Bijbel in Gewone Taal (BGT)
37

Psalm 37

371Een lied van David.

Zoek je geluk bij de Heer

Wees niet jaloers op slechte mensen,

erger je niet aan mensen die kwaad doen.

2Want ze verdwijnen snel,

zoals gras dat verdort,

zoals een bloem die verdroogt.

3Vertrouw op de Heer en doe wat goed is.

Dan zul je veilig leven in het land waar je woont.

4Zoek je geluk bij de Heer,

want hij zal je alles geven wat je vraagt.

5Laat je leiden door de Heer.

Vertrouw op hem, hij zal je helpen.

6Hij zal je alles geven waar je recht op hebt.

Je zult stralen als het licht in de ochtend,

als de zon in de middag.

Wees geduldig

7Wees geduldig en wacht,

wacht af wat de Heer doet.

Als het goed gaat met slechte mensen,

word dan niet kwaad.

8Word niet boos, maar blijf kalm.

Maak je niet kwaad,

want woede brengt alleen maar ellende.

9-11Mensen die vertrouwen op de Heer

zullen voor altijd in vrede leven.

Mensen die het nu moeilijk hebben,

zullen veilig wonen, voorgoed.

Zij zullen genieten en gelukkig zijn.

Maar slechte mensen zullen verdwijnen,

er blijft niets van ze over.

Nog even, en ze zijn weg.

Nog even, en ze zijn niet meer te vinden.

Slechte mensen zullen alles verliezen

12Slechte mensen dreigen met geweld,

ze haten iedereen die eerlijk is.

13Maar de Heer lacht om hen,

hij weet dat hun einde snel komt.

14Ze pakken hun zwaard,

ze grijpen hun pijl en boog.

Want ze willen arme mensen vermoorden,

mensen zonder macht,

mensen die eerlijk leven.

15Maar ze worden zelf gedood,

door hun eigen zwaard,

door hun eigen pijlen.

16Je kunt beter eerlijk zijn en arm,

dan slecht en rijk.

17Want slechte mensen zullen alles verliezen,

maar de Heer helpt mensen die eerlijk zijn.

De Heer zegent goede mensen

18De Heer zorgt voor mensen die naar hem luisteren.

Hij geeft ze een land waar ze voorgoed kunnen wonen.

19Hij helpt hen in moeilijke tijden.

Als er hongersnood is, hebben zij eten genoeg.

20Maar de vijanden van God zullen sterven.

Ze lijken op de bloemen in het gras:

vandaag bloeien ze,

maar morgen zijn ze verdwenen.

21Slechte mensen lenen dingen van anderen,

maar ze geven nooit iets terug.

Goede mensen geven graag dingen weg,

zij weten wat liefde is.

22Aan goede mensen geeft de Heer geluk en vrede,

zij zullen het altijd goed hebben.

Maar slechte mensen vervloekt hij,

zij worden vernietigd.

23De Heer leidt mensen die trouw zijn aan hem,

zodat ze weten wat ze moeten doen.

24Ook al struikelen ze, ze vallen niet,

want de Heer houdt hen vast.

De Heer heeft eerlijke mensen lief

25Ik ben oud, ik leef al lang.

En steeds heb ik gezien

dat de Heer goede mensen helpt.

Hun kinderen hebben altijd genoeg te eten.

26Goede mensen lenen graag dingen aan anderen,

zij weten wat liefde is.

Hun kinderen zijn gelukkige mensen.

27Doe dus geen kwaad, maar wees goed.

Dan zul je altijd veilig zijn.

28-29Want de Heer heeft eerlijke mensen lief.

Hij helpt mensen die trouw zijn aan hem,

hij beschermt hen altijd.

Goede mensen zullen in vrede leven.

Zij mogen altijd veilig wonen.

Maar de kinderen van slechte mensen zullen verdwijnen,

er blijft niets van ze over.

De Heer beloont goede mensen

30Goede mensen spreken wijze woorden.

Wat ze zeggen, is eerlijk en goed.

31Ze kennen de wet van God.

Daardoor maken ze geen fouten.

32Toch zijn ze steeds in gevaar,

want slechte mensen willen hen doden.

33Maar de Heer beschermt hen,

hij verdedigt hen tegen slechte rechters.

34Vertrouw op de Heer en houd je aan zijn wetten.

Hij zal je belonen, je zult in vrede leven.

Maar slechte mensen worden vernietigd.

Er blijft niets van ze over.

En jij zult dat zien.

Eerlijke mensen leven lang

35Ik heb een slecht mens gekend,

die andere mensen onderdrukte.

Zelf werd hij rijk en machtig.

36Maar op een dag was hij verdwenen.

Ik zocht hem, maar ik vond hem niet.

37Kijk naar goede en eerlijke mensen,

mensen die geluk en vrede zoeken.

