Bijbel in Gewone Taal (BGT)
29

Offers op de eerste dag van de zevende maand

291Op de eerste dag van de zevende maand moet er op de trompet geblazen worden. Het is een heilige dag, die jullie samen moeten vieren. Niemand mag dan werken.

2Op die dag moeten jullie een stier offeren aan de Heer, en één volwassen ram en zeven rammen van één jaar oud. Ze moeten helemaal gezond zijn en mogen geen gebreken hebben.

3Bij de stier moeten jullie 8 kilo fijn meel offeren dat gemengd is met olijfolie. Bij de volwassen ram 5,5 kilo meel met olijfolie, 4en bij elke jonge ram 2,5 kilo meel met olijfolie.

5Jullie moeten ook een bok offeren om jullie fouten goed te maken. 6Bovendien moeten op de eerste dag van de zevende maand ook alle offers gebracht worden die elke maand verplicht zijn, en alle dagelijkse offers. De offers zijn geschenken met een heerlijke geur, die de Heer graag aanneemt.

Offers op de tiende dag van de zevende maand

7De tiende dag van de zevende maand is ook een heilige dag, die jullie samen moeten vieren. Je moet die dag vasten, en niemand mag dan werken.

8Jullie moeten die dag een stier offeren, en één volwassen ram en zeven rammen van één jaar oud. De dieren moeten helemaal gezond zijn en mogen geen gebreken hebben. Het zijn geschenken met een heerlijke geur, die de Heer graag aanneemt.

9Bij de stier moeten jullie 8 kilo fijn meel offeren dat gemengd is met olijfolie. Bij de volwassen ram 5,5 kilo meel met olijfolie, 10en bij elke jonge ram 2,5 kilo meel met olijfolie.

11Ook moeten jullie een bok offeren om jullie fouten goed te maken. Bovendien moeten jullie het gewone offer brengen waarmee fouten goedgemaakt worden. En jullie moeten alle dagelijkse offers brengen.

Offers bij het grote feest in de zevende maand

12De vijftiende dag van de zevende maand is ook een heilige dag, die jullie samen moeten vieren. Niemand mag dan werken. Vanaf die dag moet iedereen zeven dagen feestvieren ter ere van de Heer.

13Op de eerste dag van het feest moeten jullie dertien stieren offeren, en twee volwassen rammen en veertien rammen van één jaar oud. Ze moeten gezond zijn en mogen geen gebreken hebben. De offers zijn geschenken met een heerlijke geur, die de Heer graag aanneemt.

14Bij elke stier moeten jullie 8 kilo fijn meel offeren dat gemengd is met olijfolie. Bij elke volwassen ram 5,5 kilo meel met olijfolie, 15en bij elke jonge ram 2,5 kilo meel met olijfolie.

16Ook moeten jullie een bok offeren om jullie fouten goed te maken. Bovendien moeten ook alle gewone dagelijkse offers gebracht worden.

Offers op elke dag van het grote feest

17-34Op elke dag van het grote feest moeten jullie offers brengen aan de Heer: elke dag twee volwassen rammen en veertien rammen van één jaar oud. Ze moeten helemaal gezond zijn en mogen geen gebreken hebben. Ook moeten jullie elke dag een aantal stieren offeren aan de Heer. Op de tweede dag van het feest moeten er twaalf stieren geofferd worden. Op de derde dag elf stieren, op de vierde dag tien, op de vijfde dag negen, en op de zesde dag acht. En op de zevende dag moeten er zeven stieren geofferd worden.

Jullie moeten bij die offers ook alle verplichte graanoffers en wijnoffers brengen. En jullie moeten elke dag een bok offeren om jullie fouten goed te maken. Bovendien moeten ook alle gewone dagelijkse offers gebracht worden.

Offers op de dag na het grote feest

35Ook op de dag na het feest mag niemand werken. Jullie moeten ook die dag samen vieren. 36Jullie moeten dan een stier, een volwassen ram en zeven rammen van één jaar oud offeren. Ze moeten helemaal gezond zijn en mogen geen gebreken hebben. Het zijn geschenken met een heerlijke geur, die de Heer graag aanneemt.

37Jullie moeten bij die offers ook alle verplichte graanoffers en wijnoffers brengen.

38Ook moeten jullie een bok offeren om jullie fouten goed te maken. Bovendien moeten ook alle gewone dagelijkse offers gebracht worden.

Slot

39Dat waren alle regels over offers die jullie op feestdagen aan de Heer moeten brengen: offers die je helemaal moet verbranden, offers voor een feestmaal, graanoffers en wijnoffers.

Behalve de offers bij de feesten zijn er ook nog andere offers: offers die je aan de Heer beloofd hebt, en offers die je vrijwillig brengt.’’

30

301Daarna vertelde Mozes aan het volk alles wat de Heer gezegd had.

