Bijbel in Gewone Taal (BGT)
72

Psalm 72

721Een lied van Salomo.

God, laat er overal vrede zijn

God, help de koning.

Help hem om een goede heerser te zijn,

net zo rechtvaardig als u.

2Help hem om een eerlijke rechter te zijn,

een goede leider van uw trouwe volk.

3Laat er overal vrede zijn,

op alle bergen, op alle heuvels.

4God, help de koning,

help hem om goed te zijn voor arme mensen,

voor mensen zonder macht.

Zorg dat hij hun onderdrukkers doodt.

5Laat de koning heel lang leven,

zo lang als de zon en de maan bestaan,

zo lang als er mensen op aarde zijn.

6Zorg dat hij goed is voor mensen,

zoals regen goed is voor droog land.

7Laat het goed gaan met eerlijke mensen,

zo lang als de koning regeert.

Laat er overal vrede zijn,

zo lang als de maan bestaat.

8Laat de koning heersen over de hele aarde,

van het oosten tot het westen,

van het noorden tot het zuiden.

9Laten de volken uit de woestijn hem dienen,

en laten zijn vijanden voor hem knielen.

10Laten andere heersers hem geschenken brengen,

overal vandaan.

Laten zij hem kostbare schatten geven.

11Laten ze hem gehoorzaam zijn,

laten alle volken naar hem luisteren.

De koning redt arme mensen

12De koning zal arme mensen bevrijden,

mensen in nood zal hij helpen.

Iedereen die om hulp roept, zal hij helpen.

13Mensen zonder macht zal hij bevrijden,

hij zal het leven van arme mensen redden.

14Hij zal hen redden uit gevaar,

hij zal hen bevrijden van geweld,

want hun leven is kostbaar voor hem.

15Laat de koning lang regeren!

Mensen zullen hem goud geven

en steeds voor hem bidden.

Ze zullen God vragen om de koning te helpen,

elke dag opnieuw.

16Overal zal koren groeien,

zelfs boven op de bergen.

Het rijpe koren bedekt het hele land,

zoals bossen de Libanon-bergen bedekken.

En iedereen zal leven in vrede en geluk.

17De koning zal altijd machtig zijn,

zo lang als de zon bestaat.

Iedereen zal dat weten.

Alle volken eren de koning.

Ze willen net zo gelukkig worden als hij,

dat wensen ze elkaar toe.

Laat iedereen God danken

18Laat iedereen God danken.

Hij is de Heer, de God van Israël.

Hij doet wonderen, hij alleen.

19Laat iedereen hem altijd danken,

want hij is machtig.

Laat God over de hele aarde heersen.

Amen, amen!

20Hier eindigen de gebeden van David, de zoon van Isaï.

73

Psalm 73

731Een lied van Asaf.

Slechte mensen lijken gelukkig

God is goed voor Israël,

voor de mensen die hem trouw zijn.

2Toch was ik bijna bij hem weggegaan.

Bijna ging het mis met mij.

3Want ik was jaloers op slechte mensen.

Steeds zag ik hoe gelukkig zij zijn.

4Ze zijn nooit ziek,

ze zien er altijd gezond uit.

5Ze hebben geen zorgen en geen pijn,

ze lijden niet, zoals andere mensen.

6Slechte mensen zijn trots,

ze voelen zich sterker dan anderen.

Onrecht vinden ze heel gewoon.

7Ze hebben het veel te goed

en ze vinden zichzelf geweldig.

8Ze lachen andere mensen uit.

Ze spreken kwaad over anderen

en dreigen met geweld.

9Ze beledigen God

en ze doen mensen pijn met hun woorden.

10Omdat het met slechte mensen goed gaat,

loopt iedereen achter hen aan.

Iedereen gelooft hun woorden graag.

11Slechte mensen zeggen:

‘De allerhoogste God merkt toch niets.

Hij weet niet wat wij doen.’

12Zo zijn slechte mensen:

ze hebben nooit zorgen

en ze worden steeds rijker.

Toch gaat het fout met slechte mensen

13Ben ik dan voor niets eerlijk geweest?

Heb ik voor niets altijd goed geleefd?

14Elke dag moest ik lijden.

God strafte me, elke ochtend weer.

15Maar ik wilde niet meepraten met slechte mensen.

Ik wilde trouw blijven aan God en zijn volk.

