Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

De Levieten en hun taken

De zonen van Aäron zijn priester

31Nu volgen de namen van de nakomelingen van Mozes en Aäron. Die nakomelingen leefden in de tijd dat de Heer met Mozes sprak op de berg Sinai.

2De zonen van Aäron waren Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar. Nadab was de oudste. 3Die zonen had Mozes als priester aangesteld.

4Maar Nadab en Abihu stierven in de woestijn. Want ze hadden een offer gebracht op een verkeerde manier, niet volgens de regels van de Heer. Ze hadden geen zonen. Daarom waren in de tijd dat Aäron leefde, alleen Eleazar en Itamar nog over als priesters.

De Levieten helpen de priesters

5De Heer zei tegen Mozes: 6‘Laat alle mannen van de stam Levi bij je komen. Zij moeten in dienst komen van Aäron en hem helpen bij het werk. 7-8Ze moeten voor hem en voor het hele volk bij de heilige tent werken, en zorgen voor alle heilige voorwerpen. 9Alle Levieten moeten Aäron en zijn zonen helpen. Dat doen ze namens alle Israëlieten.

10Aäron en zijn zonen zijn de priesters. Alleen zij mogen in de heilige tent komen. Ieder ander die in de heilige tent komt, moet gedood worden.’

De Levieten zijn van de Heer

11De Heer zei ook tegen Mozes: 12-13‘De Levieten zijn voor mij. In Egypte heb ik de oudste zoon van elk gezin gedood. Toen heb ik gezegd dat alle oudste zonen van de Israëlieten voor mij zijn, en het oudste jong van al hun dieren ook. Maar nu kies ik de Levieten in plaats van de oudste zonen van alle Israëlieten. Zij zijn van mij, want ik ben de Heer.’

Mozes maakt een lijst van de Levieten

14Daar in de Sinai-woestijn zei de Heer tegen Mozes: 15‘Schrijf de namen op van alle mannelijke Levieten van één maand en ouder. En schrijf op bij welk gezin en bij welke familie ze horen.’

16Mozes deed wat de Heer gezegd had. Hij schreef de namen op van de mannelijke Levieten.

De nakomelingen van Levi

17De zonen van Levi waren: Gerson, Kehat en Merari.

18-20Gerson had twee zonen: Libni en Simi. Kehat had vier zonen: Amram, Jishar, Chebron en Uzziël. En Merari had twee zonen: Machli en Musi.

De verschillende families van de Levieten werden naar deze zonen en kleinzonen van Levi genoemd.

De nakomelingen van Gerson

21De families van Libni en Simi stamden af van Gerson. 22Het aantal mannelijke personen van één maand en ouder in die families was 7500. 23-24Hun leider was Eljasaf, de zoon van Laël.

Die nakomelingen van Gerson zetten hun tenten op achter de heilige tent, aan de westkant. 25Zij moesten zorgen voor het volgende: de heilige tent en de tent die over de heilige tent heen kwam, de kleden om de buitenste tent af te dekken en het gordijn bij de ingang van de heilige tent, 26de schermen van het plein rondom de heilige tent en het altaar, het gordijn bij de ingang van het plein, en alle touwen die nodig waren om de tent op te zetten.

Alles wat te maken had met de heilige tent, was hun werk.

De nakomelingen van Kehat

27De families van Amram, Jishar, Chebron en Uzziël stamden af van Kehat. 28-30Het aantal mannelijke personen van één maand en ouder in die families was 8600. Hun leider was Elisafan, de zoon van Uzziël.

Die nakomelingen van Kehat zetten hun tenten op aan de zijkant van de heilige tent, aan de zuidkant. Zij moesten zorgen voor de dingen uit de heilige tent. 31Dus voor de heilige kist, de tafel en de kandelaar, de altaren, de heilige voorwerpen en het gordijn voor de allerheiligste ruimte.

Alles wat te maken had met de dingen uit de heilige tent, was hun werk.

Eleazar is de leider van de Levieten

32De leider van alle Levieten was Eleazar, de zoon van de priester Aäron. Eleazar had de leiding over iedereen die bij de heilige tent werkte.

De nakomelingen van Merari

33-35De families van Machli en Musi stamden af van Merari. Het aantal mannelijke personen van één maand en ouder in die families was 6200. Hun leider was Suriël, de zoon van Abichaïl.

Die nakomelingen van Merari zetten hun tenten op aan de andere zijkant van de heilige tent, aan de noordkant. 36-37Zij moesten zorgen voor het volgende: de planken, de dwarsbalken en de palen van de heilige tent, alle voetstukken, pinnen en touwen.

