Bijbel in Gewone Taal (BGT)
18

De Levieten en hun beloning

Aäron is verantwoordelijk

181De Heer zei tegen Aäron: ‘Jij en je zonen zijn verantwoordelijk voor de heilige tent. Als jullie je werk als priester niet goed doen, worden jullie gestraft. En als er iets verkeerds gebeurt bij de heilige tent, wordt jullie hele familie gestraft.

2Laat ook de Levieten bij de heilige tent werken. Zij zijn familie van je, jullie horen bij dezelfde stam. Zij moeten jou en je zonen helpen bij het werk in de tent met de heilige kist. 3Ze moeten voor de heilige tent zorgen, en allerlei taken voor jou doen. Maar ze mogen niet te dicht bij het altaar en de heilige voorwerpen komen. Als ze dat wel doen, zullen ze sterven. En niet alleen zij, maar ook jij en je zonen!

De Levieten zijn in dienst van Aäron

4De Levieten moeten jou dus helpen met al het werk bij de heilige tent. Alleen de Levieten mogen jou en je zonen helpen, niemand anders. 5En jullie zijn de enigen die het altaar en de heilige voorwerpen mogen verzorgen. Let daar goed op! Want anders word ik weer kwaad op de Israëlieten.

6Uit het hele volk heb ik één groep gekozen voor een speciale taak. Dat zijn de Levieten, jouw familieleden. Zij horen bij mij. Zij moeten jullie helpen met het werk bij de heilige tent. 7Maar alleen jij en je zonen mogen als priester werken bij het altaar. Alleen jullie mogen achter het gordijn komen dat voor de heilige kist hangt. Want alleen jullie heb ik priester gemaakt, aan jullie heb ik die bijzondere taak gegeven. Ieder ander die in de heilige tent komt, moet gedood worden.’

Het loon van de priesters

8De Heer zei ook tegen Aäron: ‘Ik maak jou verantwoordelijk voor alles wat de Israëlieten aan mij aanbieden. Alles wat zij geven, is voor jou en je zonen. Want priesters hebben voor altijd recht op een deel van de offers.

9Jullie krijgen van alle heilige offers het gedeelte dat niet verbrand wordt: van de graanoffers, van de offers waarmee een fout goedgemaakt wordt, en van de offers waarmee iemands schuld goedgemaakt wordt. 10Alleen de mannen uit je familie mogen van die offers eten. Dat moeten ze doen op een heilige plaats, want de offers zijn heel heilig.

11Ook het vlees dat omhooggehouden wordt om het aan mij aan te bieden, is voor jou en je zonen en dochters. Dat geldt voor altijd. Al je familieleden mogen ervan eten, als ze maar rein zijn.

12-13Als de Israëlieten olijfolie, wijn of graan aan mij geven, krijgen jullie daar het beste deel van. Ze moeten de eerste opbrengst van het land aan mij aanbieden. Dat deel is voor jullie. Al je familieleden mogen ervan eten, als ze maar rein zijn.

14Ook alles in het land wat voor mij apart gehouden wordt, is voor jullie.

15De Israëlieten moeten het eerste jong van elk dier aan mij aanbieden. Daarna is het voor jullie. Maar als het een onrein dier is, moet je een geldbedrag aannemen in plaats van het dier.

Ook de oudste zoon van elke moeder moet aan mij aangeboden worden, en is dus voor jullie. Maar in plaats van die zoon moet je een geldbedrag aannemen. 16Als het kind één maand oud is, moeten de ouders 50 gram zilver betalen volgens het officiële gewicht.

17Het eerste jong van een koe, een schaap of een geit mag niet vervangen worden door een geldbedrag. Het is heilig, het is voor mij. Je moet het bloed van het dier over het altaar gieten. De vette delen van het dier moet je op het altaar verbranden. Zo’n offer heeft een heerlijke geur. Het is een geschenk voor mij, dat ik graag aanneem. 18Het vlees van de borst en de rechterachterpoot is voor jullie.

