Bijbel in Gewone Taal (BGT)
13

De twee beesten

Het beest uit de zee

131Toen zag ik een beest uit de zee komen. Het beest had zeven koppen en tien hoorns. Op elke hoorn had het een kroon, en op elke kop stond een naam die alleen voor God gebruikt mag worden. 2Het beest leek op een panter, maar het had de poten van een beer en de tanden van een leeuw. Aan dat beest gaf de draak zijn kracht en zijn koninklijke macht.

3Het beest was dodelijk gewond aan één van zijn koppen, maar de wond genas. Alle mensen waren diep onder de indruk en liepen het beest achterna. 4Ze eerden de draak omdat hij zijn macht aan het beest gegeven had. En ze eerden het beest door te roepen: ‘Niemand is zo sterk als het beest. Niemand kan een oorlog tegen hem winnen!’

Het beest heerst drieënhalf jaar lang

5Het beest mocht slechte dingen zeggen. Het sprak vol trots over zichzelf, maar spotte met God. Drieënhalf jaar lang liet God dat toe. 6Al die tijd beledigde het beest God, Gods naam, Gods tempel, en alle bewoners van de hemel.

7Het beest kreeg de macht over mensen uit de hele wereld, van alle volken en talen. Het mocht van God ook oorlog voeren tegen de christenen, en hen overwinnen.

Christenen moeten op God vertrouwen

8Alle mensen op aarde zullen het beest vereren. Iedereen, behalve de mensen van wie de namen in het boek van het leven staan. Dat boek bestaat al vanaf het begin van de wereld, en het is van het lam dat geslacht is.

9-10Als je christen bent, moet je niet bang zijn om gevangengenomen of gedood te worden. Je moet op God vertrouwen en in hem blijven geloven, wat er ook met je gebeurt. Laat dat goed tot je doordringen.

Het beest uit de aarde

11Toen zag ik nog een beest. Dat beest kwam uit de aarde. Het had twee hoorns, net als een lam, maar het sprak als een draak.

12Dat tweede beest werkte voor het eerste beest, van wie het alle macht kreeg. Het gebruikte die macht om ervoor te zorgen dat iedereen op aarde het eerste beest vereerde. Het eerste beest was genezen van zijn dodelijke wond.

Het teken van het beest

13-14Het tweede beest deed grote wonderen in dienst van het eerste beest. Het liet zelfs vuur uit de hemel naar beneden komen. Iedereen kon dat zien. Op die manier verleidde het beest de mensen op aarde om naar hem te luisteren. Het zei dat ze een beeld moesten maken van het eerste beest. Dat beest was door een zwaard dodelijk gewond, maar nu leefde het weer. 15Het tweede beest kreeg de macht om het beeld van het eerste beest te laten leven, en daardoor kon dat beeld spreken. En iedereen die er niet voor wilde knielen, werd gedood.

16Het tweede beest liet een teken zetten op de rechterhand of op het voorhoofd van alle mensen. Iedereen kreeg zo’n teken: jong en oud, rijk en arm, slaven en vrije mensen. 17Alleen mensen met dat teken mochten nog dingen kopen of verkopen.

Het teken was de naam van het eerste beest, of het getal dat je van zijn naam kunt maken. 18Het getal is 666. En nu moet je slim zijn. Want als je goed nadenkt, kun je uitrekenen wie ermee bedoeld wordt.

14

De volgelingen van het lam

Er zijn 144.000 mensen uitgekozen

141Toen zag ik het lam op de berg Sion staan, en bij het lam waren 144.000 mensen. Op hun voorhoofd stond de naam van het lam geschreven, en de naam van God.

2Uit de hemel hoorde ik een geluid komen, dat leek op het harde geluid van de donder of de bulderende zee. Het klonk als muziek van harpen. 3Er werd een nieuw lied gezongen voor God, en voor de vier dieren en de 24 leiders van het volk. Niemand kon dat lied leren, behalve de 144.000 mensen die bij het lam waren. Want alleen zij zijn bevrijd van hun schuld, en verder niemand op aarde. 4-5Zij gingen niet om met ongelovigen. Zij zijn zuiver gebleven. Ze volgden het lam, overal, zelfs tot in de dood. Ze hebben nooit gelogen, niets aan hen is verkeerd. Ze zijn bevrijd van hun schuld. En ze zijn uitgekozen om als geschenk aan God en het lam gegeven te worden.