Alles wat te maken had met het opbouwen van de heilige tent, was hun werk.

Mozes, Aäron en de zonen van Aäron

38Aan de voorkant van de heilige tent, aan de oostkant, zetten Mozes, Aäron en de zonen van Aäron hun tenten op. Zij dienden de Heer in de heilige tent. Dat deden ze namens alle Israëlieten.

Ieder ander die in de heilige tent kwam, werd gedood.

De Levieten vervangen de Israëlieten

39Het totale aantal mannelijke Levieten van één maand en ouder was 22.000. Zo veel hadden Mozes en Aäron er geteld. Ze hadden de namen opgeschreven per gezin en per familie.

40De Heer zei tegen Mozes: ‘Maak een lijst van alle oudste zonen van de Israëlieten die één maand of ouder zijn. Tel hoeveel het er zijn. 41Zij zijn voor mij. Maar ze mogen vervangen worden door Levieten. En het eerste jong van elk dier van de Israëlieten mag vervangen worden door een dier van de Levieten. Elk eerste jong is voor mij, want ik ben de Heer.’

42Mozes deed wat de Heer gezegd had. Hij telde alle oudste zonen van de Israëlieten. 43In totaal waren dat 22.273 mannen en jongens van één maand en ouder.

Er zijn 273 Levieten te weinig

44Daarna zei de Heer tegen Mozes: 45‘De Levieten vervangen de oudste zonen van de Israëlieten. En de dieren van de Levieten vervangen de eerste dieren van de Israëlieten. De Levieten zijn voor mij, want ik ben de Heer.

46-47Maar er zijn 273 Levieten te weinig. Voor die 273 moet betaald worden, per persoon 5 zilverstukken van 10 gram volgens het officiële gewicht. 48Dat zilver moet je aan Aäron geven. Je kunt ermee betalen voor de 273 Israëlieten die niet door Levieten vervangen kunnen worden.’

49Mozes deed wat de Heer gezegd had. 50Hij liet de Israëlieten 1365 zilverstukken betalen voor de oudste zonen. 51Dat zilver gaf hij aan Aäron en zijn zonen, zoals de Heer tegen hem gezegd had.

4

De taak van de nakomelingen van Kehat

41De Heer zei tegen Mozes en Aäron: 2‘Jullie moeten de Levieten tellen. Begin met de nakomelingen van Kehat. Tel per familie alle mannen 3die tussen de dertig en de vijftig jaar oud zijn. Zij moeten werk doen bij de heilige tent. 4Het is hun taak om te zorgen voor de allerheiligste ruimte van de tent.

Als de heilige tent wordt vervoerd

5Als het volk verder gaat reizen, moeten Aäron en zijn zonen het gordijn losmaken dat voor de heilige kist hangt. Ze moeten het over de heilige kist leggen. 6Dan moeten ze er een kleed van zwart leer overheen leggen, en een paars kleed. Daarna moeten ze de stokken vastmaken om de kist te dragen.

7Ook over de tafel met het offerbrood moeten ze een paars kleed leggen. Op dat kleed zetten ze de schotels, schalen, kannen en kommen, en ook het offerbrood. 8Daar komt een rood kleed overheen, en een kleed van zwart leer. Daarna moeten ze de stokken vastmaken om de tafel te dragen.

9Aäron en zijn zonen moeten ook een paars kleed leggen over de kandelaar, de olielampen, de tangen om het licht te doven, de bakjes voor de tangen en alle oliekannen. 10Daarna moeten ze alles op een plank zetten die met een kleed van zwart leer bedekt is. Op die plank kan alles gedragen worden.

11Over het gouden altaar komt een paars kleed, en een kleed van zwart leer. Daarna worden de stokken vastgemaakt om het altaar te dragen.

12Alle voorwerpen die in de heilige tent gebruikt worden, moeten op een paars kleed gelegd worden, met daaroverheen een kleed van zwart leer. Daarna wordt alles op een plank gelegd om het te dragen.

13Ten slotte moeten Aäron en zijn zonen het grote altaar schoonmaken, en er een rood kleed overheen leggen. 14Op dat kleed leggen ze alle voorwerpen die bij het altaar horen: pannen, vorken, scheppen en schalen. Daar leggen ze een kleed van zwart leer overheen, en dan maken ze de stokken vast om het altaar te dragen.

