Bijbel in Gewone Taal (BGT)
6

Regels voor nazireeërs

Dingen die verboden zijn

61De Heer zei tegen Mozes: 2‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Er volgen nu regels voor iemand die nazireeër wil worden. Een nazireeër is een man of een vrouw die belooft om de Heer op een speciale manier te dienen.

3Zo iemand mag geen wijn of bier drinken. Ook druivensap mag hij niet drinken, en hij mag geen azijn gebruiken die van wijn gemaakt is. Hij mag ook geen druiven en rozijnen eten. 4In de tijd dat hij de Heer dient, mag hij niets eten dat van een druivenplant komt. Hij mag zelfs geen pit of velletje van een druif eten.

5Hij mag ook zijn haar niet knippen. Zolang hij de Heer dient, is hij heilig en moet hij zijn haar laten groeien.

6Ten slotte mag een nazireeër niet in de buurt van een dode komen. 7Zelfs als zijn vader of moeder sterft, of zijn broer of zus, mag hij niet bij hun dode lichaam komen. Want hij mag niet onrein worden. Hij dient God, en zijn lange haar is daarvan het teken.

8Zolang iemand nazireeër is, hoort hij bij de Heer.

Onreinheid van een nazireeër

9Er kan heel onverwachts iemand in de buurt van een nazireeër sterven. Dan wordt de nazireeër onrein. Om weer rein te worden, moet hij zeven dagen later zijn hoofd kaalscheren.

10Nog een dag later moet hij twee tortelduiven of twee jonge gewone duiven naar de priester brengen, bij de ingang van de heilige tent. 11De priester moet de ene duif offeren voor de fout van de nazireeër, en hij moet de andere duif helemaal verbranden. Dan vergeeft de Heer de nazireeër dat hij in de buurt van een dode geweest is. Vanaf die dag moet de nazireeër zijn haar weer laten groeien.

12Ten slotte moet de nazireeër een ram van één jaar oud aanbieden als offer om zijn schuld goed te maken. Dan moet hij opnieuw beloven dat hij de Heer een bepaalde tijd zal dienen. De tijd dat hij al nazireeër geweest is, telt niet meer mee. Want in die tijd is hij onrein geworden.

Als iemand geen nazireeër meer is

13Als de afgesproken tijd om nazireeër te zijn, voorbij is, gelden de volgende regels.

De nazireeër moet naar de ingang van de heilige tent gebracht worden. 14Daar moet hij een offer aanbieden. Hij moet een gezonde ram van één jaar oud meebrengen die helemaal verbrand moet worden. Verder een gezond schaap van één jaar oud voor het offer waarmee zijn fouten goedgemaakt worden. En een gezonde volwassen ram voor het offer bij een feestmaal. 15Hij moet ook een mand aanbieden met brood zonder gist: dikke broden die met olijfolie gemaakt zijn, en dunne broden waar alleen olie op gesmeerd is. Ten slotte moet hij graan en wijn aanbieden als offer.

16De priester moet die offers aan de Heer brengen. Hij moet het schaap offeren om de fouten van de nazireeër goed te maken. En de ram van één jaar oud moet hij helemaal verbranden op het altaar. 17Verder moet hij de volwassen ram en het brood offeren voor het feestmaal ter ere van de Heer. En ten slotte moet hij het graan en de wijn offeren.

18De nazireeër moet zich dan kaalscheren bij de ingang van de heilige tent. Zijn lange haar was een teken van zijn belofte om de Heer te dienen. Nu moet hij het haar in het vuur gooien van het offer voor het feestmaal.

19Daarna geeft de priester hem een gekookte schouder van de ram, en een dun en een dik brood zonder gist. 20Dat moet de priester omhooghouden om het aan te bieden aan de Heer. Het is heilig en de priester mag het eten, net als de borst en de rechterachterpoot van de ram.

Vanaf dat moment mag de nazireeër weer wijn drinken.

