Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

Herstel van de stadsmuur

Van de Schaapspoort tot de Vispoort

31Eljasib, de hogepriester, bouwde met andere priesters de Schaapspoort weer op. Toen de poort klaar was, zetten ze er deuren in. Daarna maakten ze de muur tussen de Honderdtoren en de Chananel-toren af.

2Daarnaast bouwden de bewoners van Jericho aan een deel van de muur. En Zakkur, de zoon van Imri, werkte aan een volgend stuk muur.

Van de Vispoort tot de Oude Poort

3De nakomelingen van Senaä bouwden de Vispoort weer op. Ze zetten er nieuwe balken in, en deuren die goed op slot konden. 4Meremot, de zoon van Uria en de kleinzoon van Hakkos, repareerde een deel van de muur daarnaast.

Verderop was Mesullam aan het werk. Mesullam was een zoon van Berechja en een kleinzoon van Mesezabel. Naast Mesullam was Sadok, de zoon van Baäna, aan het werk.

5De inwoners van Tekoa werkten aan een volgend deel van de muur. Maar de rijke inwoners van die stad hielpen niet mee met het werk dat gedaan moest worden.

Van de Oude Poort tot de Dalpoort

6Jojada, de zoon van Paseach, en Mesullam, de zoon van Besodja, repareerden de Oude Poort. Ze zetten er nieuwe balken in, en deuren die goed op slot konden. 7Melatja uit Gibeon en Jadon uit Meronot werkten aan de muur daarnaast. Ze werden geholpen door mannen uit Gibeon en Mispa. Het gedeelte van de muur waar ze aan werkten, liep door tot het huis van de provinciebestuurder.

8Uzziël, de zoon van Charhaja, werkte aan het volgende deel van de muur. Uzziël was een goudsmid. Daarnaast werkte Chananja, hij was zalfmaker van beroep. Zij repareerden de muur tot aan de Brede Muur.

9Verderop was Refaja, de zoon van Chur, aan het werk. Refaja was de bestuurder van de helft van het gebied rond Jeruzalem. 10Jedaja, de zoon van Charumaf, repareerde het stuk muur tegenover zijn eigen huis. En Chattus, de zoon van Chasabneja, was daarnaast aan het werk.

11Het volgende gedeelte, met de Bakoventoren, werd hersteld door Malkia, de zoon van Charim, en door Chassub, de zoon van Pachat-Moab. 12Sallum, de zoon van Halloches, repareerde met zijn dochters het volgende deel van de muur. Sallum was de bestuurder van de andere helft van het gebied rond Jeruzalem.

Van de Dalpoort tot de Mestpoort

13Chanun repareerde met de inwoners van Zanoach de Dalpoort. Ze bouwden de poort weer op, en zetten er deuren in die goed op slot konden. Ze repareerden ook de muur tot aan de Mestpoort. Dat was een stuk muur van 500 meter.

14De Mestpoort werd hersteld door Malkia, de zoon van Rechab. Malkia was de bestuurder van het gebied rond Bet-Hakkerem. Hij bouwde de poort weer op, en zette er deuren in die goed op slot konden.

Van de Bronpoort tot de oude stad

15Sallun, de zoon van Kolchoze, repareerde de Bronpoort. Sallun was de bestuurder van het gebied rond Mispa. Hij herstelde de poort en zette er een dak op. Hij zette er ook deuren in die goed op slot konden.

Sallun repareerde ook de muur bij de vijver. Daar begon het kanaal dat naar de koninklijke tuin loopt. De muur liep door tot aan de trappen naar het oude deel van de stad.

Van de oude stad tot de Punt

16Nechemja, de zoon van Azbuk, repareerde het volgende deel van de muur. Nechemja was de bestuurder van het gebied rond Bet-Sur. Dat deel van de muur liep door tot de graven van de koningen van Juda. Daarna liep de muur tot aan de vijver, en verder tot aan het Huis van de Helden.

17Het volgende stuk van de muur werd hersteld door Levieten. Rechum, de zoon van Bani, deed een deel, en Chasabja deed een deel. Dat deed Chasabja omdat hij de bestuurder was van de helft van het gebied rond de stad Keïla.

