Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

Nehemia spreekt met de koning

21-2Toen ik een paar maanden later bij de koning was, schonk ik wijn voor hem in. Ik gaf de beker aan de koning.

De koning zag dat ik erg verdrietig was. Dat liet ik anders nooit merken. Hij zei tegen mij: ‘Wat zie je er slecht uit! Je bent toch niet ziek? Of heb je veel zorgen?’ Ik schrok heel erg. 3Toen zei ik: ‘Koning, ik wens u een lang leven toe! Ik voel me slecht, omdat ik me zorgen maak om de stad waar mijn voorouders begraven zijn. Die stad is verwoest, en de poorten zijn verbrand.’

4De koning zei tegen mij: ‘Wat wil je mij vragen?’ Toen vroeg ik in stilte om hulp aan de God van de hemel.

Nehemia vraagt de koning om steun

5Ik zei tegen de koning: ‘Als u het goedvindt, koning, en als u mij de juiste persoon vindt, wilt u me dan naar het gebied Juda sturen? Dan ga ik daar Jeruzalem weer opbouwen, de stad waar mijn voorouders begraven zijn.’

6De koning zat naast zijn lievelingsvrouw. Hij zei tegen mij: ‘Hoe lang gaat je reis dan duren, Nehemia? En wanneer kom je weer terug?’ Ik vertelde hem hoe lang ik weg zou zijn. Toen zei de koning dat ik mocht gaan.

7Ik vroeg hem: ‘Wilt u mij brieven meegeven voor de bestuurders van de provincie Trans-Eufraat? Anders geven ze mij misschien geen toestemming om door te reizen naar Juda. 8En kan ik ook een brief meekrijgen voor Asaf, de koninklijke houthandelaar? Een brief waarin u hem om hout vraagt voor de deuren in de poorten van de tempel, de stadsmuur en mijn eigen huis?’

De koning gaf mij alle brieven mee waar ik om gevraagd had. Het was duidelijk dat God mij hielp.

Tegenstanders van Nehemia

9De koning stuurde een aantal legerleiders en soldaten met me mee. Met hen ging ik naar de bestuurders van de provincie Trans-Eufraat. Ik gaf hun de brieven van de koning.

10Eén van die bestuurders was Sanballat uit Choron. Een andere bestuurder was Tobia uit Ammon. Toen zij hoorden dat ik de Israëlieten kwam helpen, werden ze woedend.

Nehemia gaat de muren bekijken

11-12Ik kwam in Jeruzalem aan. Ik had niemand verteld dat ik de muren van Jeruzalem weer wilde opbouwen. Alleen God wist ervan, want hij had mij die opdracht zelf gegeven.

Toen ik drie dagen in Jeruzalem was, ging ik ’s nachts met een paar mannen op pad. De mannen gingen lopen, ikzelf reed op een ezel. 13Ik wilde zien hoe erg de muren en de poorten verwoest waren. Ik ging via de Dalpoort en de Slangenbron naar de Mestpoort. 14Daarna reed ik door naar de Bronpoort en de Koningsvijver. Daar kon mijn ezel niet verder. 15Daarom klom ik zelf door het Kidron-dal omhoog, om de muur goed te kunnen bekijken. Daarna ging ik weer terug. Via de Dalpoort kwam ik de stad weer in.

De Judeeërs gaan de muren repareren

16Niemand van de Judeeërs wist waar ik die nacht naartoe gegaan was, en wat ik daar gedaan had. Ik had het aan niemand verteld. Niet aan de priesters en de bestuurders van de stad, niet aan de inwoners, en zelfs niet aan de mensen die mij zouden helpen.

17Maar nu zei ik tegen alle Judeeërs: ‘Jullie zien hoe slecht het met ons gaat. Jeruzalem is verwoest en de poorten zijn platgebrand. Laten we de muren weer opbouwen. Het is een schande als we er niets aan doen!’ 18Ik vertelde hun ook hoe mijn God mij geholpen had, en wat de koning tegen mij gezegd had.

Toen zeiden de Judeeërs: ‘Ja, we moeten de muren weer opbouwen. Laten we meteen beginnen.’ En ze gingen hard aan het werk.