Beloftes aan de Heer

2Mozes zei tegen de leiders van de stammen van Israël: ‘Nu volgen er regels die de Heer gegeven heeft.

Wie iets belooft, moet dat ook doen

3Stel dat iemand aan de Heer belooft om iets te doen. Of stel dat hij plechtig aan de Heer belooft om iets juist niet te doen. Dan moet zo iemand zich aan die belofte houden. Hij moet alles doen wat hij beloofd heeft.

Als een meisje niet getrouwd is

4Stel dat een meisje dat nog bij haar ouders woont, aan de Heer belooft om iets te doen. Of dat ze belooft om iets juist niet te doen. 5Dan moet ze zich aan haar belofte houden. Maar alleen als haar vader weet wat ze beloofd heeft en hij er niets van zegt.

6Maar als haar vader haar iets hoort beloven en hij protesteert daartegen, dan is haar belofte niet geldig. Dan zal de Heer het haar vergeven als ze zich niet aan haar belofte houdt. Want haar vader heeft geprotesteerd.

Als een vrouw getrouwd is

7-8Stel dat een vrouw trouwt en dat zij nog iets moet doen dat ze ooit beloofd heeft. Dan blijft die belofte geldig, ook als ze er niet goed over nagedacht heeft. Maar de belofte blijft alleen geldig als haar man weet wat ze beloofd heeft en hij er niets van zegt.

9Als haar man weet wat ze beloofd heeft en hij protesteert daartegen, dan is haar belofte niet meer geldig. Dan zal de Heer het haar vergeven als ze zich niet aan haar belofte houdt.

10Stel dat een vrouw weduwe geworden is, of door haar man is weggestuurd. Dan blijft haar belofte geldig.

De man is steeds verantwoordelijk

11Stel dat een vrouw getrouwd is en dat ze de Heer plechtig belooft om iets te doen, of om iets juist niet te doen. 12En stel dat haar man weet wat ze beloofd heeft, maar dat hij er niets van zegt en er niet tegen protesteert. Dan moet ze zich aan haar belofte houden.

13Stel dat de vrouw iets aan de Heer belooft, en dat haar man direct zegt dat die belofte niet geldig is. Dan is die belofte inderdaad niet geldig. Dan zal de Heer het haar vergeven als ze zich niet aan haar belofte houdt. Want haar man had gezegd dat haar belofte niet geldig was.

14Een vrouw kan wel iets aan de Heer beloven, maar haar man bepaalt altijd of haar belofte geldig is of niet. 15Als haar man hoort wat zij belooft en hij er binnen 24 uur niets van zegt, dan is haar belofte geldig. 16En als hij later toch zegt dat de belofte niet geldig is, dan is hij verantwoordelijk. Als een vrouw zich dan niet aan haar belofte houdt, wordt haar man gestraft.’

Slot

17Dat zijn de regels die de Heer aan Mozes gegeven heeft over de beloftes van getrouwde en van ongetrouwde vrouwen.

31

Oorlog tegen de Midjanieten

Mozes maakt een leger klaar

311De Heer zei tegen Mozes: 2‘Binnenkort zul je sterven. Maar zorg eerst dat de Israëlieten wraak nemen op de Midjanieten.’

3Toen zei Mozes tegen het volk: ‘Maak een leger klaar voor de strijd. De Heer wil dat we de Midjanieten aanvallen en straffen. 4Iedere stam moet duizend soldaten sturen.’

5Zo werd er een leger gevormd van 12.000 soldaten, duizend uit elke stam van Israël.

Het leger verslaat de Midjanieten

6-7Mozes stuurde het leger op weg om oorlog te voeren tegen de Midjanieten. Dat was de opdracht van de Heer. Pinechas, de zoon van de priester Eleazar, ging met het leger mee. Hij nam de heilige voorwerpen mee, en ook de trompetten waarop geblazen moest worden.

De Israëlieten doodden alle mannen uit Midjan, 8en ook hun vijf koningen: Ewi, Rekem, Sur, Chur en Reba. Ze doodden ook Bileam, de zoon van Beor. 9Ze namen alle vrouwen en kinderen gevangen. En ze namen de koeien, schapen en geiten van de Midjanieten mee, en ook al hun andere bezittingen. 10Ten slotte staken ze alle steden en tentenkampen van de Midjanieten in brand.

Mozes is woedend

11-12De Israëlitische soldaten namen alles mee wat ze konden vinden. Dat brachten ze met alle gevangenen en al het vee naar Mozes, Eleazar en de andere Israëlieten. Die waren op dat moment in Moab, in het gebied ten oosten van de Jordaan, vlak bij de stad Jericho.