Wat de nakomelingen van Kehat doen

15Als het volk verder gaat reizen, moeten Aäron en zijn zonen dus eerst alle heilige voorwerpen inpakken. Daarna moeten de nakomelingen van Kehat die dragen. Ze mogen de heilige voorwerpen niet aanraken, want dan zullen ze sterven. Hun taak is dus het dragen van de heilige tent en alles wat erbij hoort.

16Eleazar, de zoon van Aäron, moet zorgen voor de olie van de kandelaar, voor de wierook, voor het graanoffer en voor alle heilige olie. Hij is verantwoordelijk voor de heilige tent, voor alles in de tent en voor alle heilige voorwerpen.

17-19Let erop dat de nakomelingen van Kehat niet te dicht bij de allerheiligste ruimte van de tent komen. Want dan zullen ze sterven. Aäron en zijn zonen moeten de tent in gaan. En zij moeten de nakomelingen van Kehat vertellen wat ze moeten doen en wat ze moeten dragen. 20De nakomelingen van Kehat mogen zelf niet in de heilige tent komen. Want als ze ook maar iets van de heilige voorwerpen zien, zullen ze sterven.’

Wat de nakomelingen van Gerson doen

21Daarna zei de Heer tegen Mozes: 22‘Tel alle nakomelingen van Gerson, per familie. 23Tel alle mannen die tussen de dertig en de vijftig jaar oud zijn. Zij moeten werk doen bij de heilige tent.

24De nakomelingen van Gerson moeten helpen bij het vervoer van de heilige tent. 25Zij moeten de tentdoeken dragen, en de kleden van rood en zwart leer die over de tent heen liggen. Ook moeten ze het gordijn voor de ingang van de tent dragen. 26Ten slotte de schermen die om het plein met het altaar staan, het gordijn voor de ingang van het plein, de touwen en al het gereedschap. Voor al die dingen moeten ze zorgen.

27-28Dat is de taak van de nakomelingen van Gerson bij het vervoer van de heilige tent. Die taak hebben ze gekregen van Aäron en zijn zonen. Itamar, de zoon van Aäron, heeft de leiding bij het werk. En jij, Mozes, moet tegen iedereen zeggen wat hij moet dragen.

Wat de nakomelingen van Merari doen

29Je moet ook de nakomelingen van Merari tellen, per familie. 30Tel alle mannen die tussen de dertig en de vijftig jaar oud zijn. Zij moeten werk doen bij de heilige tent.

31De nakomelingen van Merari moeten helpen bij het vervoer van de heilige tent. Zij moeten de planken van de tent dragen, de dwarsbalken, de palen en de voetstukken. 32Ook de palen voor het scherm om het plein, met de pinnen, de touwen en al het gereedschap. Alles wat met het vervoer van die dingen te maken heeft, is hun werk. Maak een lijst van alles wat zij moeten dragen.

33Dat is de taak van de nakomelingen van Merari bij het vervoer van de heilige tent. Itamar, de zoon van Aäron, heeft de leiding over hun werk.’

De Levieten worden geteld

34-37Mozes, Aäron en de leiders van het volk telden alle nakomelingen van Kehat, zoals de Heer gezegd had. Ze schreven per familie de namen van alle mannen op die tussen de dertig en de vijftig jaar oud waren. Die mannen moesten werk doen bij de heilige tent. In totaal waren het er 2750.

38-41Ook alle nakomelingen van Gerson werden per familie geteld, zoals de Heer gezegd had. De namen van alle mannen tussen de dertig en de vijftig jaar oud werden opgeschreven. Ook die mannen moesten werk doen bij de heilige tent. In totaal waren het er 2630.

42-45Ook alle nakomelingen van Merari werden per familie geteld, zoals de Heer gezegd had. De namen van alle mannen tussen de dertig en de vijftig jaar oud werden opgeschreven. Ook die mannen moesten werk doen bij de heilige tent. In totaal waren het er 3200.

46-48In totaal werden er 8580 Levieten geteld die tussen de dertig en de vijftig jaar oud waren. Mozes en Aäron schreven hun namen op, per familie. Al die mannen moesten werk doen bij de heilige tent. 49Onder leiding van Mozes werden al hun namen opgeschreven, zoals de Heer gezegd had. En elke Leviet kreeg een taak bij het vervoer van de heilige tent. Zo had de Heer het tegen Mozes gezegd.

5

Onreinheid, schade en jaloezie

Regels over onreinheid

51De Heer zei tegen Mozes: 2‘Zeg tegen de Israëlieten dat ze onreine mensen weg moeten sturen uit het kamp: mensen die een huidziekte hebben, mensen die bloed of ander onrein vocht verliezen, en mensen die een dode aangeraakt hebben. 3Al die mensen moeten weggestuurd worden. Het maakt niet uit of het mannen of vrouwen zijn. Want het kamp moet rein blijven, omdat ik bij het volk woon.’

