Bijbel in Gewone Taal (BGT)
19

Een lied over Babylon

191Daarna hoorde ik in de hemel zingen. Het klonk als de luide stemmen van een grote groep mensen. Ze zongen:

‘Halleluja! Alle eer aan God!

Hij brengt redding,

hij laat zijn macht zien.

2Gods oordeel is eerlijk en betrouwbaar.

Want de grote hoer maakte de wereld slecht,

maar God heeft haar veroordeeld.

Zij vermoordde de dienaren van God,

maar God heeft haar nu gestraft.’

3En opnieuw zongen de stemmen:

‘Halleluja, Babylon zal branden, voor altijd!’

4Daarna knielden de 24 leiders en de vier dieren voor God, die op zijn troon zat, en ze zeiden: ‘Amen! Halleluja!’

Een koninkrijk van duizend jaar

De bruiloft van het lam

5Toen klonk er bij de troon een stem die zei: ‘Laten we onze God danken! Laat iedereen, van klein tot groot, hem dienen en eren!’

6Daarna hoorde ik nog een stem. Die klonk als de stemmen van een grote groep mensen, zo hard als de donder of de bulderende zee. Die stem zei: ‘Halleluja! De Heer, onze machtige God, heerst nu als koning over de wereld. 7Laten we juichen en blij zijn, laten we hem eren! Want de bruiloft van het lam gaat beginnen. Zijn bruid staat al klaar. 8Zij heeft kleren gekregen van stralend wit linnen.’ Die witte kleren zijn de goede daden van de christenen.

De uitnodiging voor het feestmaal

9Daarna zei een engel tegen mij: ‘Schrijf op: ‘Gelukkig zijn de mensen die uitgenodigd zijn voor het feestmaal op de bruiloft van het lam.’ Dat heeft God gezegd, en het is betrouwbaar.’

10Ik knielde om de engel te eren, maar die zei: ‘Doe dat niet! Je mag alleen God eren. Want ik ben een dienaar, net zoals jij en de andere christelijke profeten. Die profeten kennen Gods plannen omdat Jezus ze aan hen bekendgemaakt heeft.’

Jezus komt zijn vijanden vernietigen

11Ik zag dat de hemel open was. Er verscheen een wit paard met een ruiter. De ruiter heette: Trouw en betrouwbaar. Hij was eerlijk in zijn oordeel en in de strijd.

12De ruiter had ogen die schitterden als vlammen, en op zijn hoofd droeg hij veel kronen. Er stond een naam op zijn lichaam geschreven die niemand kende, alleen hijzelf. 13Zijn mantel was rood van het bloed. Zijn naam was Oordeel van God.

14-16Uit zijn mond kwam een scherp zwaard. Met dat zwaard ging hij alle ongelovige volken doden. Hij ging zijn vijanden vernietigen. Hij ging ze als druiven in een ton vertrappen om Gods grote woede te laten zien. Op zijn kleding en op zijn been stond de naam Hoogste Heer en Koning.

Hemelse legers volgden de ruiter. Ook zij reden op witte paarden, en ze droegen kleren van stralend wit linnen.

Het beest wordt gevangengenomen

17Toen zag ik een engel op de zon staan. Luid riep hij tegen de vogels die hoog in de lucht vlogen: ‘Kom naar Gods grote maaltijd! 18Dan krijg je het vlees te eten van koningen, generaals en soldaten. Je krijgt het vlees van paarden en hun ruiters, van slaven en van vrije mensen, van jong en oud.’

19Daarna zag ik hoe het beest en de koningen op aarde met hun legers zich verzamelden. Ze kwamen bij elkaar voor de strijd tegen de ruiter op het paard, en tegen zijn legers. 20Maar het beest werd gevangengenomen. Net als de valse profeet die wonderen deed in dienst van het beest. Met die wonderen had hij de mensen verleid om het teken van het beest te gaan dragen, en zijn beeld te vereren.