Wie iets belooft, moet dat ook doen

21Dat zijn de regels voor nazireeërs, mensen die beloven om de Heer op een speciale manier te dienen. En dat zijn de offers die ze moeten brengen. Iemand die rijk is, mag ook nog meer geven. Maar als hij beloofd heeft om meer te geven, moet hij dat ook doen.’’

De zegen van de priester

22De Heer zei tegen Mozes: 23‘Zeg tegen Aäron en zijn zonen dat ze de Israëlieten met deze woorden moeten zegenen: 24‘De Heer zal jullie gelukkig maken en jullie beschermen. 25De Heer zal bij jullie zijn en voor jullie zorgen. 26De Heer zal aan jullie denken en jullie vrede geven.’

27Als Aäron en zijn zonen zo mijn naam noemen voor het volk, zal ik de Israëlieten geluk en vrede geven.’

7

Geschenken voor de heilige tent

De leiders geven wagens en ossen

71Toen Mozes klaar was met het opbouwen van de heilige tent, goot hij er olijfolie overheen. Hij goot ook wat olie over alles wat bij de tent hoorde. En over het altaar, en over alle voorwerpen die bij het altaar hoorden. Zo werd alles heilig.

2Daarna kwamen de leiders van de Israëlieten naar de heilige tent. Zij hadden de leiding over hun familie en over hun stam, en ze hadden het volk geteld. 3Ze brachten geschenken voor de Heer: zes wagens, en twaalf ossen om de wagens te trekken. Elke leider gaf één os, en elke twee leiders gaven samen één wagen. Ze zetten de wagens en de ossen voor de heilige tent neer.

Mozes verdeelt de wagens en de ossen

4De Heer zei tegen Mozes: 5‘Neem de wagens en de ossen aan, en geef ze aan de Levieten. Zij kunnen ze gebruiken bij al het werk dat ze doen voor de heilige tent.’

6Mozes verdeelde de wagens en de ossen onder de Levieten. 7-8Hij gaf twee wagens en vier ossen aan de familie van Gerson. En hij gaf vier wagens en acht ossen aan de familie van Merari. Ze konden ze gebruiken voor het werk dat ze deden onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aäron.

9Aan de familie van Kehat gaf Mozes geen wagens en ossen. Zij hadden ze niet nodig. Want zij droegen de heilige voorwerpen op hun schouders.

De leiders geven geschenken

10Mozes had het altaar heilig gemaakt door er olijfolie overheen te gieten. Daarna kon het altaar officieel in gebruik genomen worden. De leiders van het volk brachten toen nog meer geschenken.

Toen de leiders met hun geschenken bij het altaar stonden, 11zei de Heer tegen Mozes: ‘Laat in de volgende dagen elke dag één leider komen. Die kan dan zijn geschenken voor het altaar aanbieden.’

Nachson brengt zijn geschenken

12Op de eerste dag kwam Nachson zijn geschenken brengen. Hij was een zoon van Amminadab, en kwam uit de stam Juda. 13Hij gaf een zilveren schotel van 1300 gram, volgens het officiële gewicht, en een zilveren schaal van 700 gram. De schotel en de schaal waren allebei gevuld met fijn meel, gemengd met olijfolie. Het meel was bedoeld voor het graanoffer. 14Hij gaf ook een gouden schaaltje van 100 gram, gevuld met wierook.

15Verder gaf hij een jonge stier, een volwassen ram en een ram van één jaar oud, voor de offers die helemaal verbrand moesten worden. 16Hij gaf ook een bok, voor het offer waarmee fouten goedgemaakt worden. 17Ten slotte gaf hij twee koeien, vijf volwassen rammen, vijf bokken, en vijf rammen van één jaar oud. Die dieren waren bestemd voor het offer bij een feestmaal.

Dat waren de geschenken van Nachson, de zoon van Amminadab.