18Binnuï, de zoon van Chenadad, repareerde het volgende stuk van de muur. Binnuï was de bestuurder van de andere helft van het gebied rond de stad Keïla. 19Ezer, de zoon van Jesua, repareerde de muur die omhoogliep naar het gebouw waar de wapens bewaard werden, en verder naar de Punt. Ezer was de bestuurder van de stad Mispa.

Van de Punt tot het huis van Eljasib

20Baruch, de zoon van Zabbai, werkte heel hard aan het volgende gedeelte van de muur. Dat was het gedeelte vanaf de Punt tot de voorkant van het huis van hogepriester Eljasib.

21Het deel daarna werd hersteld door Meremot, de zoon van Uria en de kleinzoon van Hakkos. Dat deel van de muur liep van de voorkant van het huis van Eljasib tot aan de achterkant.

Van Eljasibs huis tot de heuvel Ofel

22Het daaropvolgende stuk van de muur werd hersteld door priesters uit de omgeving van Jeruzalem. 23Weer verderop repareerden Benjamin en Chassub het gedeelte tegenover hun huis. Azarja, de zoon van Maäseja en de kleinzoon van Ananja, repareerde de muur naast zijn eigen huis. 24Binnuï, de zoon van Chenadad, repareerde de muur vanaf het huis van Azarja tot aan de Punt en de Hoek. 25Palal, de zoon van Uzai, repareerde een ander stuk van de muur. Dat was de muur tegenover de Punt en de hoge toren van het paleis van de koning, vlak bij het plein van de gevangenis.

Pedaja, de zoon van Paros, 26repareerde de muur tot aan de Waterpoort aan de oostkant van de stad en de hoge toren van het paleis. Hij deed dat met mensen die in de tempel werkten en op de heuvel Ofel woonden. 27De inwoners van Tekoa repareerden een volgend stuk van de muur. Dat was het deel dat liep van de hoge toren tot aan de muur bij de heuvel Ofel.

Het werk aan andere delen van de muur

28De priesters repareerden de muur vanaf de Paardenpoort. Iedere priester werkte aan het stuk tegenover zijn eigen huis. 29Ook Sadok, de zoon van Immer, repareerde de muur tegenover zijn huis. Semaja, de zoon van Sechanja, deed het volgende stuk. Semaja was de bewaker van de Oostpoort.

30Chananja, de zoon van Selemja, werkte aan weer een volgend gedeelte van de muur. Hij deed dat samen met Chanun, de zesde zoon van Salaf. Verderop repareerde Mesullam, de zoon van Berechja, de muur tegenover zijn huis.

31Malkia, een goudsmid, repareerde ook een deel van de muur. Dat deel liep tot aan het gebouw dat tegenover de Wachtpoort lag. Dat gebouw werd gebruikt door de helpers in de tempel en door de handelaars uit de tempel. De muur liep verder tot de toren bij de Hoek. 32Aan het gedeelte tussen die toren en de Schaapspoort werkten de goudsmeden en de handelaars.

Acties van de tegenstanders

De Judeeërs worden beledigd

33-34Sanballat hoorde dat wij de muur aan het opbouwen waren. Hij werd heel kwaad. Toen zijn vrienden en de legerleiders van Samaria bij hem waren, begon hij de Judeeërs belachelijk te maken. Hij zei: ‘Wat willen die Judeeërs toch? Ze betekenen helemaal niets. Denken ze dat ze de muur zelf kunnen repareren? Willen ze misschien ook offers gaan brengen? Denken ze het werk vandaag nog af te krijgen? Deze stad is door brand verwoest, overal ligt puin. Zijn ze echt van plan die stenen opnieuw te gebruiken?’

35Tobia uit Ammon die naast hem stond, zei: ‘Ach, laat ze maar bouwen. Die muren zullen al instorten als er een vos op springt!’

Nehemia bidt tot God

36Toen vroeg ik God om hulp. Ik zei: ‘God, hoor toch hoe ze ons belachelijk maken. Straf hen daarvoor! Zorg ervoor dat ze gevangen worden genomen, en naar een ver land gebracht worden. 37Vergeef hun misdaden niet, vergeet niet wat ze ons aandoen! Ze beledigen ons, terwijl we bezig zijn om de muur van Jeruzalem weer op te bouwen.’