Het beest en zijn profeet werden levend in de zee van vuur en giftig gas gegooid. 21Hun volgelingen werden gedood door de ruiter op het paard. Hij doodde hen met het zwaard dat uit zijn mond kwam. En alle vogels aten zich vol aan hun vlees.

20

De duivel wordt vastgebonden

201Daarna zag ik uit de hemel een engel naar beneden komen. Hij had de sleutel van de hel in zijn hand, en een grote ketting. 2Hij greep de draak, de slang uit de oude tijd, die de mensen ook duivel of Satan noemen. En met de ketting bond hij hem voor duizend jaar vast. 3Hij gooide hem in de hel. En de put die in de hel uitkwam, deed hij dicht en op slot.

Zo kan de duivel duizend jaar lang de mensen op aarde niet verleiden. Maar daarna moet hij voor korte tijd vrijgelaten worden.

De eerste opstanding

4Ik zag ook tronen. Daarop zaten de zielen van de christenen die onthoofd waren omdat ze over God en Jezus gesproken hadden. Zij hadden het beest en zijn beeld niet vereerd. En zij hadden het teken van het beest niet op hun voorhoofd of hand gedragen. Ze waren weer levend geworden. Samen met Christus heersten ze als koningen en rechters, duizend jaar lang.

5-6Dat is de eerste opstanding. Gelukkig en heilig zijn de mensen die de eerste opstanding meemaken! Want zij zullen geen tweede keer sterven, en niet voor eeuwig lijden in het vuur. In plaats daarvan zullen ze priesters zijn van God en van Christus. Duizend jaar lang zullen ze samen met Christus als koningen heersen.

Pas na die duizend jaar worden de andere doden weer levend.

De duivel wordt verslagen

7Wanneer de duizend jaar voorbij zijn, zal God de duivel vrijlaten uit zijn gevangenis. 8De duivel zal dan naar de vier hoeken van de aarde gaan. Hij zal de volken die daar wonen, verleiden om oorlog te voeren tegen God. Die volken worden ook wel Gog en Magog genoemd. Ze zijn met net zo veel mensen als er zand is bij de zee. 9Van alle kanten zullen ze bij elkaar komen voor de strijd. Ze zullen het kamp van Gods volk en de stad die hij liefheeft, omsingelen. Maar het zal vuur regenen uit de hemel, en dat zal hen vernietigen.

10Dan zal de duivel die hen verleidde, in de zee van vuur en giftig gas gegooid worden. En daar zal hij samen met het beest en de valse profeet voor eeuwig lijden.

God spreekt recht over de doden

11Daarna zag ik een grote witte troon, en op die troon zat God. De aarde en de hemel vluchtten voor hem weg. Ze verdwenen voor altijd.

12-13Voor de troon van God stonden alle mensen die gestorven waren, belangrijke en onbelangrijke mensen. Ze waren teruggehaald uit het land van de dood. Ook de zee had de mensen teruggegeven die verdronken waren.

Er werden boeken opengedaan waarin de goede en slechte daden van mensen opgeschreven stonden. En alle doden werden beoordeeld op hun daden.

Ook het boek van het leven werd geopend. 14-15Iedereen die niet met zijn naam in dat boek stond, werd in de zee van vuur gegooid. Die vuurzee wordt ‘de tweede dood’ genoemd. Ook de dood en het land van de dood verdwenen daarin.

21

Het nieuwe Jeruzalem

De nieuwe hemel en de nieuwe aarde

211Toen zag ik een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. De hemel en de aarde van vroeger waren verdwenen, en ook de zee was er niet meer.

2Ik zag uit de hemel een heilige stad naar beneden komen, het nieuwe Jeruzalem. Die stad kwam bij God vandaan. Ze leek op een bruid die zich mooi gemaakt heeft voor haar bruidegom.

