Bijbel in Gewone Taal (BGT)
8

81-2kwamen de Israëlieten allemaal naar het plein voor de Waterpoort. Ze vroegen aan Ezra, die priester en schrijver was, of hij het boek met de wet van Mozes wilde halen. In dat boek stonden alle wetten en regels die de Heer aan de Israëlieten gegeven had.

Ezra haalde het wetboek en liet het zien aan alle mensen die daar bij elkaar waren. Alle mannen, vrouwen en kinderen die oud genoeg waren om de wet van Mozes te begrijpen, zagen het boek.

3-5Op het plein voor de Waterpoort ging Ezra op een houten podium staan. Dat podium was speciaal voor hem gemaakt. Naast hem, aan zijn rechterkant, stonden Mattitja, Sema, Anaja, Uria, Chilkia en Maäseja. Aan zijn linkerkant stonden Pedaja, Misaël, Malkia, Chasum, Chasbaddana, Zecharja en Mesullam. Omdat Ezra hoger stond dan het volk, kon iedereen hem zien. Toen hij het boek opende, ging iedereen staan. Ezra begon hardop voor te lezen uit het boek. Hij las de hele dag, en iedereen luisterde ernaar.

6Ezra dankte de Heer, de grote God. Het hele volk hield de handen omhoog en antwoordde: ‘Amen, amen.’ Daarna knielden alle mensen, en ze bogen diep voor de Heer.

De Levieten geven uitleg

7Toen het volk weer was gaan staan, legden een paar Levieten uit wat de wetten betekenden. Die Levieten waren Jesua, Bani, Serebja, Jamin, Akkub, Sabbetai, Hodia, Maäseja, Kelita, Azarja, Jozabad, Chanan en Pelaja. 8De ene Leviet las eerst luid en duidelijk een stuk voor uit het boek met de wet van God. En daarna legde een andere Leviet het stuk uit. Zo kon iedereen begrijpen wat er voorgelezen werd.

9Toen het volk hoorde wat er in het wetboek stond, moest iedereen huilen. Maar Nehemia, de provinciebestuurder, zei: ‘Huil niet.’ En ook Ezra en de Levieten die de wetten voorgelezen en uitgelegd hadden, zeiden dat het volk niet moest huilen. Ze zeiden: ‘Deze dag is een heilige dag, een dag ter ere van de Heer, jullie God! Daarom moeten jullie niet verdrietig zijn. 10Ga thuis een feestelijke maaltijd klaarmaken met lekker eten en drinken. En deel je feestmaal met mensen die niets hebben. Want dit is een heilige dag, een dag ter ere van de Heer. Droog je tranen, en wees blij met wat de Heer voor jullie doet. Hij geeft jullie steeds nieuwe kracht!’ 11De Levieten vroegen de mensen om rustig te blijven en op zo’n bijzondere dag niet verdrietig te zijn.

12Toen ging iedereen naar huis om te eten en te drinken. En ze deelden hun feestmaal met anderen. Ze maakten er een groot en vrolijk feest van. Want ze hadden goed begrepen wat Ezra en de Levieten gezegd hadden.

Het Loofhuttenfeest wordt gevierd

13-14De volgende dag kwamen de familieleiders met de priesters en de Levieten bij Ezra, de schrijver. Zij wilden meer weten over de wetten die de Heer aan Mozes gegeven had. Ze ontdekten dat de Israëlieten in de zevende maand een feest moesten vieren, en dat ze tijdens dat feest in hutten moesten wonen. 15Dat moest in Jeruzalem en in alle steden van het land bekendgemaakt worden. De mensen moesten naar de bergen gaan om takken te halen. Takken van olijfbomen, palmbomen en andere soorten bomen met veel bladeren. Want met die takken moesten ze de hutten maken.