Nehemia wordt uitgelachen

19De bestuurders Sanballat en Tobia, en de Arabier Gesem hoorden wat wij van plan waren. Ze lachten ons uit, en ze zeiden: ‘Wat gaan jullie doen? Willen jullie in opstand komen tegen de koning?’

20Ik antwoordde: ‘De God van de hemel zal zorgen dat ons plan lukt. Wij vereren hem, en wij zullen de muren weer opbouwen. Maar jullie hebben niets te zeggen over Jeruzalem. Want jullie horen niet in de stad van onze God, jullie hebben hier nooit gewoond.’

3

Herstel van de stadsmuur

Van de Schaapspoort tot de Vispoort

31Eljasib, de hogepriester, bouwde met andere priesters de Schaapspoort weer op. Toen de poort klaar was, zetten ze er deuren in. Daarna maakten ze de muur tussen de Honderdtoren en de Chananel-toren af.

2Daarnaast bouwden de bewoners van Jericho aan een deel van de muur. En Zakkur, de zoon van Imri, werkte aan een volgend stuk muur.

Van de Vispoort tot de Oude Poort

3De nakomelingen van Senaä bouwden de Vispoort weer op. Ze zetten er nieuwe balken in, en deuren die goed op slot konden. 4Meremot, de zoon van Uria en de kleinzoon van Hakkos, repareerde een deel van de muur daarnaast.

Verderop was Mesullam aan het werk. Mesullam was een zoon van Berechja en een kleinzoon van Mesezabel. Naast Mesullam was Sadok, de zoon van Baäna, aan het werk.

5De inwoners van Tekoa werkten aan een volgend deel van de muur. Maar de rijke inwoners van die stad hielpen niet mee met het werk dat gedaan moest worden.

Van de Oude Poort tot de Dalpoort

6Jojada, de zoon van Paseach, en Mesullam, de zoon van Besodja, repareerden de Oude Poort. Ze zetten er nieuwe balken in, en deuren die goed op slot konden. 7Melatja uit Gibeon en Jadon uit Meronot werkten aan de muur daarnaast. Ze werden geholpen door mannen uit Gibeon en Mispa. Het gedeelte van de muur waar ze aan werkten, liep door tot het huis van de provinciebestuurder.

8Uzziël, de zoon van Charhaja, werkte aan het volgende deel van de muur. Uzziël was een goudsmid. Daarnaast werkte Chananja, hij was zalfmaker van beroep. Zij repareerden de muur tot aan de Brede Muur.

9Verderop was Refaja, de zoon van Chur, aan het werk. Refaja was de bestuurder van de helft van het gebied rond Jeruzalem. 10Jedaja, de zoon van Charumaf, repareerde het stuk muur tegenover zijn eigen huis. En Chattus, de zoon van Chasabneja, was daarnaast aan het werk.

11Het volgende gedeelte, met de Bakoventoren, werd hersteld door Malkia, de zoon van Charim, en door Chassub, de zoon van Pachat-Moab. 12Sallum, de zoon van Halloches, repareerde met zijn dochters het volgende deel van de muur. Sallum was de bestuurder van de andere helft van het gebied rond Jeruzalem.

Van de Dalpoort tot de Mestpoort

13Chanun repareerde met de inwoners van Zanoach de Dalpoort. Ze bouwden de poort weer op, en zetten er deuren in die goed op slot konden. Ze repareerden ook de muur tot aan de Mestpoort. Dat was een stuk muur van 500 meter.

14De Mestpoort werd hersteld door Malkia, de zoon van Rechab. Malkia was de bestuurder van het gebied rond Bet-Hakkerem. Hij bouwde de poort weer op, en zette er deuren in die goed op slot konden.

Van de Bronpoort tot de oude stad

15Sallun, de zoon van Kolchoze, repareerde de Bronpoort. Sallun was de bestuurder van het gebied rond Mispa. Hij herstelde de poort en zette er een dak op. Hij zette er ook deuren in die goed op slot konden.

Sallun repareerde ook de muur bij de vijver. Daar begon het kanaal dat naar de koninklijke tuin loopt. De muur liep door tot aan de trappen naar het oude deel van de stad.

