Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

11Obadja was een profeet. Hier volgen zijn woorden.

De toekomst van Edom

De Heer stuurt een boodschapper

De Heer heeft een boodschapper gestuurd naar alle volken. Hij zei: ‘Kom mee met jullie legers, en val Edom aan!’ Iedereen heeft dat gehoord.

De Heer zal Edom straffen

Dit zegt God, de Heer, tegen het volk van Edom: 2‘Ik zal ervoor zorgen dat jullie volk heel klein wordt! Dan heeft niemand meer respect voor jullie. 3Jullie zijn erg trots op jezelf. Maar jullie houden jezelf voor de gek. Jullie denken: Wij wonen hier hoog, wij wonen hier tussen de rotsen. Niemand haalt ons hier weg! 4Maar ik, de Heer, kom jullie halen. Al gaan jullie zo hoog wonen als adelaars, of al gaan jullie tussen de sterren wonen, dan nog kom ik jullie halen!

5-6Dieven stelen alleen wat ze willen hebben, de rest laten ze staan. En druivenplukkers laten altijd wel een paar druiven hangen. Maar jullie vijanden zullen jullie land helemaal leeghalen! Ze nemen alles mee, ook de dingen die jullie verstopt hebben.

7Jullie vrienden zullen jullie bedriegen. Ze pakken alles van jullie af, en ze jagen jullie weg uit je land. Dan hebben jullie niets meer aan je wijsheid!’ Dat zegt de Heer.

Edom zal vernietigd worden

8De Heer zegt: ‘Ik zal de wijze mannen in jullie land doden. Er zal in de bergen van Edom niemand meer zijn die een verstandig besluit kan nemen. 9En ik zal jullie dappere soldaten zo bang maken dat ze niet durven te vechten. Jullie hele volk zal vernietigd worden.

10Want jullie hebben geweld gebruikt tegen de Israëlieten. Maar dat is jullie eigen familie! Want de Israëlieten stammen af van Jakob, de broer van jullie voorvader Esau.

Ik zal jullie straffen en voor altijd vernietigen.

Edom is Israëls vijand geworden

11-12Jullie deden niets toen andere volken Jeruzalem veroverden. Die volken gingen de stad in, en ze verdeelden de bezittingen van de bewoners. En jullie stonden te kijken hoe alles meegenomen werd. Zo werden jullie vijanden van de Israëlieten, van de mensen van jullie eigen familie. Maar dat had niet mogen gebeuren!

Het was fout om blij te zijn over de ellende van de mensen in Juda. Zij waren jullie eigen familie, en ze waren doodsbang. Maar jullie hebben hen uitgelachen en beledigd!

13Het was fout om zelf Jeruzalem in te gaan. Het was fout om blij te zijn over de ellende van mijn volk, en het was fout om dingen van hen te stelen. 14Het was fout om vluchtelingen tegen te houden en te doden. En het was fout om vluchtelingen uit te leveren aan hun vijanden. Dat had allemaal niet mogen gebeuren!

15Maar de dag dat ik kom, is dichtbij. Dan zal ik mijn oordeel geven over alle volken. Ik, de Heer, zal jullie dan straffen voor jullie daden. Alles wat jullie met anderen gedaan hebben, zal ook met jullie gebeuren.’

De toekomst van Israël

Het volk van Israël zal terugkeren

16Dit zegt de Heer tegen het volk van Israël: ‘Op de Sion, mijn heilige berg, hebben jullie mijn woede gevoeld. Zo zullen alle volken mijn woede voelen! Ze worden één voor één gestraft, totdat ze allemaal verdwenen zijn. Dan zal het zijn alsof ze nooit hebben bestaan.

17Daarna zullen jullie naar de berg Sion terugkeren. Daar zal het voor jullie veilig zijn, en de Sion zal weer een heilige berg worden. Jullie zijn er weggejaagd door andere volken. Maar dan zullen jullie die volken daar wegjagen!

18Het volk van Edom zal door jullie vernietigd worden. Dat volk zal verdwijnen, zoals stro dat verbrandt in de vlammen van een vuur. Er zal niemand ontsnappen! Dat heb ik besloten.

De Heer zal Israël machtig maken

19Jullie zullen de Negev-woestijn in bezit nemen, en ook het bergland van Edom en het heuvelland van de Filistijnen. Verder het gebied Efraïm en de stad Samaria, en ook de gebieden Benjamin en Gilead.

20De mensen die uit Israël weggejaagd waren, zullen een groot leger vormen. Zo zullen ze het land van de Kanaänieten veroveren tot aan de stad Sarefat. En de mensen uit Jeruzalem die nu nog als gevangenen in Sardes wonen, zullen de steden in de Negev-woestijn in bezit nemen.

21De berg Sion zal worden bevrijd. Vanaf daar zullen jullie regeren over het land Edom. En ik, de Heer, zal jullie koning zijn.’