16Toen ging iedereen takken halen. En ze bouwden hutten op de platte daken en de binnenplaatsen van hun huizen. En ook op de pleinen van de tempel en op de pleinen bij de Waterpoort en de Efraïm-poort. 17Alle Israëlieten die uit Babylonië naar Jeruzalem gekomen waren, maakten zulke hutten en gingen erin wonen. Dat hadden ze sinds de tijd van Jozua, de zoon van Nun, niet meer gedaan. Iedereen was heel erg blij.

18Het feest duurde zeven dagen. Elke dag werd er voorgelezen uit het boek met de wet van God. En ook op de dag na het feest kwamen de mensen bij elkaar. Want zo stond het in het wetboek.

9

Israëls ontrouw

De wet wordt voorgelezen

91Op de 24ste dag van de zevende maand kwamen de Israëlieten weer bij elkaar. Ze vastten, deden rouwkleren aan en gooiden zand over hun hoofd. 2Ze gingen apart staan van de mensen die geen Israëlieten waren. Daarna gaven de Israëlieten in het openbaar hun fouten toe, en ook de fouten van hun voorouders.

3Drie uur lang bleef het volk staan. Intussen werd er voorgelezen uit het boek met de wet van de Heer, hun God. Daarna knielden ze drie uur lang voor de Heer, hun God, en gaven ze hun fouten toe.

De Levieten beginnen te bidden

4Een paar Levieten stonden op een verhoging. Dat waren Jesua, Bani, Kadmiël, Sebanja, Bunni, Serebja, Kenani en nog een Bani. Zij begonnen hardop te bidden tot de Heer, hun God. 5Toen zeiden de Levieten Jesua, Bani, Kadmiël, Sebanja en Serebja, en Chasabneja, Hodia en Petachja tegen het volk: ‘Dank de Heer, jullie God. En blijf hem altijd danken.’

Daarna zeiden de Levieten tegen de Heer:

‘Iedereen moet u danken, want u bent machtig. Er zijn niet genoeg woorden om u te danken en te prijzen. 6U bent de Heer, u alleen. U hebt de hemel en de sterren gemaakt. U maakte de aarde en de zee. En u hebt het leven gegeven aan alle mensen en dieren. Alle engelen in de hemel buigen diep voor u.

De belofte van de Heer aan Abraham

7U bent God, de Heer. U hebt Abram uitgekozen en hem weggehaald uit Ur in Babylonië. U gaf hem de naam Abraham. 8U zag dat hij u vertrouwde. Daarom beloofde u hem dat u aan zijn nakomelingen een land zou geven. Het land van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Perizzieten, de Jebusieten en de Girgasieten. En u bent betrouwbaar, want u hebt gedaan wat u beloofd hebt.

De redding uit Egypte

9U zag dat onze voorouders het slecht hadden in Egypte. U luisterde naar hen toen ze bij de Rietzee waren en naar u om hulp riepen. 10U wist dat de farao, zijn ambtenaren en zijn hele volk onze voorouders slecht behandelden. Daarom deed u in Egypte veel wonderen. Iedereen moest weten hoe machtig u bent, en iedereen weet het nu.

11U maakte voor de Israëlieten een pad door de zee. Zo konden ze over de bodem van de zee naar de overkant gaan. Ze werden achtervolgd door de Egyptenaren, maar die hebt u in de diepe zee gegooid. Ze zonken, zoals stenen naar de bodem zinken.

De Heer hielp Israël in de woestijn

12U ging met uw volk mee, overdag in een grote wolk en ’s nachts in een vuur. Zo hebt u de weg voor uw volk verlicht. 13U kwam uit de hemel naar de berg Sinai. U sprak met de Israëlieten, en u gaf ze eerlijke regels en goede, duidelijke wetten. 14U vertelde hun over de sabbat, de dag die heilig voor u is. En u gaf uw dienaar Mozes de opdracht om al uw wetten en regels door te geven aan uw volk.

15U gaf brood uit de hemel toen de Israëlieten honger hadden. U liet water uit de rots stromen toen zij dorst hadden. U zei tegen hen in welk land ze moesten gaan wonen. Dat was het land dat u aan hen beloofd had.