16Daarom probeerde ik te begrijpen

waarom het met slechte mensen goed gaat.

Op die vraag vond ik geen antwoord.

17Maar toen ging ik naar de tempel van God.

Daar ontdekte ik hoe het met slechte mensen afloopt.

18Nu is het mij duidelijk, Heer.

U zorgt dat het met slechte mensen fout gaat.

Er zal niets van hen overblijven.

19Ze worden in één keer vernietigd.

Hun einde is verschrikkelijk.

20Als u hen wegjaagt, Heer,

dan verdwijnen ze meteen,

net zo snel als een droom verdwijnt in de ochtend.

Wie dicht bij God is, is veilig

21Vroeger was ik vaak kwaad van binnen.

Ik vond het leven niet eerlijk.

22Ik begreep er niets van,

ook al was ik dicht bij u.

23Maar nu weet ik

dat u er altijd voor mij bent.

U houdt mijn hand vast,

24u leidt me en u geeft me raad.

En eens zult u mij bij u nemen.

25U bent alles voor mij,

in de hemel en op aarde.

26Ook als ik geen kracht meer heb,

als ik heel zwak ben,

dan bent u er, God.

Altijd ben ik veilig bij u,

u bent alles wat ik nodig heb.

27Met mensen die u niet willen eren,

loopt het verkeerd af.

Iedereen die niet trouw is aan u,

verdwijnt voor altijd.

28Maar mij beschermt u, Heer.

Ik wil graag dicht bij u zijn, God.

Ik vertel over uw goedheid, overal.

74

Psalm 74

741Een lied van Asaf.

God, vergeet uw volk niet

God, waarom wilt u ons niet meer zien?

Waarom bent u woedend op ons?

U zou toch voor ons zorgen?

2Denk aan het volk dat u eens hebt uitgekozen.

Denk aan de mensen die u bevrijd hebt

en die voor altijd bij u horen.

Denk aan de berg Sion,

de plek waar u woonde.

3Kom terug naar uw stad,

waar alleen nog maar puin ligt.

Kom terug naar uw tempel,

die verwoest is door uw vijanden.

4Midden in uw huis stonden zij te schreeuwen.

Ze zetten er hun vlag neer

als teken van hun overwinning.

5-6Ze zwaaiden hun bijlen omhoog

en hakten wild om zich heen.

Alle versieringen sloegen ze stuk.

7Ze staken uw heilige tempel in brand,

ze verwoestten de plaats waar u woonde.

Ze hadden geen respect voor uw huis.

8Ze wilden ons allemaal vernietigen,

ze verbrandden alle tempels in het land.

God, waarom doet u niets?

9God, wij krijgen van u geen enkel teken.

Er is niet één profeet meer,

en niemand weet hoe lang dat nog duurt.

10Hoe lang zullen uw vijanden nog om u lachen?

Mogen ze altijd met u blijven spotten?

11-12God, waarom doet u niets?

U bent toch altijd onze koning geweest?

U hebt uw volk en uw land toch altijd geholpen?

Laat ons zien hoe machtig u bent,

vernietig uw vijanden!

13Met grote kracht hebt u de zee in tweeën gedeeld,

en de koppen van zeemonsters vernietigd.

14U hebt hun koppen stukgeslagen,

en hun vlees gevoerd aan de wilde dieren.

15U hebt rivieren laten stromen,

en ze weer veranderd in droog land.

16De dag is van u, de nacht is van u.

U hebt de zon en de maan een plaats gegeven.

17U hebt de grenzen van de aarde bepaald,

u hebt de zomer en de winter gemaakt.

Heer, denk aan wat u ons beloofd hebt

18Heer, hoor hoe uw vijanden lachen,

hoor hoe dom ze zijn, hoe ze met u spotten!

19Heer, wij zijn toch uw volk,

zonder u kunnen we niets.

Bescherm ons tegen het geweld van uw vijanden,

vergeet ons niet voorgoed.

20Help ons, zoals u beloofd hebt!

Het land is vol geweld,

nergens is het meer veilig.

21Laat onderdrukte mensen niet in de steek!

Als u ze helpt, zullen ze weer voor u zingen.

22God, doe iets en verdedig uzelf!

Hoor toch hoe slechte mensen om u lachen,

elke dag weer.

23Hoor hoe uw vijanden schreeuwen,

ze blijven maar tekeergaan!