De geschenken van de andere leiders

18-23Op de tweede dag kwam Netanel, de zoon van Suar, de leider van de stam Issachar. Hij gaf dezelfde geschenken als Nachson.

24-29Op de derde dag kwam Eliab, de zoon van Chelon, de leider van de stam Zebulon. Ook hij gaf dezelfde geschenken als Nachson.

30-35Op de vierde dag kwam Elisur, de zoon van Sedeür, de leider van de stam Ruben. Ook hij gaf dezelfde geschenken als Nachson.

36-41Op de vijfde dag kwam Selumiël, de zoon van Surisaddai, de leider van de stam Simeon. Ook hij gaf dezelfde geschenken als Nachson.

42-47Op de zesde dag kwam Eljasaf, de zoon van Deüel, de leider van de stam Gad. Ook hij gaf dezelfde geschenken als Nachson.

48-53Op de zevende dag kwam Elisama, de zoon van Ammihud, de leider van de stam Efraïm. Ook hij gaf dezelfde geschenken als Nachson.

54-59Op de achtste dag kwam Gamliël, de zoon van Pedasur, de leider van de stam Manasse. Ook hij gaf dezelfde geschenken als Nachson.

60-65Op de negende dag kwam Abidan, de zoon van Gidoni, de leider van de stam Benjamin. Ook hij gaf dezelfde geschenken als Nachson.

66-71Op de tiende dag kwam Achiëzer, de zoon van Ammisaddai, de leider van de stam Dan. Ook hij gaf dezelfde geschenken als Nachson.

72-77Op de elfde dag kwam Pagiël, de zoon van Ochran, de leider van de stam Aser. Ook hij gaf dezelfde geschenken als Nachson.

78-83En op de twaalfde dag kwam Achira, de zoon van Enan, de leider van de stam Naftali. Ook hij gaf dezelfde geschenken als Nachson.

Het totaal van de geschenken

84Nu volgt het totaal van de geschenken van de leiders van het volk. Ze gaven die geschenken toen het altaar officieel in gebruik genomen werd.

Allereerst gaven ze twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren schalen en twaalf gouden schaaltjes. 85Elke zilveren schotel woog 1300 gram, en elke zilveren schaal woog 700 gram. In totaal wogen de zilveren voorwerpen 24 kilo volgens het officiële gewicht. 86Elk gouden schaaltje woog 100 gram. In totaal wogen de gouden schaaltjes 1200 gram volgens het officiële gewicht. De schaaltjes werden gevuld met wierook.

87De leiders van het volk gaven ook dieren om te offeren. Eerst dieren voor de offers die helemaal verbrand moesten worden met de graanoffers die erbij hoorden. Dat waren in totaal twaalf jonge stieren, twaalf volwassen rammen en twaalf rammen van één jaar oud. Daarna gaven ze dieren voor de offers waarmee fouten goedgemaakt worden, in totaal twaalf bokken.

88Ten slotte gaven ze dieren voor de offers bij een feestmaal. Dat waren in totaal 24 jonge stieren, zestig volwassen rammen, zestig bokken, en zestig rammen van één jaar oud.

Dat waren de geschenken die aangeboden werden. Ze waren bedoeld om het altaar in gebruik te nemen. Mozes had het altaar eerst heilig gemaakt door er olijfolie overheen te gieten.

De Heer spreekt met Mozes

89Telkens als Mozes de heilige tent binnenging om met de Heer te spreken, hoorde hij de stem van de Heer. De stem van de Heer klonk tussen de twee engelen, boven het deksel van de heilige kist. Zo sprak de Heer met Mozes.

8

Aäron zet de lampen op de kandelaar

81De Heer zei tegen Mozes: 2‘Zeg tegen Aäron dat hij de olielampen op de kandelaar zet. Hij moet ze zo neerzetten dat het licht van alle zeven lampen naar voren schijnt.’

