Bijbel in Gewone Taal (BGT)
129

Psalm 129

1291Een lied voor de reis naar Jeruzalem.

De Heer heeft Israël bevrijd

Kom, maak het overal bekend:

Altijd al hebben we vijanden gehad.

2Altijd al, vanaf het eerste begin,

maar nooit hebben ze ons verslagen.

3We zijn zwaar onderdrukt,

we moesten veel lijden.

4Maar de Heer heeft ons bevrijd.

Hij is goed.

5De vijanden van Sion zullen verdwijnen,

ze worden weggejaagd,

6ze zullen niet langer bestaan.

Ze verdwijnen als gras dat op daken groeit

en dat meteen verdort.

7Niemand kan het maaien,

niemand kan het oogsten,

zo snel is het verdwenen.

8Tegen die mensen zegt niemand:

‘De Heer zal goed voor jullie zijn.’

Maar aan ons zal de Heer geluk en vrede geven.

130

Psalm 130

1301Een lied voor de reis naar Jeruzalem.

Heer, ik ben wanhopig

Ik ben wanhopig, Heer!

Daarom roep ik naar u.

2Heer, hoor mijn stem,

luister naar mij,

hoor hoe ik smeek!

3Heer, als u steeds op onze zonden let,

dan zijn wij altijd schuldig.

4Maar u vergeeft ons,

en daarom eren wij u!

De Heer bevrijdt ons

5Ik verlang naar de Heer,

ik wacht op hem,

ik vertrouw op zijn woorden.

6Ik verlang naar de Heer,

meer dan een nachtwaker verlangt naar de ochtend,

naar het licht van de nieuwe dag.

7Volk van Israël, vertrouw op de Heer!

Want hij is goed en trouw,

hij bevrijdt ons, altijd weer.

8De Heer zal ons van alle schuld bevrijden.

131

Psalm 131

1311Een lied van David. Voor de reis naar Jeruzalem.

Ik ben veilig bij de Heer

Heer, ik voel me niet beter dan anderen,

ik denk niet dat ik belangrijk ben

of dat ik alles kan.

2Nee, ik ben rustig en stil,

ik voel me veilig bij u,

zoals een kind in de armen van zijn moeder.

3Israël, vertrouw op de Heer,

nu en altijd!