19Een deel van alle offers die de Israëlieten aan mij brengen, geef ik dus aan jou en je zonen en dochters. Dat geldt voor altijd. Het is een belofte van mij aan jou en je nakomelingen. En die belofte blijft eeuwig gelden.’

Het loon van de Levieten

20De Heer zei verder tegen Aäron: ‘Jij krijgt geen eigen grond in het land, zoals de andere Israëlieten. In plaats daarvan mag jij als priester voor mij werken.

21-24Hetzelfde geldt voor alle Levieten. Ook zij krijgen geen eigen grond, zoals de andere Israëlieten.

De andere Israëlieten moeten een tiende deel van hun oogst aan mij aanbieden. En dat deel geef ik aan de Levieten. Dat is hun loon voor het werk dat ze bij de heilige tent doen. Alleen zij mogen bij de heilige tent werken. Verder mogen er geen Israëlieten in de buurt van de heilige tent komen. Als dat toch gebeurt, zullen ze sterven.

De Levieten moeten dus al het werk bij de heilige tent doen. En zij zijn er verantwoordelijk voor dat er niets verkeerds gebeurt bij de heilige tent. Dat geldt voor altijd, nu en in de toekomst.’

Geschenken voor de Heer

25De Heer zei tegen Mozes: 26‘Zeg het volgende tegen de Levieten: ‘De Heer geeft jullie dus een tiende deel van de oogst van het volk. Als jullie dat krijgen, moeten jullie daarvan weer een tiende deel aan de Heer geven. 27Dat is dan jullie geschenk aan de Heer. Dan is het alsof jullie graan van je eigen akker geven, en wijn en olijfolie van je eigen land.

28-29Jullie moeten dus net als alle Israëlieten een tiende deel aan de Heer geven en aan Aäron, de priester. Houd daarom een deel van alles wat jullie van de Israëlieten krijgen, apart voor de Heer. Het moet het beste deel zijn. Want het is een geschenk voor de Heer. 30Dan is het alsof jullie de oogst van je eigen grond geven, je eigen graan en je eigen wijn.

31Wat er overblijft, is voor jullie. Je mag het eten waar je maar wilt, en al je familieleden mogen mee-eten. Het is jullie loon voor het werk bij de heilige tent. 32Maar geef het beste deel aan de Heer. Dan ga je op de juiste manier om met de offers van het volk. Als jullie je niet aan die regels houden, zullen jullie sterven.’’

19

Het aanraken van een dode

Er moet een koe verbrand worden

191De Heer zei tegen Mozes en Aäron: 2‘Zorg ervoor dat het volgende gebeurt. De Israëlieten moeten een roodbruine koe bij jullie brengen. De koe moet helemaal gezond zijn en mag geen gebreken hebben. Het dier mag nooit gebruikt zijn voor werk op het land.

3Breng die koe naar de priester Eleazar. Die moet de koe buiten het kamp slachten. 4Eleazar moet met zijn vinger zeven keer een beetje bloed spatten in de richting van de heilige tent. 5Daarna moet alles van de koe verbrand worden: de huid, het vlees, het bloed en de darmen. Eleazar moet erbij zijn als dat gebeurt.

6Dan moet Eleazar een stukje cederhout pakken, een paar kruidentakjes en wat rode kleurstof. Dat moet hij allemaal in het vuur gooien waarin de koe verbrand wordt. 7Daarna moet hij zichzelf en zijn kleren wassen. Dan mag hij het kamp weer in. Maar hij blijft onrein tot de avond. 8Ook de man die de koe verbrand heeft, moet zichzelf en zijn kleren wassen. Ook hij blijft onrein tot de avond.

Er moet speciaal water gemaakt worden

9Iemand die rein is, moet de as van de verbrande koe verzamelen. Hij moet de as buiten het kamp brengen, naar een reine plek. Daar moet de as bewaard blijven. Die as moet gemengd worden met water. Met dat water kunnen de Israëlieten rein gemaakt worden als ze iets verkeerds gedaan hebben. 10De man die de as verzameld heeft, moet zichzelf en zijn kleren wassen. Hij blijft onrein tot de avond.