3Aäron deed wat de Heer gezegd had. Hij zette de lampen zo op de kandelaar dat het licht naar voren scheen.

4De hele kandelaar was van één stuk goud gemaakt, van onder tot boven. Ook de versieringen met bloemen, boven aan de kandelaar, waren van goud. De kandelaar was net zo gemaakt als het voorbeeld dat de Heer aan Mozes had laten zien.

Regels over de Levieten

Het aanstellen van de Levieten

5De Heer zei tegen Mozes: 6‘Zet de Levieten apart van de andere Israëlieten. Je moet ervoor zorgen dat de Levieten rein worden. 7Je moet eerst water over hen heen druppelen. En zij moeten al het haar van hun lichaam wegscheren en hun kleren wassen. Dan zijn ze rein.

8Daarna moeten ze een jonge stier bij je brengen en een graanoffer van fijn meel, gemengd met olijfolie. Laat dan nog een jonge stier komen, voor het offer waarmee hun fouten goedgemaakt worden.

9Zeg dat de Levieten zich moeten verzamelen voor de heilige tent. En laat ook alle andere Israëlieten daarheen komen. 10Daar, voor de tent, moeten de Israëlieten hun handen op de hoofden van de Levieten leggen. 11Dan moet Aäron namens het volk de Levieten aan mij aanbieden. Want zij zijn voor mij, zij zullen mij dienen.

12De Levieten moeten hun hand op de kop van de twee stieren leggen. De ene stier is het offer waarmee hun fouten goedgemaakt worden. De andere stier is het offer dat helemaal verbrand moet worden. Als die offers aan mij gebracht zijn, is alles weer goed tussen mij en de Levieten.

De Levieten vervangen de oudste zonen

13De Levieten moeten in dienst van Aäron en zijn zonen werken. De Levieten zijn een bijzonder geschenk voor mij. 14Ze zijn anders dan de andere Israëlieten, want ze zijn voor mij bestemd. 15Als de Levieten rein geworden zijn, en als ze aan mij aangeboden zijn, mogen ze bij de heilige tent werken.

16Ik heb de Levieten uitgekozen om mij te dienen. Zij nemen de plaats in van de oudste zonen van de Israëlieten. 17Want eigenlijk is elke oudste zoon voor mij, en ook elk dier dat het eerst geboren is. Dat heb ik bepaald toen ik de oudste zonen van de Egyptenaren doodde. 18Maar ik heb de mannen van de stam Levi uitgekozen om de plaats in te nemen van de oudste zonen van de Israëlieten.

19De Levieten moeten Aäron en zijn zonen helpen. Want de andere Israëlieten mogen niet te dicht bij de heilige tent komen. Als ze dat wel doen, zullen ze sterven. Daarom moeten de Levieten het werk bij de heilige tent doen. Zo zorgen zij ervoor dat het altijd goed is tussen mij en het volk.’

De Levieten beginnen met hun werk

20Mozes en Aäron en de andere Israëlieten zorgden ervoor dat alles gebeurde wat de Heer over de Levieten gezegd had. 21De Levieten wasten zich om rein te worden, en ze wasten ook hun kleren. Daarna bracht Aäron hen naar het altaar. Hij bracht offers om alles tussen de Heer en de Levieten goed te maken. Toen waren de Levieten helemaal rein.

22Daarna konden de Levieten bij de heilige tent gaan werken onder leiding van Aäron en zijn zonen. Alles wat de Heer tegen Mozes gezegd had over de Levieten, gebeurde ook.

Levieten werken tot ze vijftig zijn

23De Heer zei tegen Mozes: 24‘Alle Levieten van 25 jaar en ouder moeten bij de heilige tent werken. 25Als ze vijftig zijn, hoeven ze dat niet meer te doen. 26Ze mogen dan nog wel de anderen helpen, maar ze zijn niet meer verplicht om te werken. Zo moet het werk van de Levieten geregeld worden.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]