3Uit de richting van de troon hoorde ik een luide stem, die zei: ‘Nu is God zelf op aarde. Vanaf nu zal hij bij de mensen wonen. De mensen zullen zijn volk zijn, en hij zal hun God zijn. 4Hij zal al hun tranen drogen. Niemand zal meer sterven, en er zal geen verdriet en geen pijn meer zijn. Want alles van vroeger is verdwenen.’

God spreekt

5God, die op zijn troon zat, zei: ‘Ik maak alles nieuw.’

Hij zei tegen mij: ‘Schrijf op wat ik zeg. Want mijn woorden zijn betrouwbaar en waar.’

6Toen zei hij: ‘Alles is nu voorbij. Ik ben het begin en het einde. Mensen die dorst hebben, geef ik te drinken. Ik geef ze water dat eeuwig leven geeft. 7Mensen die het kwaad overwinnen, zullen het eeuwige leven krijgen. Want zij zullen mijn kinderen zijn, en ik zal hun God zijn.

8Maar mensen die ontrouw aan mij zijn en niet moedig volhouden, die sterven een tweede keer. Die zullen eeuwig moeten lijden in de zee van vuur en giftig gas. Net als alle leugenaars en moordenaars, net als mensen die verboden seks hebben, mensen die aan toverkunst doen, en mensen die andere goden vereren.’

Johannes ziet het nieuwe Jeruzalem

9Toen kwam er een engel naar me toe. Het was één van de zeven engelen die de schalen droegen met de zeven laatste straffen van God. Hij zei: ‘Kom! Ik zal je de bruid laten zien, de vrouw van het lam.’

10In een droom bracht de engel mij naar de top van een heel hoge berg. Daar liet hij mij de heilige stad Jeruzalem zien. De stad kwam vanuit de hemel naar beneden. Ze kwam bij God vandaan, 11en straalde met Gods licht, als een prachtige groene edelsteen.

12Rondom de stad was een grote, hoge muur met twaalf poorten. Bij elke poort stond een engel. Op de poorten waren namen geschreven, de namen van de twaalf stammen van Israël.

13De stad had aan elke kant drie poorten: drie aan de oostkant, drie aan de zuidkant, drie aan de noordkant en drie aan de westkant. 14En de muur rondom de stad was gebouwd op twaalf grote blokken steen. Daarop stonden de namen geschreven van de twaalf apostelen van het lam.

Een engel meet de stad op

15De engel die met mij sprak, had een gouden meetstok om de stad, de poorten en de muur op te meten. 16Eerst werd de stad opgemeten. De stad was vierkant, even lang als breed: 2400 kilometer lang en 2400 kilometer breed, en ook 2400 kilometer hoog. 17Daarna werd de muur opgemeten. Die was 66 meter hoog. Voor het meten gebruikte de engel de maten die mensen ook gebruiken.

De stad is van goud

18De stad was helemaal van goud gemaakt, zo zuiver en glanzend als glas. De muur eromheen was van groene edelstenen, 19-20en gebouwd op twaalf grote blokken steen. Die blokken waren allemaal versierd met verschillende edelstenen, elk blok met een andere soort.

21De poorten in de muur waren gemaakt van twaalf grote parels, elke poort was gemaakt van één parel. En de straten waren van zuiver, glanzend goud.

De poorten van de stad staan open

22Ik zag geen tempel in de stad. Want daar is geen tempel nodig. De Heer, de machtige God, is zelf in de stad, samen met het lam. 23De stad heeft ook het licht van de zon en de maan niet nodig. Want over de stad schijnt een stralend licht, het licht van God en van het lam. 24De volken op aarde zullen leven in dat licht. En de koningen van de wereld zullen geschenken naar de stad brengen.

25De poorten van de stad zullen altijd openstaan, want het wordt nooit meer nacht. 26Door de poorten zullen kostbare schatten van alle volken worden binnengebracht. 27Maar mensen of dingen die slecht zijn, mogen de stad niet in. Mensen die leugens vertellen, en mensen die verkeerd leven, mogen niet naar binnen. Er mogen alleen mensen naar binnen die met hun naam in het boek van het leven staan, in het boek van het lam.