Die regels blijven altijd gelden. Ze gelden voor de Israëlieten en voor de vreemdelingen die bij het volk wonen.

Het speciale water maakt iemand rein

11Iemand die het lichaam van een dode aanraakt, wordt onrein. Hij blijft dan zeven dagen onrein. 12Op de derde dag en op de zevende dag moet er water met as op hem gedruppeld worden. Dan is hij na zeven dagen rein. Als dat niet gebeurt, blijft hij onrein.

13Iemand die het lichaam van een dode aanraakt, moet rein gemaakt worden. Want hij is zelf onrein, en hij maakt ook de heilige tent onrein. Daarom moet er water met as op hem gedruppeld worden. Anders blijft hij onrein, en mag hij niet meer bij het volk van Israël horen.

Wie een dode aanraakt, is onrein

14Iedereen die in een tent komt waarin iemand gestorven is, is zeven dagen onrein. Ook alle dingen in de tent zijn zeven dagen onrein. 15Dus ook alle potten en pannen die niet goed afgesloten zijn.

16Als iemand buiten in het veld een dode aanraakt, is hij zeven dagen onrein. Het maakt niet uit of de dode vanzelf gestorven is, of dat hij gedood is. Ook de botten van een dode mogen niet aangeraakt worden. Zelfs een graf mag niet aangeraakt worden. Wie dat wel doet, is zeven dagen onrein.

Wie onrein is, moet weer rein worden

17Iemand die onrein is, moet rein gemaakt worden. Er moet as van de verbrande koe in een pot gedaan worden. En er moet water uit een bron op de as gegoten worden. 18Dan moet iemand die rein is, een kruidentakje pakken en dat door het water halen. Daarmee moet hij water spatten op de tent waarin iemand gestorven is. Hij moet ook water spatten op alle potten in de tent, en op alle mensen die in de tent geweest zijn.

Hetzelfde moet gebeuren als iemand een dode aangeraakt heeft, of de botten van een dode, of een graf. 19Als iemand op die manier onrein geworden is, moet er water met as op hem gedruppeld worden. Dat moet gebeuren op de derde en op de zevende dag. Op de zevende dag moet de persoon die onrein is, zichzelf en zijn kleren wassen. Daarna is hij rein.

20Als iemand onrein is, moet er water met as op hem gedruppeld worden. Als dat niet gebeurt, blijft hij onrein. En dan maakt hij ook de heilige tent onrein. Hij moet dus rein gemaakt worden. Anders mag hij niet meer bij het volk van Israël horen.

21-22Degene die het water met de as gedruppeld heeft, moet zijn kleren wassen. Want iedereen die dat water aangeraakt heeft, is onrein tot de avond. Ook alles wat de onreine persoon aanraakt, wordt onrein. En iemand die de onreine persoon aanraakt, wordt zelf onrein en blijft dat tot de avond.

Die regels gelden voor altijd, voor alle Israëlieten.’

20

De Israëlieten reizen verder

De dood van Mirjam

201Het hele volk van Israël kwam aan in de Sin-woestijn. Ze zetten hun tenten op in Kades. Het was de eerste maand van het jaar.

De Israëlieten bleven lange tijd in Kades, en in die tijd stierf Mirjam. Ze werd in Kades begraven.

Het volk klaagt

2Toen er geen drinkwater meer was, kwamen de Israëlieten dreigend op Mozes en Aäron af. 3Ze begonnen ruzie te maken met Mozes. Ze zeiden: ‘Waren we maar dood! Net als de Israëlieten die bij de heilige tent gestorven zijn. 4Waarom hebben jullie ons naar deze woestijn gebracht? Om ons en onze dieren hier te laten sterven? 5Waarom hebben jullie ons uit Egypte weggehaald? Het is hier verschrikkelijk! Er is hier geen graan. Er zijn geen vijgen, geen druiven en geen andere vruchten. Er is hier zelfs geen water om te drinken!’

6Mozes en Aäron lieten het volk alleen, en gingen naar de ingang van de heilige tent. Daar bogen ze diep voorover om te bidden. Toen liet de Heer zich aan hen zien, stralend en machtig.