Van de oude stad tot de Punt

16Nechemja, de zoon van Azbuk, repareerde het volgende deel van de muur. Nechemja was de bestuurder van het gebied rond Bet-Sur. Dat deel van de muur liep door tot de graven van de koningen van Juda. Daarna liep de muur tot aan de vijver, en verder tot aan het Huis van de Helden.

17Het volgende stuk van de muur werd hersteld door Levieten. Rechum, de zoon van Bani, deed een deel, en Chasabja deed een deel. Dat deed Chasabja omdat hij de bestuurder was van de helft van het gebied rond de stad Keïla.

18Binnuï, de zoon van Chenadad, repareerde het volgende stuk van de muur. Binnuï was de bestuurder van de andere helft van het gebied rond de stad Keïla. 19Ezer, de zoon van Jesua, repareerde de muur die omhoogliep naar het gebouw waar de wapens bewaard werden, en verder naar de Punt. Ezer was de bestuurder van de stad Mispa.

Van de Punt tot het huis van Eljasib

20Baruch, de zoon van Zabbai, werkte heel hard aan het volgende gedeelte van de muur. Dat was het gedeelte vanaf de Punt tot de voorkant van het huis van hogepriester Eljasib.

21Het deel daarna werd hersteld door Meremot, de zoon van Uria en de kleinzoon van Hakkos. Dat deel van de muur liep van de voorkant van het huis van Eljasib tot aan de achterkant.

Van Eljasibs huis tot de heuvel Ofel

22Het daaropvolgende stuk van de muur werd hersteld door priesters uit de omgeving van Jeruzalem. 23Weer verderop repareerden Benjamin en Chassub het gedeelte tegenover hun huis. Azarja, de zoon van Maäseja en de kleinzoon van Ananja, repareerde de muur naast zijn eigen huis. 24Binnuï, de zoon van Chenadad, repareerde de muur vanaf het huis van Azarja tot aan de Punt en de Hoek. 25Palal, de zoon van Uzai, repareerde een ander stuk van de muur. Dat was de muur tegenover de Punt en de hoge toren van het paleis van de koning, vlak bij het plein van de gevangenis.

Pedaja, de zoon van Paros, 26repareerde de muur tot aan de Waterpoort aan de oostkant van de stad en de hoge toren van het paleis. Hij deed dat met mensen die in de tempel werkten en op de heuvel Ofel woonden. 27De inwoners van Tekoa repareerden een volgend stuk van de muur. Dat was het deel dat liep van de hoge toren tot aan de muur bij de heuvel Ofel.

Het werk aan andere delen van de muur

28De priesters repareerden de muur vanaf de Paardenpoort. Iedere priester werkte aan het stuk tegenover zijn eigen huis. 29Ook Sadok, de zoon van Immer, repareerde de muur tegenover zijn huis. Semaja, de zoon van Sechanja, deed het volgende stuk. Semaja was de bewaker van de Oostpoort.

30Chananja, de zoon van Selemja, werkte aan weer een volgend gedeelte van de muur. Hij deed dat samen met Chanun, de zesde zoon van Salaf. Verderop repareerde Mesullam, de zoon van Berechja, de muur tegenover zijn huis.

31Malkia, een goudsmid, repareerde ook een deel van de muur. Dat deel liep tot aan het gebouw dat tegenover de Wachtpoort lag. Dat gebouw werd gebruikt door de helpers in de tempel en door de handelaars uit de tempel. De muur liep verder tot de toren bij de Hoek. 32Aan het gedeelte tussen die toren en de Schaapspoort werkten de goudsmeden en de handelaars.

Acties van de tegenstanders

De Judeeërs worden beledigd

33-34Sanballat hoorde dat wij de muur aan het opbouwen waren. Hij werd heel kwaad. Toen zijn vrienden en de legerleiders van Samaria bij hem waren, begon hij de Judeeërs belachelijk te maken. Hij zei: ‘Wat willen die Judeeërs toch? Ze betekenen helemaal niets. Denken ze dat ze de muur zelf kunnen repareren? Willen ze misschien ook offers gaan brengen? Denken ze het werk vandaag nog af te krijgen? Deze stad is door brand verwoest, overal ligt puin. Zijn ze echt van plan die stenen opnieuw te gebruiken?’

35Tobia uit Ammon die naast hem stond, zei: ‘Ach, laat ze maar bouwen. Die muren zullen al instorten als er een vos op springt!’

