Bijbel in Gewone Taal (BGT)
77

Psalm 77

771Een lied van Asaf. Voor de zangleider. Op de wijs van een lied van Jedutun.

Ik vraag God om hulp

2Ik roep naar God, ik schreeuw het uit!

Ik roep naar God, hij moet mij horen.

3Ik ben in nood, ik vraag de Heer om hulp.

Dag en nacht bid ik tot hem.

Ik vind geen rust, ik vind geen troost.

4Ik denk aan God en ik heb verdriet,

ik word wanhopig van het denken.

Ik ben onrustig

5Door God kan ik niet meer slapen.

Ik ben onrustig, maar ik weet niet waarom.

6Ik denk aan vroeger,

aan de jaren die voorbij zijn.

7Toen zong ik voor God in de nacht.

Nu lig ik maar te denken,

ik zoek een antwoord op mijn vragen.

8Wil de Heer zijn volk nooit meer zien?

Zal hij nooit meer van ons houden?

9Laat hij ons voorgoed alleen?

Zal hij nooit meer spreken?

10Weet God niet meer wat vergeving is?

Is hij alleen nog maar woedend?

11De allerhoogste God is veranderd,

hij laat niets meer zien van zijn macht.

Nu begrijp ik waarom ik lijd!

Ik denk aan vroeger

12Heer, ik denk weer aan uw daden,

aan de wonderen van vroeger.

13Ik wil over uw daden spreken,

ik wil al uw wonderen noemen.

14God, alles wat u doet, is heilig!

Geen andere god is zo machtig als u.

15U alleen doet wonderen,

u laat alle volken zien hoe machtig u bent.

16U hebt uw volk uit Egypte bevrijd,

de nakomelingen van Jakob en Jozef.

God leidde zijn volk

17God, toen u verscheen, begon de zee te beven,

de zee begon te beven van angst.

Tot in de diepte beefde het water.

18Regen stortte neer uit de wolken,

hoog in de lucht klonk de donder.

Overal liet u de bliksem flitsen,

19overal liet u de donder rollen.

Uw bliksems verlichtten de wereld,

de aarde schudde en beefde.

20U ging dwars door de zee,

dwars door het diepe water,

maar uw spoor was niet te zien.

21Met uw dienaren Mozes en Aäron

hebt u uw volk uit Egypte geleid,

zoals een herder zijn schapen leidt.

78

Psalm 78

781Een lied van Asaf.

De lessen van het verleden

Luister allemaal naar mijn woorden.

Luister goed, want ik wil jullie iets leren.

2Wijze woorden wil ik spreken,

wijze woorden over het verleden,

3over dingen die vroeger gebeurd zijn

en die wij van onze voorouders hoorden.

4Ook onze kinderen moeten dat weten.

Wij zullen hun het verhaal vertellen

over de machtige daden van de Heer,

de wonderen die hij heeft gedaan.

God maakte regels voor Israël

5De Heer gaf zijn wetten aan Israël,

hij maakte regels voor zijn volk.

Onze voorouders moesten die regels

weer aan hun kinderen leren.

6Want iedereen moest Gods regels kennen,

elk kind dat in Israël geboren werd.

Zo werden zijn wetten steeds doorgegeven.

7Het volk mocht niet vergeten

wat God voor hen gedaan had.

Ze moesten hem vertrouwen

en zich aan zijn regels houden.

8Ze moesten anders leven dan hun voorouders.

Die verzetten zich tegen God,

ze bleven hem niet trouw.

9De Israëlieten moesten anders zijn dan de mannen uit Efraïm.

Die hadden sterke wapens,

maar toen het oorlog werd, vluchtten ze weg.

10Ze hielden zich niet aan de wetten van God,

ze wilden niet leven volgens zijn wil.

11Ze waren vergeten wat God had gedaan,

vergeten welke wonderen ze hadden gezien.

God deed wonderen voor zijn volk

12God deed wonderen in Egypte,

in de velden bij Soan.

Onze voorouders hebben dat gezien.

13God maakte een pad door de zee,

en zij liepen over dat pad.

God hield het water tegen.

14God ging steeds voor hen uit,

overdag in een wolk,

’s nachts in licht en vuur.

15In de woestijn brak hij rotsen open,

er stroomde heel veel water uit.