Israël was ongehoorzaam

16Maar onze voorouders waren eigenwijs en ongehoorzaam. Zij deden niet wat u tegen hen gezegd had. 17Ze wilden niet naar u luisteren. Ze dachten niet meer aan de wonderen die u voor hen gedaan had. Ze waren eigenwijs, ze kozen een eigen leider. Ze wilden weer als slaven leven, zoals vroeger in Egypte.

Maar u bent een goede God. U vergeeft de mensen als ze fouten maken, u zorgt voor hen. U bent geduldig en trouw. Dus u liet hen niet in de steek.

De Heer bleef voor Israël zorgen

18De Israëlieten maakten een beeld van een stier, en ze zeiden: ‘Dit is de god die jullie bevrijd heeft uit Egypte!’ Daarmee hebben ze u diep beledigd. 19Maar zelfs toen was u goed voor uw volk. U liet de Israëlieten in de woestijn niet in de steek. Overdag ging de grote wolk niet weg, hij was bij hen als ze verdergingen. En in de nacht was er een vuur om de weg te verlichten. 20U hielp hen vriendelijk om uw regels te begrijpen. U bleef hun manna geven als ze honger hadden, en water als ze dorst hadden.

21Veertig jaar lang hebt u in de woestijn voor de Israëlieten gezorgd. Ze kregen alles wat ze nodig hadden. Hun kleren raakten niet versleten, en hun voeten werden niet dik van het lopen.

De Israëlieten kwamen in Kanaän

22U liet de Israëlieten koninkrijken veroveren. U gaf aan hen de gebieden van de overwonnen volken. Ze kregen het land van Sichon, de koning van Chesbon, in bezit. En ook Basan, het land van koning Og.

23U gaf de Israëlieten veel kinderen, zo veel als er sterren zijn aan de hemel. U bracht de kinderen naar het land dat u aan hun voorouders beloofd had. 24En zij namen het land in bezit.

U zorgde ervoor dat uw volk ging heersen over de inwoners van Kanaän. Alle volken en koningen in Kanaän moesten de Israëlieten dienen. De Israëlieten konden met hen doen wat ze wilden.

25De Israëlieten veroverden machtige steden en vruchtbare stukken land. Ze namen huizen vol mooie spullen in bezit, en waterbakken die in de rotsen uitgehakt waren. Ook alle velden met druivenplanten, olijfbomen en fruitbomen namen ze in bezit. Ze konden zo veel eten als ze wilden, ze werden dik van het lekkere eten. Ze genoten van alle goede dingen die u aan hen gaf.

Israël was steeds weer ongehoorzaam

26Maar toen werden de Israëlieten ontrouw aan u, en ze kwamen tegen u in opstand. Ze gehoorzaamden uw wetten niet meer. U stuurde uw profeten om hen te waarschuwen en te zorgen dat ze u weer gingen dienen. Maar zij vermoordden uw profeten. Daarmee hebben de Israëlieten u diep beledigd. 27Daarom stuurde u vijanden op hen af.

De Heer bleef trouw aan Israël

Toen de Israëlieten zwaar onderdrukt werden, schreeuwden ze om hulp. Vanuit de hemel luisterde u naar hen. U had medelijden met hen, en u stuurde leiders om hen te bevrijden. 28Maar zodra de Israëlieten weer vrij waren en in vrede leefden, gingen ze opnieuw verkeerde dingen doen. Dan zorgde u er weer voor dat vijanden over hen gingen heersen.

Daarna schreeuwden ze opnieuw om hulp. En weer luisterde u naar hen vanuit de hemel. U redde hen, want u had medelijden met hen. U redde uw volk steeds weer van hun vijanden. 29U waarschuwde hen, u zei dat ze zich aan uw wetten moesten houden.

