Bijbel in Gewone Taal (BGT)
6

Betaal de schulden van een ander niet

61-2Luister goed! Heb je iemand beloofd om zijn schulden te betalen? Heb je dat plechtig beloofd? Moet je je aan die belofte houden? 3-4En heeft die ander jou in zijn macht?

Doe dan je best om van die belofte af te komen! Ga niet slapen en neem geen rust. Ga naar die persoon toe, en blijf zeggen dat je zijn schulden niet wilt betalen. 5Probeer aan hem te ontsnappen, zoals een hert of een vogel ontsnapt aan de jager.

Wees niet lui

6Luilak, kijk eens naar de mieren. Kijk goed naar wat ze doen, en leer daarvan. 7Mieren hebben geen baas of leider, niemand zegt wat ze moeten doen. 8Toch verzamelen ze in de zomer hun eten. Ze zorgen voor een goede voorraad voor de winter.

9Hoe lang blijf jij nog liggen, luilak? Wanneer kom je uit je bed? 10Je zegt steeds: ‘Nog heel even! Ik wil nog even mijn ogen dichthouden, ik wil nog even blijven liggen.’ 11Maar pas op! Er komt een dag dat je niets meer te eten hebt. Dan zul je plotseling arm zijn.

Oneerlijke mensen zullen sterven

12Iemand die altijd leugens vertelt, is slecht. Je kunt hem niet vertrouwen. 13Hij helpt mensen die kwaad willen doen. En dan zegt hij schijnheilig: ‘Ik weet nergens van!’ 14Zo iemand liegt en bedriegt de hele tijd, en zoekt altijd ruzie. 15Maar plotseling zal hij sterven. Ineens zal hij weg zijn, en niets kan dat tegenhouden.

De Heer wil geen onrecht

16De Heer vindt het afschuwelijk 17als je denkt dat je beter bent dan een ander, of als je liegt. Hij vindt het afschuwelijk als je onschuldige mensen vermoordt, 18of als je slechte plannen bedenkt. Hij vindt het afschuwelijk als je er plezier in hebt om anderen kwaad te doen. 19En hij vindt het afschuwelijk als je bij de rechter leugens over anderen vertelt, of als je ervoor zorgt dat vrienden ruzie met elkaar krijgen.

Laat de vrouw van een ander met rust

Vergeet de lessen van je ouders niet

20Luister goed! Onthoud de lessen van je vader en moeder. Vergeet niet wat zij je geleerd hebben. 21Denk voortdurend aan hun lessen, draag ze mee in je hart. 22Dan weet je hoe je moet leven. Waar je ook bent, altijd en overal. 23Want de lessen van je vader en moeder wijzen je de weg in je leven. Net zoals een lamp de weg wijst in het donker.

Laat de vrouw van een ander met rust

24De lessen van je ouders beschermen je tegen slechte vrouwen. Als je goed naar die lessen luistert, kunnen zulke vrouwen je niet verleiden. Dan kunnen ze je niet verleiden met hun mooie woorden, 25met hun mooie ogen of hun knappe gezicht.

26Ga nooit naar bed met de vrouw van een ander, want dat kost je je leven. Je kunt nog beter naar een hoer gaan, die kost je alleen maar wat geld.

27-29Als je de vrouw van een ander omhelst, zul je gestraft worden. Als je met haar omgaat, zal het verkeerd met je aflopen. Het begint misschien onschuldig, maar het zal steeds erger worden. Net als wanneer je een vlam bij de punt van je jas houdt. Dan zal je hele jas in brand vliegen. Of wanneer je over gloeiende kolen loopt. Dan zullen je voeten helemaal verbranden!

Als je vreemdgaat, word je gestraft

30-32Als je naar bed gaat met de vrouw van een ander, heb je geen verstand! Het loopt verkeerd met je af. Je wordt nog veel erger gestraft dan een dief die steelt omdat hij honger heeft. Mensen begrijpen wel dat zo’n dief niet anders kan. Toch wordt de dief gestraft. Hij moet zeven keer zo veel teruggeven als hij gestolen heeft. Zelfs als dat alles is wat hij bezit.

33Maar mensen begrijpen je niet als je met de vrouw van een ander naar bed gaat. Dan hebben ze geen respect meer voor je. Ze zullen je beledigen. Je zult de hele tijd belachelijk gemaakt worden. 34En de man van die vrouw zal woedend zijn. Hij zal je straffen, omdat hij jaloers is. Niets kan hem tegenhouden. 35Ook al geef je hem veel geld en mooie cadeaus, hij blijft woedend.

7

Een verhaal over een slechte vrouw

Denk aan alle wijze lessen

71Luister goed! Denk steeds aan mijn wijze lessen en regels. 2Onthoud de woorden die je gehoord hebt. Bewaar mijn lessen als een kostbare schat, dan zul je blijven leven. 3Denk voortdurend aan mijn lessen, draag ze mee in je hart.

4Wijsheid moet net zo belangrijk voor je zijn als je eigen zus. En inzicht net zo belangrijk als een goede vriend. 5Dan kunnen slechte vrouwen je geen kwaad doen, en je niet verleiden met hun mooie woorden.

Een jonge man wordt verleid

6-11Op een avond stond ik bij het raam van mijn huis. Ik keek naar buiten. De zon ging onder en het begon donker te worden.

Toen zag ik een groep jonge mannen op straat lopen. Eén van hen was dom en dwaas. Hij liep door de straten en kwam bij het huis van een slechte vrouw. Ze was een bedriegster. Ze was brutaal, ze schaamde zich nergens voor en ze leidde een leven vol plezier.