Mozes zorgt voor water

7De Heer zei tegen Mozes: 8‘Pak je stok, en roep met je broer Aäron het volk bij elkaar. Als het volk er is, moet je tegen die rots daar zeggen dat hij water moet geven. Dan zal er water uit de rots stromen. En dan kun je de mensen en de dieren water geven.’

9Mozes haalde zijn stok uit de heilige tent, zoals de Heer gezegd had. 10Daarna lieten Mozes en Aäron het volk naar de rots komen. Toen zei Mozes: ‘Luister, ongehoorzaam volk! Wij zullen voor jullie water uit deze rots laten stromen.’

11Toen hield Mozes zijn stok omhoog en sloeg daarmee twee keer op de rots. Meteen stroomde er water uit de rots. Er was genoeg te drinken voor het hele volk en voor alle dieren.

Mozes en Aäron mogen het land niet in

12De Heer zei tegen Mozes en Aäron: ‘Jullie vertrouwden mij niet. Iedereen heeft gezien dat jullie niet genoeg eerbied hadden voor mijn macht. Daarom zullen jullie het volk niet naar het land brengen dat ik hun beloofd heb.’

13Dat gebeurde allemaal bij de bron van Meriba. Daar maakten de Israëlieten ruzie met de Heer, en daar liet hij hun zien hoe machtig hij was.

Het volk wil door Edom reizen

14Vanuit Kades stuurde Mozes boodschappers naar de koning van Edom. Ze zeiden: ‘Wij komen namens alle Israëlieten, die uw vrienden zijn. U weet wat voor moeilijkheden wij meegemaakt hebben. 15U weet dat onze voorouders naar Egypte gegaan zijn, en dat ons volk daar lange tijd gewoond heeft. En u weet ook dat de Egyptenaren ons heel slecht behandeld hebben. 16Toen hebben we de Heer om hulp gevraagd, en hij luisterde naar ons. Hij heeft een engel gestuurd, en ons uit Egypte weggehaald.

Nu zijn we in de stad Kades, bij de grens van uw land. 17We vragen uw toestemming om door uw land te reizen. We zullen niet op uw akkers of in uw wijngaarden komen. En we zullen geen water uit uw bronnen gebruiken. We zullen in uw land steeds de hoofdweg volgen, we zullen daar niet vanaf gaan.’

Het volk mag niet door Edom reizen

18De koning van Edom antwoordde: ‘Nee, jullie mogen niet door mijn land reizen. Als jullie dat toch doen, stuur ik het leger op jullie af.’

19De Israëlieten zeiden: ‘Maar we zullen op de hoofdweg blijven. En we zullen betalen voor het water dat wij en onze dieren gebruiken. We willen alleen maar door uw land heen reizen, meer niet.’

20Maar de koning bleef weigeren. Hij stuurde zelfs een groot, sterk leger op Israël af. 21De Israëlieten kregen dus geen toestemming om door Edom heen te reizen. Daarom namen ze een omweg.

De dood van Aäron

22Alle Israëlieten gingen weg uit Kades. Toen kwamen ze bij de berg Hor, 23bij de grens van Edom. Daar zei de Heer tegen Mozes en Aäron: 24‘Aäron zal hier sterven. Hij zal niet in het land komen dat ik aan de Israëlieten geef. Want bij de bron van Meriba zijn jullie ongehoorzaam aan mij geweest.

25Mozes, jij moet met Aäron en zijn zoon Eleazar de berg Hor op gaan. 26Daar moet Aäron zijn priesterkleren uittrekken, en Eleazar moet die aantrekken. Dan zal Aäron sterven.’

27Mozes, Aäron en Eleazar gingen de berg op, zoals de Heer gezegd had. Het volk zag hen gaan. 28Mozes liet Aäron zijn priesterkleren uittrekken, en zei dat Eleazar ze moest aantrekken. Toen stierf Aäron, op de top van de berg.

Mozes ging met Eleazar terug, de berg af. 29Toen de Israëlieten hoorden dat Aäron gestorven was, huilden ze. Dertig dagen lang rouwde het hele volk om hem.