Bijbel in Gewone Taal (BGT)
127

Psalm 127

1271Een lied van Salomo. Voor de reis naar Jeruzalem.

De Heer geeft je een goed leven

Als de Heer niet helpt

bij het bouwen van een huis,

dan heeft het geen zin,

ook al doen de bouwers hun best.

Als de Heer niet helpt

bij het verdedigen van een stad,

dan heeft het geen zin,

ook al letten de bewakers goed op.

2Je kunt wel hard werken,

van de vroege ochtend tot de late avond,

maar dat heeft geen zin.

Want de Heer zorgt voor je,

hij geeft je een goed leven, uit liefde.

Je hoeft er niets voor te doen.

3Ook kinderen zijn een geschenk van de Heer,

je krijgt ze van hem.

4Het is goed om veel kinderen te hebben.

Zij helpen je als het leven moeilijk is.

5Als je veel kinderen hebt, ben je een gelukkig mens.

Want zij zullen je verdedigen

als je vijanden je beschuldigen.

Je hoeft voor niemand bang te zijn.

128

Psalm 128

1281Een lied voor de reis naar Jeruzalem.

De Heer maakt goede mensen gelukkig

Gelukkig ben je

als je trouw bent aan de Heer,

als je leeft volgens zijn wetten.

2Dan geniet je van alles

waarvoor je gewerkt hebt.

Het zal goed met je gaan,

en je zult gelukkig zijn.

3Je vrouw heeft veel kinderen,

zo veel als druiven aan een tros.

Ze zitten bij je aan tafel, jong en sterk.

4Zo maakt de Heer je gelukkig,

als je trouw bent aan hem.

5Laat de Heer je geluk en vrede geven

vanuit zijn tempel op de berg Sion.

Dan zul je blij zijn, elke dag,

omdat het goed gaat met Jeruzalem.

6Je zult lang leven,

je zult je kleinkinderen nog zien.

Zij zullen je vreugde brengen.

Heer, geef vrede aan Israël.

129

Psalm 129

1291Een lied voor de reis naar Jeruzalem.

De Heer heeft Israël bevrijd

Kom, maak het overal bekend:

Altijd al hebben we vijanden gehad.

2Altijd al, vanaf het eerste begin,

maar nooit hebben ze ons verslagen.

3We zijn zwaar onderdrukt,

we moesten veel lijden.

4Maar de Heer heeft ons bevrijd.

Hij is goed.

5De vijanden van Sion zullen verdwijnen,

ze worden weggejaagd,

6ze zullen niet langer bestaan.

Ze verdwijnen als gras dat op daken groeit

en dat meteen verdort.

7Niemand kan het maaien,

niemand kan het oogsten,

zo snel is het verdwenen.

8Tegen die mensen zegt niemand:

‘De Heer zal goed voor jullie zijn.’

Maar aan ons zal de Heer geluk en vrede geven.