Bijbel in Gewone Taal (BGT)
133

Psalm 133

1331Een lied van David. Voor de reis naar Jeruzalem.

De Heer zorgt voor een gelukkig leven

Wat is het leven goed en mooi

als mensen in liefde met elkaar leven!

2Iedereen geniet,

zoals je geniet van de geur van olie

bij een feest in de tempel.

3Iedereen geniet,

zoals je geniet van de dauw

’s ochtends op de berg Sion.

Want daar geeft de Heer geluk en vrede,

voor altijd.

134

Psalm 134

1341Een lied voor de reis naar Jeruzalem.

Dank de Heer

Volk

Dank de Heer, dienaren van God,

jullie die dag en nacht in zijn tempel zijn.

2Bid in zijn heilige tempel,

dank de Heer!

Priesters

3Laat de Heer jullie geluk en vrede geven vanuit Sion,

de Heer die de hemel en de aarde gemaakt heeft.

135

Psalm 135

De Heer is machtig

1351Halleluja!

Zing voor de Heer!

Dienaren van de Heer,

zing voor hem.

2Jullie die in zijn tempel zijn,

die werken in het huis van onze God,

zing voor de Heer!

3Zing voor de Heer,

want hij is goed.

Maak muziek voor hem,

want hij maakt ons gelukkig.

4De Heer heeft Israël uitgekozen,

het volk van Jakob hoort bij hem.

5Ik weet hoe machtig de Heer is,

machtiger dan alle andere goden.

6De Heer doet alles wat hij wil,

in de hemel, op de aarde

en in de diepe zeeën.

7Hij haalt wolken van het einde van de aarde,

van hem komt de regen en de bliksem,

uit zijn hemel stuurt hij de wind.

De Heer heeft Israël altijd geholpen

8-9De Heer deed grote daden in Egypte.

Hij doodde daar de oudste zonen van de mensen,

en het eerste jong van elk dier.

De Heer liet wonderen zien

aan de farao en al zijn dienaren.

10De Heer overwon veel volken,

hij doodde hun machtige koningen.

11Hij doodde Sichon, de koning van de Amorieten

en Og, de koning van Basan.

Hij doodde alle koningen van Kanaän.

12Hun land gaf hij aan Israël,

zijn volk mocht daar voor altijd wonen.

13De Heer blijft altijd machtig,

iedereen zal over hem blijven spreken.

14Hij beschermt zijn volk,

hij is goed voor zijn dienaren.

Afgoden kunnen niets

15De goden van andere volken kunnen niets.

Het zijn beelden van zilver en goud,

die door mensen gemaakt zijn.

16Ze hebben een mond,

maar ze kunnen niet praten.

Ze hebben ogen,

maar ze kunnen niet zien.

17Ze hebben oren,

maar ze kunnen niet horen.

Ze hebben een mond,

maar ze ademen niet.

18Mensen die zulke beelden maken,

mensen die op zulke beelden vertrouwen,

worden net zoals die beelden:

ze kunnen niets meer.

Laat iedereen de Heer danken

19Israëlieten, dank de Heer.

Priesters, dank de Heer.

20Levieten, dank de Heer.

Dienaren van de Heer, dank hem!

21Inwoners van Sion, dank de Heer,

de Heer die woont in Jeruzalem.

Halleluja!