet naar plaatsen waar anderen al over Christus verteld hadden. Want het is niet mijn taak om verder te gaan met het werk van anderen. 21Nee, mijn taak staat al in de heilige boeken: «Mensen die hem niet kennen, krijgen het goede nieuws te horen. Dan zullen ze de waarheid kennen.»

Paulus wil via Rome naar Spanje gaan

22Vrienden, telkens was er wel iets dat mij tegenhield om naar jullie toe te komen. 23-24Maar nu ben ik klaar met mijn werk in het oosten. Ik ben van plan om naar Spanje te reizen en daar het goede nieuws te vertellen. Maar ik zal via Rome reizen. Want ik verlang er al zo lang naar om naar jullie toe te komen!

Ik wil jullie dus bezoeken om een goede tijd met jullie te hebben. En ik hoop dat jullie mij dan zullen helpen bij mijn reis naar Spanje.

Paulus gaat eerst naar Jeruzalem

25Maar ik ga nu eerst naar Jeruzalem om de christenen daar te steunen. 26Want de christenen in Macedonië en Achaje hebben geld ingezameld voor de arme christenen in Jeruzalem. 27Het was hun eigen beslissing om dat te doen, maar ze waren dat ook verplicht. Want ook zij krijgen de hemelse rijkdom die God beloofde aan het Joodse volk. En daarom moeten zij de Joodse christenen steunen met hun aardse rijkdom.

28Ik ga nu dus eerst naar Jeruzalem. Want ik moet ervoor zorgen dat al het geld daar veilig aankomt. Meteen daarna kom ik naar Rome toe. En dan reis ik daarvandaan verder naar Spanje.

29En dit weet ik zeker: als ik bij jullie kom, dan kom ik met de zegen van Christus.

Paulus vraagt om steun

30Vrienden, ik wil jullie dringend vragen om voor mij te bidden. Wij horen bij elkaar, want Jezus Christus is onze Heer. En de heilige Geest zorgt ervoor dat we van elkaar houden. Steun mij dan ook bij mijn werk door voor mij te bidden!

31Bid dat God mij in Judea beschermt tegen de Joden die niet in Christus geloven. Bid dat de Joodse christenen in Jeruzalem het geld van de niet-Joodse christenen willen aannemen. 32En bid dat God mij daarna veilig bij jullie laat komen. Dan kunnen we er samen blij om zijn dat de christenen een eenheid vormen.

33Ik wens jullie toe dat God aan jullie allemaal zijn vrede geeft. Amen.

16

Slot van de brief

Febe brengt de brief naar Rome

161Vrienden, mijn brief wordt bij jullie gebracht door Febe. Zij is een leider van de kerk in de stad Kenchreeën, en ze werkt met mij samen. 2Ik vraag jullie om haar met open armen te ontvangen. Behandel haar met veel respect, zoals christenen met elkaar omgaan. Geef haar alle hulp waar ze om vraagt. Zij heeft zelf aan veel christenen hulp en bescherming gegeven, ook aan mij.

Groeten van Paulus

3Breng mijn groeten over aan Prisca en Aquila. Zij vertellen net als ik het goede nieuws over Jezus Christus. 4Een tijd geleden hebben zij hun leven voor mij gewaagd. Daar ben ik hun dankbaar voor. En alle niet-Joodse christenen zijn dat ook. 5Doe ook mijn groeten aan de christenen die in het huis van Prisca en Aquila bij elkaar komen.

Breng mijn groeten over aan mijn vriend Epenetus. Hij was de eerste in de provincie Asia die in Jezus Christus ging geloven. 6En doe mijn groeten aan Maria, die veel moeite voor jullie heeft gedaan. 7Groet ook Andronikus en Junia van mij. Zij zijn net als ik Joden, en ze hebben samen met mij in de gevangenis gezeten. Zij horen bij de belangrijkste apostelen. Ze waren al eerder christen dan ik.

8Breng mijn groeten over aan mijn vriend Ampliatus, die ook bij de Heer hoort. 9Groet ook Urbanus van mij. Hij vertelt net als ik het goede nieuws over Christus. En doe mijn groeten aan mijn vriend Stachys.

10Breng mijn groeten over aan Apelles. Hij heeft laten zien dat zijn trouw aan Christus echt is. Doe mijn groeten aan de familie en slaven van Aristobulus. 11Groet ook Herodion van mij. Hij is net als ik een Jood. Breng mijn groeten over aan de familie en de slaven van Narcissus die christen zijn. 12En doe mijn groeten aan Tryfena en Tryfosa, die veel moeite doen voor de Heer. Groet ook Persis, die een vriendin van mij is. Ook zij heeft heel veel moeite gedaan voor de Heer. 13Groet Rufus van mij. De Heer heeft hem uitgekozen voor een bijzondere taak. En breng mijn groeten over aan zijn moeder, die ook voor mij als een moeder is.

14Doe mijn groeten aan Asynkritus, Flegon, Hermes, Patrobas, Hermas en de andere christenen van hun groep. 15En doe mijn groeten aan Filologus en Julia, aan Nereus en zijn zus, aan Olympas, en aan alle christenen van hun groep. 16Vrienden in Rome, groet elkaar met een heilige kus.

Ik breng aan jullie de groeten over van alle kerken waar ik ben geweest.

Laatste waarschuwingen

17Denk erom, vrienden, pas op voor de mensen die ruzie veroorzaken in de kerk. Zij proberen jullie geloof in gevaar te brengen. Ze vertellen jullie iets heel anders dan wat jullie geleerd hebben over het geloof. Luister niet naar die mensen. 18Want zij dienen onze Heer Christus niet. Nee, ze zijn alleen bezig met wat ze zelf prettig vinden. En met hun mooie woorden bedriegen ze de eenvoudige gelovigen.

19Jullie zijn gehoorzaam geworden aan God, jullie geloof is bekend in de hele wereld. Ik ben dus erg blij met jullie. Maar ik wil ook dat jullie steeds beter begrijpen wat goed is. En dat jullie niet langer denken aan wat slecht is. 20Het moment dat God jullie de macht geeft om Satan te vernietigen, komt snel. Zo zal God jullie vrede geven.

Ik wens jullie toe dat onze Heer Jezus goed voor jullie is.

Groeten van de vrienden van Paulus

21Jullie krijgen de groeten van Timoteüs, die samen met mij het goede nieuws bekendmaakt. En ook van Lucius, Jason en Sosipatrus. Zij zijn net als ik Joden. 22Een hartelijke groet van Tertius. Hij heeft deze brief voor mij opgeschreven. Ook hij hoort bij de Heer.

23-24Jullie krijgen de groeten van Gajus. Hij heeft mij hartelijk ontvangen in zijn huis, waar alle christenen bij elkaar komen. En de groeten van Erastus, één van de bestuurders van de stad. En tot slot krijgen jullie de groeten van mijn vriend Quartus.

Alle eer aan God

25-26De machtige God zorgt ervoor dat jullie vasthouden aan het geloof. Dat is het geloof in het goede nieuws over Jezus Christus dat ik vertel. Eeuwenlang heeft God zijn boodschap voor de mensen verborgen gehouden. Maar nu maakt hij die boodschap bekend. Mensen van alle volken moeten het goede nieuws horen, dat verteld wordt in de heilige boeken. Dan zullen ze gaan geloven en gehoorzaam worden aan God. Dat is de wil van de eeuwige God. 27Dankzij Jezus Christus hebben wij Gods wijze plan leren kennen. Alle eer aan God, voor altijd! Amen.