13Mozes ging het leger tegemoet, samen met Eleazar en alle leiders van de Israëlieten. 14Toen hij de soldaten met de gevangenen zag, werd hij woedend op de legerleiders. 15Hij zei tegen hen: ‘Ik zie dat jullie alle vrouwen in leven hebben gelaten. 16Maar juist die vrouwen waren gevaarlijk voor ons volk! Zij luisterden naar Bileam, en zo zorgden ze ervoor dat de Israëlieten ontrouw werden aan de Heer. Dat gebeurde allemaal bij de berg Peor. De Heer heeft ons toen gestraft, en er zijn daar veel mensen gestorven.

De gevangenen moeten gedood worden

17Daarom moeten jullie nu alle jongens uit Midjan doden, en ook alle vrouwen die met een man geslapen hebben. 18Alleen de meisjes die nog niet met een man geslapen hebben, mag je in leven laten. Die mogen jullie voor jezelf houden.

19Ieder van jullie die een ander gedood heeft of een dode heeft aangeraakt, moet zeven dagen buiten het tentenkamp blijven. Op de derde en de zevende dag moeten jullie je daar wassen om weer rein te worden. Ook alle gevangenen moeten zich wassen. 20Ten slotte moeten alle kleren gewassen worden, en alle voorwerpen van leer, wol en hout, zodat die weer rein worden.’

Alles moet schoongemaakt worden

21Daarna zei de priester Eleazar tegen de soldaten die oorlog gevoerd hadden: ‘De Heer heeft aan Mozes de volgende regel gegeven: 22-23‘Onreine voorwerpen die niet kunnen branden, moeten jullie met vuur schoonmaken. Dat zijn de voorwerpen van goud, zilver, brons, ijzer, tin of lood. Daarna moeten jullie ze met water wassen, en dan zijn ze weer rein. Voorwerpen die wel kunnen branden, moeten jullie alleen met water wassen. Dan zijn ze weer rein.

24Ook moeten jullie je kleren wassen op de zevende dag. Daarna zijn jullie weer rein. En dan mogen jullie het kamp weer binnenkomen.’’

De soldaten mogen niet alles houden

25De Heer zei tegen Mozes: 26‘Roep de priester Eleazar en de leiders van alle families bij elkaar. Tel dan samen met hen alle mensen en dieren die uit Midjan meegenomen zijn. 27Geef de ene helft aan de soldaten die oorlog gevoerd hebben. En geef de andere helft aan de rest van het volk.

28-29De soldaten moeten van elke vijfhonderd mensen en dieren één mens en één dier aan Eleazar geven. Dat zijn geschenken voor mij. 30De rest van het volk moet één van elke vijftig mensen en dieren aan jou geven. Die zijn voor de Levieten die in de heilige tent werken.’

De mensen en de dieren worden geteld

31Mozes en Eleazar deden wat de Heer gezegd had. 32De soldaten hadden uit Midjan veel mensen en dieren meegenomen. In totaal waren het 675.000 schapen en geiten, 3372.000 koeien, 3461.000 ezels, 35en 32.000 meisjes die nog nooit met een man geslapen hadden.

De verdeling van mensen en dieren

36-40De soldaten kregen de helft van de meisjes en van de dieren: 337.500 schapen en geiten, 36.000 koeien, 30.500 ezels en 16.000 meisjes. Hiervan moesten de soldaten 675 schapen en geiten, 72 koeien, 61 ezels en 32 meisjes als een geschenk aan de Heer geven. 41Mozes gaf de dieren en de meisjes die voor de Heer waren, aan de priester Eleazar. Want zo had de Heer het gezegd.

42De Israëlieten die geen oorlog gevoerd hadden, kregen de andere helft: 43337.500 schapen en geiten, 4436.000 koeien, 4530.500 ezels 46en 16.000 meisjes. 47Steeds hield Mozes één van elke vijftig meisjes en dieren apart. Die gaf hij aan de Levieten die bij de heilige tent werkten. Want zo had de Heer het gezegd.

De legerleiders willen de Heer danken

48Toen kwamen alle legerleiders naar Mozes toe. 49Ze zeiden: ‘Wij hebben al onze soldaten geteld, en ze zijn er allemaal nog. 50Daarom willen we een geschenk geven aan de Heer. We hebben gouden voorwerpen uit Midjan meegenomen: armbanden, en allerlei soorten ringen en kettingen. Die geven we als dank aan de Heer, omdat hij ervoor gezorgd heeft dat we allemaal nog in leven zijn.’

51Mozes en Eleazar namen al die gouden sieraden aan. 52In totaal gaven de legerleiders bijna 200 kilo goud aan de Heer. 53Maar de gewone soldaten hielden alles wat ze meegenomen hadden, voor zichzelf.

54Mozes en Eleazar brachten al het goud van de legerleiders naar de heilige tent. Ze wilden dat de Heer door dat geschenk altijd aan de Israëlieten zou denken.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]