Zo kon iedereen drinken.

16Het water kwam uit de stenen omhoog,

het stroomde als een brede rivier.

God gaf voedsel in de woestijn

17Maar de Israëlieten deden niet wat God wilde.

Ze verzetten zich tegen de Allerhoogste.

18Ze wilden weten hoe machtig hij was.

Daarom riepen ze in de woestijn om eten.

19Ze twijfelden, ze zeiden:

‘Kan God ons wel te eten geven,

hier, midden in de woestijn?

20Hij sloeg wel op de rotsen

en daar stroomde veel water uit.

Maar brood en vlees voor zijn volk,

kan hij daar ook voor zorgen?’

21Toen de Heer dat hoorde, werd hij kwaad,

heel kwaad op de Israëlieten.

Woedend werd hij op zijn volk.

22Want ze vertrouwden hem niet,

ze geloofden niet dat hij kon helpen.

23Toen stuurde God de wolken weg,

hij opende de deuren van de hemel.

24Hij liet brood naar beneden komen,

het leek alsof het regende.

Het volk kreeg eten uit de hemel.

25Ze aten het brood van de engelen.

God zorgde voor eten, meer dan genoeg.

26Daarna liet hij uit het oosten een wind waaien

en hij stuurde een storm uit het zuiden.

27Hij liet vogels naar beneden vallen,

zo veel als er zand is bij de zee.

Het leek alsof het regende.

28Midden tussen de tenten van de Israëlieten

vielen de vogels op de grond.

29De mensen aten de vogels op.

Ze kregen zo veel vlees als ze wilden.

30-31Maar terwijl ze nog aan het eten waren,

werd God woedend op hen.

De grootste eters sloeg hij dood,

de sterkste Israëlieten stierven.

Steeds opnieuw had God geduld

32Toch deed het volk niet wat God wilde.

Ze vertrouwden niet op zijn wonderen.

33Daarom liet God hen zwerven,

hij liet hen sterven in de woestijn.

34Soms doodde God mensen uit het volk.

Dan zocht het volk hem weer,

dan verlangden ze weer naar hem.

35En dan wisten ze weer:

God is trouw aan ons,

de Allerhoogste is onze bevrijder.

36Toch werden ze weer ontrouw,

ze waren niet eerlijk tegen God.

37Ze dachten niet meer aan hem

en deden niet wat ze hem hadden beloofd.

38Maar God had medelijden met hen.

Hij strafte hen niet voor hun fouten,

hij doodde hen niet allemaal.

Hij liet niet zien hoe boos hij was,

steeds opnieuw had hij geduld.

39Want hij kende de Israëlieten.

Hij wist hoe klein en zwak ze waren,

zo zwak als adem die je uitblaast.

Het volk vergat Gods wonderen

40Steeds weer maakten ze God boos,

daar in de woestijn.

Steeds weer verzetten ze zich tegen hem,

in dat droge land.

41Steeds weer wilden ze weten

wat hij allemaal kon.

Zo beledigden ze de heilige God van Israël.

42Ze vergaten dat hij hen geholpen had,

dat hij hen bevrijd had van hun vijanden.

43Ze vergaten zijn grote daden in Egypte,

en de wonderen die hij deed bij Soan.

44Hij had rivieren veranderd in bloed,

het water was niet meer te drinken.

45Hij stuurde steekvliegen naar Egypte,

dat was een straf voor het volk.

Hij stuurde kikkers naar Egypte,

dat was een ramp voor het land.

46Hij had ook sprinkhanen gestuurd.

Die aten alle planten op

en vernietigden de oogst.

47Met hagelstenen vernielde God de wijngaarden,

met harde regen maakte hij de vijgenbomen kapot.

48God had de koeien met hagelstenen gedood,

met bliksem doodde hij de schapen.

49Woedend was hij op de Egyptenaren,

hij was verschrikkelijk kwaad.

Hij stuurde engelen om rampen te brengen.

50God was woedend op de Egyptenaren,

en dat liet hij merken ook.

Hij liet hen sterven aan de pest,

hij beschermde hen niet tegen de dood.

51Alle oudste zonen in Egypte doodde hij,

alle sterke jongens van het land.

God gaf zijn volk een eigen land

52Toen liet God zijn volk weggaan uit Egypte,

en hij leidde hen door de woestijn.