4De Israëlieten deden wat de Heer tegen Mozes gezegd had. Ze stuurden alle onreine mensen weg uit het kamp.

Regels over schade

5De Heer zei tegen Mozes: 6‘Zeg het volgende tegen de Israëlieten: ‘Stel dat een man of een vrouw iets verkeerds doet waardoor een ander schade heeft. Zo iemand maakt een fout tegenover de Heer, en is schuldig. 7Hij moet in het openbaar zijn fout toegeven. En hij moet aan zijn slachtoffer de hele schade betalen, en een boete van 20 procent.

8Stel dat het slachtoffer gestorven is en geen familie heeft. Dan kan de schade niet aan het slachtoffer of zijn familie betaald worden. Dan is het geld voor de Heer. De persoon die de schade veroorzaakt heeft, moet dan het geld aan de priester betalen. Hij moet ook een ram aan de priester geven. Als de priester de ram geofferd heeft, zal de Heer de fout vergeven.

9-10Altijd als jullie een offer brengen, moeten jullie een deel ervan aan de priester geven. De rest is voor degene die het offer brengt.’’

Regels over jaloezie

11-14De Heer zei tegen Mozes: ‘Zeg ook dit tegen de Israëlieten: ‘Stel dat een man denkt dat zijn vrouw hem ontrouw is. Hij denkt dat ze met een andere man geslapen heeft. Dan zijn er twee mogelijkheden. Of de vrouw heeft inderdaad met een andere man geslapen, maar niemand heeft het gezien en er is geen bewijs. Toch is haar eigen man jaloers geworden. Of de vrouw is helemaal niet ontrouw geweest, maar haar man denkt het alleen maar, en is jaloers.

15Omdat de man jaloers is, moet hij met zijn vrouw naar de priester gaan. Hij moet voor haar een graanoffer meenemen van 2,5 kilo meel, zonder olijfolie of wierook erbij. Dat is een offer voor zijn jaloezie. Het zal duidelijk maken of de vrouw schuldig is.

De vrouw moet bitter water drinken

16De priester moet met de vrouw voor het altaar gaan staan. 17Dan moet hij een kom vullen met water uit de waterbak in de heilige tent. Hij moet wat zand van de grond in de heilige tent oprapen, en dat in het water doen. 18Daarna maakt hij het haar van de vrouw los, en dan geeft hij het graanoffer aan haar. Zelf houdt hij de kom met het water vast. Dat bittere water kan een straf voor de vrouw worden.

19Dan moet de priester een plechtige verklaring van de vrouw vragen. Hij moet tegen haar zeggen: ‘Als er geen andere man met je geslapen heeft, en je dus niet ontrouw geweest bent aan je man, dan zal dit bittere water je geen schade doen. 20Maar als je wel ontrouw geweest bent aan je man door met een ander te slapen, 21-22dan zal de Heer je straffen. Je buik zal heel dik worden door dit bittere water, en je zult nooit meer kinderen krijgen. Je naam zal door de Israëlieten gebruikt worden als voorbeeld van slechtheid.’

De vrouw moet dan antwoorden: ‘Amen, laat het zo gebeuren.’

23De priester moet de woorden die hij gezegd heeft, op een stuk papier schrijven. En hij moet daarna dat papier oplossen in het bittere water.

24-26Dan moet de priester het graanoffer uit de handen van de vrouw pakken. Hij moet het aan de Heer aanbieden, en het naar het altaar brengen. Daar moet hij een handvol meel verbranden als teken voor het hele offer. Ten slotte moet hij de vrouw het bittere water laten drinken. In haar buik kan dat water een straf voor haar worden.

Ontrouw wordt gestraft

27Als de vrouw ontrouw geweest is aan haar man, zal het bittere water een straf voor haar zijn. Ze zal onvruchtbaar worden, en haar naam zal door de Israëlieten gebruikt worden als voorbeeld van slechtheid. 28Maar als de vrouw niets verkeerds gedaan heeft, zal er niets met haar gebeuren. Ze kan dan nog gewoon zwanger worden.

29-30Dat moet dus gebeuren als een man jaloers is en denkt dat zijn vrouw met een andere man geslapen heeft. Hij moet met haar naar het altaar gaan, en de priester moet precies doen wat eerder gezegd is. 31De man is onschuldig. Als zijn vrouw schuldig is, moet ze gestraft worden.’’