Maar uw volk was eigenwijs, ze hielden zich niet aan uw regels. Ze deden niet wat er in uw wetten staat. Ze wisten dat het goed gaat met mensen die zich aan uw wetten houden. Maar toch was uw volk ongehoorzaam, de mensen wilden niet luisteren.

30U hebt heel veel jaren geduld gehad met uw volk. U hebt profeten gestuurd, en die hebben uw volk namens u gewaarschuwd. Maar uw volk luisterde niet. Daarom zorgde u ervoor dat vijanden over hen heersten. 31Maar omdat u goed was voor uw volk, hebt u het niet vernietigd. U hebt de Israëlieten niet in de steek gelaten. U bleef voor hen zorgen en u liet zien dat u een goede God bent.

Alle ellende is Israëls eigen schuld

32God, u bent zo groot en machtig! Iedereen heeft eerbied voor u. U houdt u aan uw beloftes en u bent goed voor mensen. Daarom vragen wij aan u: Vergeet niet hoe groot de ellende is die wij meemaken. Onze koningen en leiders, onze priesters en profeten, en onze voorouders hebben veel ellende meegemaakt. Uw volk heeft veel geleden sinds de Assyriërs kwamen. En nog steeds gaat het erg slecht met ons.

33God, u bent altijd eerlijk, u hebt ons gegeven wat wij verdienden. Daarom maken we zo veel ellende mee. Want we hebben gedaan wat verkeerd was. 34Onze koningen, onze leiders, onze priesters en onze voorouders hielden zich niet aan uw wet. Ze vergaten uw regels. U waarschuwde hen, maar zij deden niet wat u wilde. 35U had hun een eigen land gegeven, zo goed was u voor hen. Dat was een mooi land, en het was groot genoeg. Ze kregen ook een eigen koning. Maar ze weigerden om u te dienen. Ze bleven steeds maar slechte dingen doen.

36En nu zijn wij slaven. We zijn in het land dat u aan onze voorouders gegeven hebt. Het land waarin zo veel eten en zo veel rijkdom te vinden is. Maar in dat land zijn we slaven! 37En we moeten de hele oogst van het land aan de koningen van andere volken geven. U hebt die koningen over ons aangesteld, ze heersen nu over ons en over onze dieren. Ze doen met ons wat ze willen. Het gaat heel slecht met ons.’

10

Belofte van trouw aan de wet

De Israëlieten maken een afspraak

101-2Toen de Levieten klaar waren met hun gebed, maakten we met elkaar een afspraak. We schreven op wat we beloofden.

Op het document stonden stempels met de namen van onze leiders, en van de Levieten en priesters. Het waren de volgende personen:

De provinciebestuurder Nehemia, de zoon van Chachalja, en Sidkia.

3De volgende priesters: Seraja, Azarja, Jirmeja, 4Paschur, Amarja, Malkia, 5Chattus, Sebanja, Malluch, 6Charim, Meremot, Obadja, 7Daniël, Ginneton, Baruch, 8Mesullam, Abia, Miamin, 9Maäzja, Bilgai en Semaja.

10De volgende Levieten: Jesua, de zoon van Azanja, Binnuï en Kadmiël, de zoon van Chenadad, 11met hun familieleden Sebanja, Hodia, Kelita, Pelaja, Chanan, 12Micha, Rechob, Chasabja, 13Zakkur, Serebja, Sebanja, 14Hodia, Bani en Beninu.

15De volgende familieleiders: Paros, Pachat-Moab, Elam, Zattu, Bani, 16Bunni, Azgad, Bebai, 17Adonia, Bigwai, Adin, 18Ater, Chizkia, Azzur, 19Hodia, Chasum, Besai, 20Charif, Anatot, Nebai, 21Magpias, Mesullam, Chezir, 22Mesezabel, Sadok, Jaddua, 23Pelatja, Chanan, Anaja, 24Hosea, Chananja, Chassub, 25Halloches, Pilcha, Sobek, 26Rechum, Chasabna, Maäseja, 27Achia, Chanan, Anan, 28Malluch, Charim en Baäna.