Hij zorgde goed voor hen,

zoals een herder voor zijn schapen zorgt.

53Hij leidde hen, ze waren veilig.

Ze hoefden nergens bang voor te zijn,

want hun vijanden waren verdronken in zee.

54Hij bracht zijn volk naar zijn heilige land,

hij bracht hen naar zijn heilige berg.

55De volken die er woonden, jaagde hij weg,

en hij verdeelde het land in stukken.

Daar konden de Israëlieten wonen.

God strafte het ontrouwe volk

56Maar de Israëlieten verzetten zich weer tegen God.

Ze wilden weten hoe groot zijn macht was.

Ze hielden zich niet aan de regels van de Allerhoogste.

57Ze deden niet wat ze moesten doen.

Ze bleven God niet trouw,

ze waren net als hun voorouders.

58Ze offerden overal waar ze wilden,

en ze maakten God kwaad met hun godenbeelden.

59Toen werd God woedend,

hij wilde niets meer van Israël weten.

60Hij wilde niet meer wonen in de tempel in Silo,

hij wilde daar niet langer blijven.

61Hij beschermde de heilige kist niet meer.

Die kon de vijand zo meenemen.

62God was woedend op zijn eigen volk.

Hij stuurde vijanden om hen te doden.

63Er stierven zo veel jongens in de strijd

dat meisjes geen man meer konden vinden.

64De priesters werden vermoord,

hun vrouwen huilden in stilte.

God maakte een nieuw begin

65De Heer deed niets.

Het leek wel of hij sliep,

alsof hij in een diepe slaap was.

Maar toen hij opstond,

was hij meteen klaar voor de strijd.

66Hij verjaagde de vijanden voorgoed.

Niemand had meer respect voor hen.

67Maar de Heer wilde niet in Efraïm blijven,

hij zocht een andere plaats voor zijn tempel.

68Hij koos Juda en de berg Sion,

want die berg had hij lief.

69Daar bouwde hij voor altijd zijn tempel,

zo hoog als de hemel, zo stevig als de aarde.

70Hij koos David, zijn dienaar.

Hij haalde hem bij de schapen vandaan.

71Een gewone herder werd koning van Israël.

Alleen hij kon Gods eigen volk leiden.

72David zorgde trouw voor hen,

hij leidde zijn volk met wijsheid.

79

Psalm 79

791Een lied van Asaf.

De stad van God is verwoest

God, vreemdelingen hebben uw land veroverd.

Ze zijn met geweld uw heilige tempel binnengegaan,

en ze hebben Jeruzalem verwoest.

2Ze hebben uw dienaren gedood.

Hun lichamen lagen op straat,

als voer voor de roofvogels,

als eten voor de wilde dieren.

3Overal stroomde het bloed van uw volk,

en niemand kwam de doden begraven.

4Nu lachen de andere volken ons uit,

ze beledigen ons en spotten met ons.

God, vergeef ons en red ons

5Heer, blijft u voor altijd boos op ons?

Gaat uw woede nooit voorbij?

6Straf de volken om ons heen,

laat ze zien hoe woedend u bent!

Zij kennen u niet,

ze bidden niet tot u.

7Ze hebben ons vernietigd,

ze hebben ons land verwoest.

8God, onze ellende is groot.

Vergeef ons, wacht niet langer!

Straf ons niet voor de fouten van onze voorouders.

9U bent machtig,

help ons en red ons.

U bent onze God,

red ons en vergeef ons!

God, straf onze vijanden

10Waarom mogen onze vijanden zeggen:

‘Waar is nu die God van jullie?’

Laat ons toch zien dat u er bent!

Straf onze vijanden,

straf hen voor de moord op uw dienaren.

11Wij zitten gevangen in verre landen,

we sterven bijna.

Hoor ons gebed!

Uw macht is groot,

u kunt ons redden.

Houd ons in leven!

12Heer, straf de volken om ons heen.

Straf ze hard, straf ze telkens weer,

want ze hebben u beledigd en bespot.

13Maar wij zijn uw volk.

U moet voor ons zorgen,

zoals een herder voor zijn schapen zorgt.

Dan zullen wij u altijd danken,

dan zullen we steeds weer vertellen over uw daden!