Twee engelen met een boodschap

6Toen zag ik opnieuw een engel. Die engel vloog hoog in de lucht. Hij had een boodschap die geldt voor altijd en eeuwig. Die moest hij laten horen aan de mensen op aarde, mensen uit de hele wereld, van alle volken en talen. 7Met luide stem riep hij: ‘Heb eerbied voor God en vereer hem, want de dag van zijn oordeel is gekomen. Eer de God die de hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en de waterbronnen.’

8Daarna kwam er een tweede engel, die riep: ‘Aan de macht van de grote stad Babylon is een einde gekomen. De stad leek op een hoer die iedereen verleidde. Maar nu is haar tijd voorbij.’

Een derde engel met een boodschap

9-11Na die engelen kwam er een derde engel. Die engel riep met luide stem: ‘Iedereen die het beest en zijn beeld vereert, zal gestraft worden. Ook iedereen die het teken van het beest op zijn voorhoofd of hand heeft, wordt gestraft. Al die mensen zullen te maken krijgen met de vreselijke woede van God. God zal hen laten lijden in de zee van vuur en giftig gas. En het lam en de engelen zullen toekijken. Het vuur waarmee die mensen gestraft worden, zal altijd blijven branden, dag en nacht. Ze zullen nooit rust hebben.

12Blijf je dus houden aan Gods regels! Blijf in Jezus geloven! Het is belangrijk dat je dat volhoudt.’

13Toen hoorde ik een stem uit de hemel zeggen: ‘Schrijf op: ‘Gelukkig zijn vanaf nu de mensen die in Christus geloven als ze sterven.’’ En de Geest antwoordde: ‘Ja, zij mogen uitrusten. Want zij hebben volgehouden en veel goede dingen gedaan.’

Goede mensen zullen gered worden

14Toen zag ik een witte wolk. Op die wolk zat iemand die eruitzag als een mens. Op zijn hoofd had hij een gouden kroon, en in zijn hand een scherpe zeis.

15Ik zag nog een engel. Hij kwam uit de tempel in de hemel. Hij riep met luide stem: ‘Kom met je zeis, en maai het rijpe koren. Want het is tijd om te maaien, de aarde is rijp voor de oogst.’

16Toen liet de Mensenzoon op de wolk zijn zeis over de aarde gaan. En alle goede mensen werden weggehaald, als koren dat geoogst wordt.

Slechte mensen zullen gestraft worden

17Uit de tempel in de hemel kwam een tweede engel. Ook die engel had een scherpe zeis. 18En uit het altaar kwam een derde engel, een engel met macht over het vuur. Hij riep tegen de tweede engel: ‘Kom met je zeis, en oogst de druiven op aarde. Want de druiven in de wijngaard zijn rijp.’

19-20Toen liet de tweede engel zijn zeis over de aarde gaan, en alle slechte mensen werden als druiven verzameld. Ze werden in een grote ton gegooid en buiten Jeruzalem vertrapt. Zo liet God zijn woede zien. Er kwam een enorme stroom bloed uit de ton. De stroom was bijna zo hoog als een paard, en wel 300 kilometer lang.

15

De zeven straffen van God

Het lied van Mozes en het lam

151Toen zag ik in de hemel opnieuw een belangrijk en wonderlijk teken. Ik zag zeven engelen die de mensen moesten straffen. Ze hadden zeven straffen bij zich. Dat waren de laatste straffen van God, want daarna zou zijn woede voorbij zijn.

2Ik zag ook iets dat leek op een zee van glas, die schitterde als vuur. Op die zee van glas stonden mensen. Het waren de mensen die gewonnen hadden van het beest en van zijn beeld. Zij hadden het teken met het getal van zijn naam nooit gedragen.

Die mensen hadden harpen waarop ze muziek maakten voor God. 3En ze zongen het lied van Gods dienaar Mozes, en het lied van het lam:

‘Heer, machtige God,

u doet geweldige dingen.

U bent koning van alle volken,

uw oordeel is eerlijk en betrouwbaar.

4Iedereen heeft eerbied voor u,

iedereen eert uw naam,

want alleen u bent heilig.

Alle volken zullen voor u knielen,

want zij zien alle goede dingen die u doet.’

Zeven engelen met zeven straffen

5-6Toen zag ik hoe in de hemel de tempel openging. Uit de tempel met de heilige tent kwamen de zeven engelen met de zeven straffen. De engelen droegen kleren van stralend wit linnen, en om hun borst hadden ze een gouden band.

7Eén van de vier dieren gaf aan elke engel een gouden schaal. De schalen waren gevuld met de woede van God, die voor altijd en eeuwig leeft.

8Daarna werd de tempel met rook gevuld, door de macht en de kracht van God. Niemand kon de tempel meer binnengaan, totdat de zeven straffen voorbij waren.