De slechte vrouw zag er verleidelijk uit. 12Ze liep altijd door de stad, op zoek naar mannen. 13Toen ze de jonge man zag, greep ze hem vast en kuste hem. Brutaal keek ze hem aan 14en zei: ‘Ik moest vandaag een offer aan God brengen. Dat heb ik gedaan, 15en daarom ben ik nu hier op straat. Ik zocht je en nu heb ik je gevonden.

16Op mijn bed liggen dure lakens. En ik heb mooie dekens uit Egypte, in allerlei kleuren. 17Ik heb er lekkere parfums overheen gedruppeld. Alles ruikt nu heerlijk! 18Kom, laten we dronken worden van de liefde. Laten we met elkaar vrijen tot de ochtend. 19Mijn man is niet thuis. Hij is op reis en ver weg. 20Hij heeft genoeg geld meegenomen, dus voorlopig komt hij nog niet thuis.’

De jonge man sterft

21Zo verleidde de slechte vrouw de jonge man met haar mooie woorden. Ze overtuigde hem met haar praatjes. 22En zonder na te denken ging de jonge man met haar mee. Hij liep zomaar achter haar aan. Net zoals een koe rustig achter de boer aan loopt naar het slachthuis.

23Door die slechte vrouw stierf de jonge man plotseling. Net zoals een vogel plotseling doodgaat als hij door een jager gevangen wordt.

Volg een slechte vrouw niet

24Luister goed! Luister aandachtig naar mijn wijze woorden. 25Volg zo’n slechte vrouw niet, laat je niet door haar verleiden! 26Anders zul je haar slachtoffer worden. Want door zo’n vrouw zijn al veel mannen gestorven. 27Als je meegaat naar haar huis, zul je sterven. Zij brengt je naar het land van de dood.

8

Wijsheid spreekt over zichzelf

Wijsheid geeft de mensen lessen

81Wijsheid gaat naar de mensen toe. Ze komt iets belangrijks vertellen, iedereen moet het horen. 2De stem van Wijsheid klinkt overal: boven op de heuvels, langs de wegen, 3en bij de poorten van de stad. Overal hoor je haar stem. Ze roept:

4‘Mensen, luister allemaal naar mij! Ik ben Wijsheid, ik spreek jullie toe! 5Domme mensen, word toch eens verstandig! Dwaze mensen, denk toch eens na!

6Luister goed! Ik zeg waardevolle dingen, je kunt op mijn woorden vertrouwen. 7Want ik vertel alleen de waarheid, ik haat leugens. 8Alles wat ik zeg, is betrouwbaar. Niets is slecht of oneerlijk. 9Als je verstandig bent en inzicht hebt, zul je mijn woorden begrijpen. Dan zijn ze duidelijk en eenvoudig.

10Mijn lessen moeten belangrijker voor je zijn dan zilver, en mijn woorden waardevoller dan goud. 11Want ik ben meer waard dan edelstenen. Niets op de hele wereld is zo waardevol en belangrijk als ik, helemaal niets!

Wijsheid geeft mensen raad

12Ik ben Wijsheid. Ik ben altijd verstandig. Ik denk altijd goed na, en daarom heb ik inzicht. 13Ik heb eerbied voor de Heer, en daarom haat ik het kwaad. Ik heb een hekel aan trotse mensen, aan leugenaars en aan mensen die kwaad doen.

14Ik geef altijd goede raad. Ik zorg voor inzicht, ik geef kracht. 15-16Met mijn hulp kunnen koningen regeren en leiders heersen. Door mij weten bestuurders wat goed en eerlijk is, en zijn rechters rechtvaardig.

Wijsheid vertelt waar ze te vinden is

17Ik ben Wijsheid. Ik heb iedereen lief die mij liefheeft. Iedereen die mij zoekt, zal mij vinden. 18Ik kan mensen rijk en machtig maken. Ik kan hun een goed en eerlijk leven geven. 19Wat ik geef, is meer waard dan het mooiste zilver. Het is kostbaarder dan het zuiverste goud.

20Ik ben overal waar mensen eerlijk en goed met elkaar leven. 21Mensen die mij liefhebben, maak ik rijk. Ik geef ze kostbare schatten.

Wijsheid vertelt waar ze vandaan komt

22De Heer had mij, Wijsheid, al gemaakt voordat hij de hemel en de aarde maakte. 23Ik ben helemaal in het begin gemaakt. Nog voordat er iets anders was, nog voordat de aarde bestond.

24Ik was er al toen de zee er nog niet was. En toen er nog geen water door de rivieren stroomde. 25Ook de bergen bestonden nog niet, en er waren nog geen heuvels. 26De Heer had de aarde en de velden nog niet gemaakt. Er was nog geen zandkorrel te vinden.

27Ik was er al toen de Heer de hemel maakte. En toen hij een grens maakte tussen het water en de lucht. 28Ik was er al toen de Heer de wolken een plaats gaf aan de hemel. Ik was er al toen het water overal begon te stromen. 29Toen de Heer grenzen maakte voor de zee, en de zee hem moest gehoorzamen. Ik was er al toen de Heer de aarde stevig vastzette.

30Ik was zijn lieveling. Het was heerlijk om bij hem te zijn, elke dag opnieuw. 31Ik was blij met de aarde en met alle mensen!

Wijsheid wil je gelukkig maken

32Luister daarom goed naar mij! Ik ben Wijsheid. Als je naar mij luistert, zul je gelukkig zijn. 33Luister naar mijn lessen, dan word je wijs. Doe niet alsof je mijn lessen niet hoort. 34Zoek mij steeds weer op, en blijf in mijn buurt. Dan zul je gelukkig zijn.

35Als je mij zoekt en mij vindt, zul je leven. En de Heer zal van je houden. 36Maar als je mij niet zoekt, komt je leven in gevaar. Als je mij haat, zul je sterven.’