Iedereen wil leven volgens de wet

29Alle andere Israëlieten, priesters, Levieten, bewakers van de tempelpoorten, tempelzangers en helpers in de tempel waren er ook bij. En alle mensen die niet meer wilden samenleven met mensen van andere volken. Ook zij wilden leven volgens de wet van God, en dat wilden ze plechtig beloven.

Ze kwamen met hun vrouwen, en met hun zonen en dochters. Ze namen ook alle kleine kinderen mee die de wet al konden begrijpen. 30Ze deden hetzelfde als de belangrijke Judeeërs. Ze beloofden plechtig om te leven volgens de wet die God aan zijn dienaar Mozes gegeven had. Ze beloofden om zich precies te houden aan alle wetten en regels van God, de Heer. Als ze dat niet deden, dan zou het slecht met hen aflopen.

Afspraken over contact met andere volken

31We beloofden de volgende dingen: ‘We zullen onze dochters niet laten trouwen met mannen uit andere volken. We zullen ook geen meisjes uit andere volken kiezen om die te laten trouwen met onze zonen.

32We beloven dat we op sabbat of een andere feestdag geen graan zullen kopen van andere volken. Of iets anders dat ze aan ons willen verkopen.

Afspraken voor elk zevende jaar

We beloven dat we ons land elk zevende jaar met rust zullen laten. We zullen dan niet zaaien of oogsten.

En in dat jaar zullen we niemand dwingen om zijn schuld aan ons terug te betalen.

Afspraken over tempelbelasting

33We beloven dat we elk jaar belasting zullen betalen voor het werk in de tempel. Iedereen moet een stuk zilver van 3 gram betalen. 34Daarmee kunnen verschillende dingen betaald worden: de offerbroden die in de tempel liggen, de dagelijkse graanoffers en de dagelijkse offers die helemaal verbrand moeten worden. En ook de offers op sabbat, op het Feest van Nieuwe Maan en op andere feesten. Ook de speciale offers kunnen daarvan betaald worden. Net als de offers waarmee de fouten van het volk goedgemaakt worden.

Afspraken over hout voor de tempel

35We beloven dat er elk jaar genoeg hout in de tempel zal zijn. We hebben met de priesters en de Levieten geloot wie daarvoor moet zorgen, en op welke dagen. Op dat hout kunnen de offers branden op de altaren van de Heer, onze God. Zo staat dat in de wet.

Afspraken over de eerste oogst

36We beloven dat we trouw elk jaar de eerste oogst van onze akkers naar de tempel zullen brengen. Net als de eerste vruchten van de fruitbomen.

37Ook zullen we onze oudste zonen naar de tempel van onze God brengen. Net als elk eerste mannelijke jong van onze koeien, schapen en geiten. Ze zijn voor de priesters die daar werken. Want zo staat dat in de wet.

38We zullen ook het eerste deeg van het nieuwe graan naar de priesters brengen. En het fruit, de wijn en de olijfolie die we moeten geven. De priesters zullen dan alles naar de tempel van onze God brengen.

Afspraken voor de Levieten

Een tiende deel van de opbrengst van onze akkers zal voor de Levieten zijn. Zij moeten een tiende deel van de oogst verzamelen in de gebieden waar wij werken. 39Daar moet altijd een priester, een nakomeling van Aäron, bij zijn.

De Levieten moeten het tiende deel van de oogst verzamelen. En daarna moeten zij een tiende deel daarvan naar de tempel van onze God brengen. 40Want het graan, de wijn en de olijfolie moeten naar de tempel gebracht worden. Daar worden ook alle heilige voorwerpen bewaard. En ook de priesters zijn daar als ze dienst hebben, net als de bewakers van de tempel en de tempelzangers.

Wij beloven dat we goed zullen zorgen voor de tempel van onze God.’