Zij zullen lang leven.

38Maar mensen die zich tegen God verzetten,

zullen verdwijnen.

Er blijft niets van ze over.

39De Heer redt goede mensen,

hij beschermt hen in moeilijke tijden.

40De Heer helpt hen en bevrijdt hen,

hij bevrijdt hen van slechte mensen.

Hij redt hen allemaal.

Goede mensen zijn veilig bij de Heer.

38

Psalm 38

381Een lied van David. Een gebed om hulp.

Heer, straf mij niet langer

2Heer, straf mij niet langer,

ook al bent u boos.

Doe me niet langer pijn,

ook al bent u woedend.

3Uw hand heeft mij geslagen,

u hebt mij hard geraakt.

4Overal heb ik pijn,

mijn hele lichaam is ziek.

U bent woedend op mij,

want ik heb veel fout gedaan.

5Mijn zonden zijn te groot,

ze zijn te zwaar voor mij.

6Ik heb dom en dwaas geleefd.

Daarom ben ik ziek,

mijn wonden stinken en rotten.

7Ik loop krom, met mijn hoofd omlaag.

Elke dag weer draag ik sombere kleren.

8Overal heb ik pijn,

en ook van binnen ben ik ziek.

9Ik kan niet meer, ik ben doodmoe.

Mijn hart bonst hevig,

ik schreeuw het uit van angst!

Ik heb geen kracht meer

10Heer, u weet wat ik nodig heb,

u kent mijn verdriet.

11Mijn hart bonst hevig,

ik heb geen kracht meer,

ik zie niets meer.

12Mijn vrienden zien hoe ik lijd,

maar ze komen niet bij me.

Zelfs mijn familie blijft weg.

13Mijn vijanden willen me grijpen en doden,

ze maken me bang.

Mijn vijanden vertellen leugens,

elke dag weer.

14Maar ik zeg niets,

ik doe alsof ik niet kan spreken.

Ik wil niet naar ze luisteren.

15Ik doe alsof ik doof ben,

en ik verdedig me niet.

Heer, laat mij niet alleen

16Ik vertrouw op u, Heer.

U zult mij antwoord geven, God.

17Ik wil niet dat mijn vijanden om mij lachen,

ik wil niet dat ze vrolijk zijn omdat ik val.

18Ik kan bijna niet meer staan,

en ik heb voortdurend pijn.

19Ik wil zeggen wat ik verkeerd gedaan heb,

anders vind ik geen rust.

20Ik heb heel veel vijanden,

maar ik weet niet waarom ze mij haten.

21Ik wil goed doen, maar zij zijn tegen mij.

Voor mijn goedheid krijg ik ellende terug.

22Mijn God, blijf niet ver weg van mij.

Heer, laat mij niet alleen.

23U kunt mij redden, Heer,

kom snel en help mij!

39

Psalm 39

391Een lied van David. Voor Jedutun, de zangleider.

Ik kan niet langer zwijgen

2Ik dacht: Ik moet me inhouden.

Ik zal mijn mond niet opendoen,

want ik wil geen verkeerde dingen zeggen.

Ik wil niet meedoen met slechte mensen.

3En ik was stil, ik zei geen woord.

Ik zweeg, maar ik bleef ongelukkig.

Ik hield het bijna niet meer uit.

4Het was alsof ik in brand stond,

mijn gedachten leken wel vlammen.

En toen begon ik toch te spreken.

5Ik zei: ‘Heer, zeg me wanneer ik zal sterven.

Ik wil weten hoe lang ik nog leven moet,

vertel me wanneer mijn leven voorbij is.

6-7U hebt al bepaald dat het kort zal zijn.

Voor u is mijn leven niets,

het verdwijnt zo snel als een schaduw.

Het bestaan van een mens is zinloos.

Mensen maken zich druk, maar het leidt tot niets.

Als ze sterven, zijn ze alles kwijt.

8Heer, is er nog hoop voor mij?

Ik kan alleen op u vertrouwen.

9Vergeef me wat ik fout gedaan heb.

Laat slechte mensen mij niet uitlachen.’

Laat mij niet langer lijden

10Eerst wilde ik niet spreken,

want u gaf mij deze pijn.

11Maar nu vraag ik u:

Laat mij niet langer lijden.

U straft mij zo streng dat ik bijna sterf.

12U straft mensen voor hun fouten,

ze raken alles kwijt.

Een mens betekent niets voor u.

13Heer, hoor mijn gebed.

Hoor hoe ik om hulp roep,

hoor hoe ik huil.

Ik ben maar kort op aarde,

net zoals mijn voorouders.

Ik ben hier niet voor altijd.

14Laat mij daarom nu met rust.

Dan beleef ik misschien nog wat geluk,

voordat ik sterf en voorgoed verdwijn.