De tegenstanders worden kwaad

38We bouwden verder aan de muur van Jeruzalem. Iedereen werkte hard door. Daardoor was de muur al snel half af.

4

41De muur werd steeds hoger, en bijna alle gaten waren al dichtgemaakt.

Toen Sanballat en Tobia dat hoorden, werden ze heel erg kwaad. En niet alleen zij waren kwaad, maar ook de Arabieren, de Ammonieten en de mensen uit Asdod. 2Ze kwamen bij elkaar en maakten een plan om Jeruzalem aan te vallen. Ze wilden ons bang maken. 3Maar wij vroegen onze God om hulp, en zorgden ervoor dat de stad dag en nacht bewaakt werd.

Nehemia beschermt de bouwers

4Op een dag begonnen de Judeeërs te klagen: ‘We worden doodmoe van het werk, er is te veel puin. We kunnen die muur nooit helemaal opbouwen.’

5Intussen waren onze vijanden van plan ons plotseling aan te vallen. Ze zeiden: ‘In Jeruzalem weten ze nog van niets. En ze mogen ook niets merken. Maar we zullen hen doden, want dat werk moet stoppen.’

6Maar dat plan mislukte. Want waar onze vijanden woonden, woonden ook veel Judeeërs. Die Judeeërs kwamen ons wel tien keer waarschuwen. Ze zeiden dat de mensen die aan de muur werkten, weer naar huis moesten komen. 7Maar ik zorgde ervoor dat iedereen achter de muur ging staan. Ik zette alle families bij elkaar. En ik zette ze vooral op de plekken waar de muur laag of zwak was. Ook gaf ik iedereen wapens: zwaarden, speren, en pijl en boog.

8Toen iedereen op zijn plaats stond, begon ik te spreken. Ik zei tegen de bestuurders, tegen de belangrijke inwoners van de stad en tegen alle anderen: ‘Wees niet bang voor onze vijanden. Bedenk hoe groot en machtig de Heer is! Vecht voor jullie eigen mensen, voor jullie zonen, dochters en vrouwen, en vecht ook voor jullie huizen!’

Het werk gaat door

9Al snel merkten onze vijanden dat wij alles wisten van hun plannen. En ze begrepen dat God ervoor zorgde dat ze niet konden aanvallen. Daarom konden wij doorgaan met ons werk aan de muur.

10-12Vanaf die dag liet ik steeds de helft van mijn mannen werken. Aan de andere helft gaf ik wapens om hen te verdedigen. De leiders van het volk beschermden de mensen die aan het bouwen waren.

De arbeiders die stenen moesten dragen, werkten met één hand. In hun andere hand hielden ze een wapen vast. Ook de bouwers hadden tijdens het werk allemaal een wapen bij zich.

Naast mij stond een man die op de trompet moest blazen als er gevaar was. 13Ik had tegen de bestuurders, tegen de belangrijke inwoners van de stad en tegen alle anderen gezegd: ‘Er is over de hele lengte van de muur veel werk te doen. We staan ver van elkaar af en we zien elkaar niet. 14Als jullie de trompet horen, moeten jullie direct naar mij toe komen. Onze God strijdt voor ons!’

De stad wordt dag en nacht bewaakt

15We werkten van de ochtend tot de avond. En altijd werden we beschermd door de helft van mijn mannen.

16Ik had de mensen die aan het werk waren, ook nog de volgende opdracht gegeven: ‘Iedereen moet met zijn mannen ook ’s nachts in Jeruzalem blijven, en niet naar huis gaan. Want overdag moeten we werken, en ’s nachts moeten we de stad bewaken.’ 17Mijn broers, mijn dienaren, de bewakers en ik hadden dus ook ’s nachts een taak. Iedereen was altijd klaar om te vechten.

5

Het leven in Juda is zwaar

Mensen klagen over onrecht

51In die tijd hadden veel arme Judeeërs, vooral de vrouwen, klachten over de rijke Judeeërs.

2Sommige arme Judeeërs zeiden: ‘We hebben veel kinderen, dus we hebben veel graan nodig. We moeten eten, anders gaan we dood.’

3Anderen zeiden: ‘We hebben honger. Maar als we graan willen kopen, moeten we geld lenen. Dat kan wel, maar dan moeten we onze akkers, wijngaarden en huizen geven als bewijs van de lening.’