Nehemia bidt tot God

36Toen vroeg ik God om hulp. Ik zei: ‘God, hoor toch hoe ze ons belachelijk maken. Straf hen daarvoor! Zorg ervoor dat ze gevangen worden genomen, en naar een ver land gebracht worden. 37Vergeef hun misdaden niet, vergeet niet wat ze ons aandoen! Ze beledigen ons, terwijl we bezig zijn om de muur van Jeruzalem weer op te bouwen.’

De tegenstanders worden kwaad

38We bouwden verder aan de muur van Jeruzalem. Iedereen werkte hard door. Daardoor was de muur al snel half af.

4

41De muur werd steeds hoger, en bijna alle gaten waren al dichtgemaakt.

Toen Sanballat en Tobia dat hoorden, werden ze heel erg kwaad. En niet alleen zij waren kwaad, maar ook de Arabieren, de Ammonieten en de mensen uit Asdod. 2Ze kwamen bij elkaar en maakten een plan om Jeruzalem aan te vallen. Ze wilden ons bang maken. 3Maar wij vroegen onze God om hulp, en zorgden ervoor dat de stad dag en nacht bewaakt werd.

Nehemia beschermt de bouwers

4Op een dag begonnen de Judeeërs te klagen: ‘We worden doodmoe van het werk, er is te veel puin. We kunnen die muur nooit helemaal opbouwen.’

5Intussen waren onze vijanden van plan ons plotseling aan te vallen. Ze zeiden: ‘In Jeruzalem weten ze nog van niets. En ze mogen ook niets merken. Maar we zullen hen doden, want dat werk moet stoppen.’

6Maar dat plan mislukte. Want waar onze vijanden woonden, woonden ook veel Judeeërs. Die Judeeërs kwamen ons wel tien keer waarschuwen. Ze zeiden dat de mensen die aan de muur werkten, weer naar huis moesten komen. 7Maar ik zorgde ervoor dat iedereen achter de muur ging staan. Ik zette alle families bij elkaar. En ik zette ze vooral op de plekken waar de muur laag of zwak was. Ook gaf ik iedereen wapens: zwaarden, speren, en pijl en boog.

8Toen iedereen op zijn plaats stond, begon ik te spreken. Ik zei tegen de bestuurders, tegen de belangrijke inwoners van de stad en tegen alle anderen: ‘Wees niet bang voor onze vijanden. Bedenk hoe groot en machtig de Heer is! Vecht voor jullie eigen mensen, voor jullie zonen, dochters en vrouwen, en vecht ook voor jullie huizen!’

Het werk gaat door

9Al snel merkten onze vijanden dat wij alles wisten van hun plannen. En ze begrepen dat God ervoor zorgde dat ze niet konden aanvallen. Daarom konden wij doorgaan met ons werk aan de muur.

10-12Vanaf die dag liet ik steeds de helft van mijn mannen werken. Aan de andere helft gaf ik wapens om hen te verdedigen. De leiders van het volk beschermden de mensen die aan het bouwen waren.

De arbeiders die stenen moesten dragen, werkten met één hand. In hun andere hand hielden ze een wapen vast. Ook de bouwers hadden tijdens het werk allemaal een wapen bij zich.

Naast mij stond een man die op de trompet moest blazen als er gevaar was. 13Ik had tegen de bestuurders, tegen de belangrijke inwoners van de stad en tegen alle anderen gezegd: ‘Er is over de hele lengte van de muur veel werk te doen. We staan ver van elkaar af en we zien elkaar niet. 14Als jullie de trompet horen, moeten jullie direct naar mij toe komen. Onze God strijdt voor ons!’

De stad wordt dag en nacht bewaakt

15We werkten van de ochtend tot de avond. En altijd werden we beschermd door de helft van mijn mannen.

16Ik had de mensen die aan het werk waren, ook nog de volgende opdracht gegeven: ‘Iedereen moet met zijn mannen ook ’s nachts in Jeruzalem blijven, en niet naar huis gaan. Want overdag moeten we werken, en ’s nachts moeten we de stad bewaken.’ 17Mijn broers, mijn dienaren, de bewakers en ik hadden dus ook ’s nachts een taak. Iedereen was altijd klaar om te vechten.