Bijbel in Gewone Taal (BGT)
23

Psalm 23

231Een lied van David.

De Heer zorgt voor mij

De Heer zorgt voor mij,

zoals een herder voor zijn schapen zorgt.

Hij geeft me alles wat ik nodig heb.

2-3Hij leidt mij,

zoals een herder zijn schapen leidt

naar groen gras en fris water.

Bij de Heer ben ik veilig,

hij geeft mij nieuwe kracht,

zo goed is hij.

4Ik ben niet bang,

ook al is er gevaar,

ook al is het donker om mij heen.

Want u bent bij mij, Heer.

U beschermt me,

u geeft mij moed.

5U nodigt mij uit in uw tempel.

U zorgt goed voor mij.

U geeft me te eten en te drinken,

meer dan genoeg.

En al mijn vijanden kunnen dat zien.

6U geeft me geluk en liefde,

altijd en overal.

Ik zal bij u zijn in uw tempel,

mijn hele leven lang.

24

Psalm 24

241Een lied van David.

De aarde is van de Heer

Van de Heer is de aarde en alles wat er leeft,

van hem is de wereld en ieder die er woont.

2Want de Heer heeft de aarde gemaakt,

hij heeft de aarde vastgezet in zee.

Wie mag er in Gods tempel komen?

3Wie mag de berg van de Heer beklimmen?

Wie mag er in zijn tempel komen?

4Mensen die goed doen en eerlijk zijn,

mensen die niet liegen bij de rechter.

5De Heer zal hen gelukkig maken.

Hij zal hen beschermen en helpen.

6Want zij zijn het volk van Jakob,

het volk dat bij God wil zijn.

Laat de Heer binnenkomen in de tempel

7Poorten van de tempel, ga open.

Ga wijd open, prachtige deuren!

De grote koning wil binnenkomen.

8Wie is dan die grote koning?

Het is de Heer, machtig en sterk.

Het is de Heer, sterk in de strijd.

9Poorten van de tempel, ga open.

Ga wijd open, prachtige deuren!

De grote koning wil binnenkomen.

10Wie is dan die grote koning?

Het is de machtige Heer.

Hij is die grote koning!

25

Psalm 25

251Een lied van David.

Ik verlang naar de Heer

Heer, ik verlang naar u.

2Op u vertrouw ik, God.

Laat me niet alleen!

Zorg dat mijn vijanden me niet verslaan,

laat ze niet om me lachen.

3U helpt mensen die op u vertrouwen,

maar u straft mensen die u niet trouw zijn.

4Heer, laat mij zien hoe ik moet leven,

wijs mij de goede weg.

5Leer me om trouw te zijn aan u,

zeg me wat ik moet doen.

Want u bent mijn God,

u bent mijn redder.

Ik hoop op uw hulp,

elke dag weer.

6U bent altijd goed geweest voor uw volk.

Wees dan nu ook goed voor mij.

7Toen ik jong was,

heb ik veel verkeerd gedaan.

Heer, vergeet het!

Denk daar niet meer aan.

U bent toch goed en trouw?

De Heer is goed

8De Heer is goed en eerlijk,

hij leert slechte mensen om goed te leven.

9Hij wijst ook de goede weg

aan mensen die op hem vertrouwen.

Hij zegt hun wat ze moeten doen.

10De Heer is altijd goed en trouw

voor mensen die hem gehoorzaam zijn.

11Ik weet hoe goed u bent, Heer.

Vergeef me mijn zonden,

hoe groot die ook zijn!

12De Heer wijst de goede weg

aan mensen die hem trouw zijn.

Hij zegt hun hoe ze moeten leven.

13Dan worden ze gelukkig,

en hun kinderen zullen in vrede leven.

14De Heer is dichtbij voor mensen die hem trouw zijn.

Hij geeft hun zijn wetten en regels.

Ik zoek hulp bij de Heer

15Heer, ik denk steeds aan u,

want u redt mij van mijn vijanden.

16Kom bij me en laat me uw liefde zien,

want ik ben ongelukkig en alleen.

17Ik word steeds banger,

bevrijd me uit de ellende!

18Zie hoe moeilijk ik het heb,

en vergeef me al mijn zonden.

19Zie hoeveel vijanden ik heb,

zie hoe ze mij haten en bedreigen.

20Bescherm mij en red mij!

Bij u zoek ik hulp,

laat me niet alleen.

21Ik wil altijd goed en eerlijk leven,

en ik vertrouw op u.

22God, bevrijd Israël,

bevrijd uw volk uit alle gevaar.