4En weer anderen zeiden: ‘We moesten veel belasting betalen aan de koning. We konden geld lenen omdat we akkers en wijngaarden hadden. 5Maar onze akkers en wijngaarden zijn nu van een ander. Om onze schulden te betalen moeten we nu onze kinderen weggeven als slaven. Sommige van onze dochters worden zelfs verkracht. En wij kunnen er niets tegen doen. Maar wij en onze kinderen zijn toch niet minder waard dan de rijke Judeeërs?’

Nehemia is kwaad

6Ik werd woedend toen ik de klachten hoorde en begreep wat er aan de hand was. 7Ik dacht er goed over na. Toen riep ik iedereen bij elkaar, want ik wilde een einde maken aan die vreselijke situatie. Ik besloot de bestuurders en de belangrijkste mannen van de stad aan te klagen. Ik zei tegen hen dat ze van hun eigen mensen te veel rente eisten voor een lening.

8Ik zei tegen de leiders: ‘Sommige mensen van ons volk moesten zichzelf verkopen aan mensen van andere volken. Wij hebben hen allemaal teruggekocht. Maar wat doen jullie nu? Jullie dwingen hen om zich te verkopen aan mensen van ons eigen volk!’ Toen zwegen de leiders, want ze wisten niet wat ze moesten zeggen.

Elk stuk grond wordt teruggegeven

9Toen zei ik: ‘Wat jullie doen, is verkeerd. Jullie moeten eerbied hebben voor onze God. Anders zullen onze vijanden ons belachelijk maken.

10Ook mijn broers, de mannen die me helpen, en ik hebben geld en graan geleend aan anderen. Laten we dat nu niet meer terugvragen. 11Geef iedereen vandaag nog zijn akkers en wijngaarden terug, en ook zijn olijfbomen en zijn huis. En geef ook de rente terug die betaald moest worden over het geleende geld, het graan, de wijn en de olijfolie.’

12Toen zeiden de bestuurders en de belangrijkste mannen van de stad: ‘Wij zullen alles teruggeven, en we vragen geen rente meer. We zullen doen wat u zegt.’ Dat liet ik hen plechtig beloven. Daar waren ook priesters bij aanwezig, want die had ik erbij geroepen.

13Toen schudde ik de zakken van mijn jas leeg. Ik zei: ‘Ik haal alles uit de zakken van mijn jas. Zo zal God alles afnemen van de mensen die zich niet aan deze afspraak houden. Ze zullen geen huis meer hebben, helemaal niets meer. Ze zullen alles verliezen!’

Alle aanwezigen zeiden: ‘Ja, zo zal het gebeuren.’ Ze eerden de Heer, en iedereen deed wat afgesproken was.

Nehemia wil geen geld vragen

14Artaxerxes had me aangesteld als bestuurder van het gebied Juda toen hij twintig jaar koning van Perzië was. Twaalf jaar bestuurde ik Juda. In al die jaren wilden mijn broers en ik geen geld van het volk vragen. We betaalden steeds zelf alle kosten die bij mijn functie hoorden.

15De vroegere bestuurders van Juda deden dat wel anders! Ze vroegen veel belasting, en dat was heel zwaar voor het volk. Ze vroegen niet alleen voedsel en wijn, maar ook 40 zilverstukken per persoon. En hun dienaren deden alsof ze de baas waren over iedereen. Maar zulke dingen deed ik niet, want ik had eerbied voor God. 16Ik heb er alles aan gedaan om de muur van Jeruzalem te herstellen. Ook mijn mannen hebben steeds met dat werk geholpen. En niemand van ons heeft een stuk grond in bezit genomen.

17Ik moest bovendien steeds voor 150 leiders uit Juda zorgen. Ik gaf hun allemaal te eten. En ik had ook nog gasten die niet uit Juda kwamen. 18Ik liet elke dag één koe, zes schapen en een paar kippen slachten en klaarmaken voor de maaltijd. Ik betaalde dat allemaal zelf. Elke tien dagen liet ik nieuwe wijn komen. Maar ik heb daarvoor nooit geld gevraagd. Want het volk had het al moeilijk genoeg.

Nehemia bidt tot God

19Nehemia bad: ‘Mijn God, wees goed voor mij, vergeet niet wat ik voor het volk gedaan heb.’