Bijbel in Gewone Taal (BGT)
9

Israëls ontrouw

De wet wordt voorgelezen

91Op de 24ste dag van de zevende maand kwamen de Israëlieten weer bij elkaar. Ze vastten, deden rouwkleren aan en gooiden zand over hun hoofd. 2Ze gingen apart staan van de mensen die geen Israëlieten waren. Daarna gaven de Israëlieten in het openbaar hun fouten toe, en ook de fouten van hun voorouders.

3Drie uur lang bleef het volk staan. Intussen werd er voorgelezen uit het boek met de wet van de Heer, hun God. Daarna knielden ze drie uur lang voor de Heer, hun God, en gaven ze hun fouten toe.

De Levieten beginnen te bidden

4Een paar Levieten stonden op een verhoging. Dat waren Jesua, Bani, Kadmiël, Sebanja, Bunni, Serebja, Kenani en nog een Bani. Zij begonnen hardop te bidden tot de Heer, hun God. 5Toen zeiden de Levieten Jesua, Bani, Kadmiël, Sebanja en Serebja, en Chasabneja, Hodia en Petachja tegen het volk: ‘Dank de Heer, jullie God. En blijf hem altijd danken.’

Daarna zeiden de Levieten tegen de Heer:

‘Iedereen moet u danken, want u bent machtig. Er zijn niet genoeg woorden om u te danken en te prijzen. 6U bent de Heer, u alleen. U hebt de hemel en de sterren gemaakt. U maakte de aarde en de zee. En u hebt het leven gegeven aan alle mensen en dieren. Alle engelen in de hemel buigen diep voor u.

De belofte van de Heer aan Abraham

7U bent God, de Heer. U hebt Abram uitgekozen en hem weggehaald uit Ur in Babylonië. U gaf hem de naam Abraham. 8U zag dat hij u vertrouwde. Daarom beloofde u hem dat u aan zijn nakomelingen een land zou geven. Het land van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Perizzieten, de Jebusieten en de Girgasieten. En u bent betrouwbaar, want u hebt gedaan wat u beloofd hebt.

De redding uit Egypte

9U zag dat onze voorouders het slecht hadden in Egypte. U luisterde naar hen toen ze bij de Rietzee waren en naar u om hulp riepen. 10U wist dat de farao, zijn ambtenaren en zijn hele volk onze voorouders slecht behandelden. Daarom deed u in Egypte veel wonderen. Iedereen moest weten hoe machtig u bent, en iedereen weet het nu.

11U maakte voor de Israëlieten een pad door de zee. Zo konden ze over de bodem van de zee naar de overkant gaan. Ze werden achtervolgd door de Egyptenaren, maar die hebt u in de diepe zee gegooid. Ze zonken, zoals stenen naar de bodem zinken.

De Heer hielp Israël in de woestijn

12U ging met uw volk mee, overdag in een grote wolk en ’s nachts in een vuur. Zo hebt u de weg voor uw volk verlicht. 13U kwam uit de hemel naar de berg Sinai. U sprak met de Israëlieten, en u gaf ze eerlijke regels en goede, duidelijke wetten. 14U vertelde hun over de sabbat, de dag die heilig voor u is. En u gaf uw dienaar Mozes de opdracht om al uw wetten en regels door te geven aan uw volk.

15U gaf brood uit de hemel toen de Israëlieten honger hadden. U liet water uit de rots stromen toen zij dorst hadden. U zei tegen hen in welk land ze moesten gaan wonen. Dat was het land dat u aan hen beloofd had.

Israël was ongehoorzaam

16Maar onze voorouders waren eigenwijs en ongehoorzaam. Zij deden niet wat u tegen hen gezegd had. 17Ze wilden niet naar u luisteren. Ze dachten niet meer aan de wonderen die u voor hen gedaan had. Ze waren eigenwijs, ze kozen een eigen leider. Ze wilden weer als slaven leven, zoals vroeger in Egypte.

Maar u bent een goede God. U vergeeft de mensen als ze fouten maken, u zorgt voor hen. U bent geduldig en trouw. Dus u liet hen niet in de steek.

De Heer bleef voor Israël zorgen

18De Israëlieten maakten een beeld van een stier, en ze zeiden: ‘Dit is de god die jullie bevrijd heeft uit Egypte!’ Daarmee hebben ze u diep beledigd. 19Maar zelfs toen was u goed voor uw volk. U liet de Israëlieten in de woestijn niet in de steek. Overdag ging de grote wolk niet weg, hij was bij hen als ze verdergingen. En in de nacht was er een vuur om de weg te verlichten. 20U hielp hen vriendelijk om uw regels te begrijpen. U bleef hun manna geven als ze honger hadden, en water als ze dorst hadden.

21Veertig jaar lang hebt u in de woestijn voor de Israëlieten gezorgd. Ze kregen alles wat ze nodig hadden. Hun kleren raakten niet versleten, en hun voeten werden niet dik van het lopen.

De Israëlieten kwamen in Kanaän

22U liet de Israëlieten koninkrijken veroveren. U gaf aan hen de gebieden van de overwonnen volken. Ze kregen het land van Sichon, de koning van Chesbon, in bezit. En ook Basan, het land van koning Og.

23U gaf de Israëlieten veel kinderen, zo veel als er sterren zijn aan de hemel. U bracht de kinderen naar het land dat u aan hun voorouders beloofd had. 24En zij namen het land in bezit.

U zorgde ervoor dat uw volk ging heersen over de inwoners van Kanaän. Alle volken en koningen in Kanaän moesten de Israëlieten dienen. De Israëlieten konden met hen doen wat ze wilden.

25De Israëlieten veroverden machtige steden en vruchtbare stukken land. Ze namen huizen vol mooie spullen in bezit, en waterbakken die in de rotsen uitgehakt waren. Ook alle velden met druivenplanten, olijfbomen en fruitbomen namen ze in bezit. Ze konden zo veel eten als ze wilden, ze werden dik van het lekkere eten. Ze genoten van alle goede dingen die u aan hen gaf.

Israël was steeds weer ongehoorzaam

26Maar toen werden de Israëlieten ontrouw aan u, en ze kwamen tegen u in opstand. Ze gehoorzaamden uw wetten niet meer. U stuurde uw profeten om hen te waarschuwen en te zorgen dat ze u weer gingen dienen. Maar zij vermoordden uw profeten. Daarmee hebben de Israëlieten u diep beledigd. 27Daarom stuurde u vijanden op hen af.

De Heer bleef trouw aan Israël

Toen de Israëlieten zwaar onderdrukt werden, schreeuwden ze om hulp. Vanuit de hemel luisterde u naar hen. U had medelijden met hen, en u stuurde leiders om hen te bevrijden. 28Maar zodra de Israëlieten weer vrij waren en in vrede leefden, gingen ze opnieuw verkeerde dingen doen. Dan zorgde u er weer voor dat vijanden over hen gingen heersen.

Daarna schreeuwden ze opnieuw om hulp. En weer luisterde u naar hen vanuit de hemel. U redde hen, want u had medelijden met hen. U redde uw volk steeds weer van hun vijanden. 29U waarschuwde hen, u zei dat ze zich aan uw wetten moesten houden.

Maar uw volk was eigenwijs, ze hielden zich niet aan uw regels. Ze deden niet wat er in uw wetten staat. Ze wisten dat het goed gaat met mensen die zich aan uw wetten houden. Maar toch was uw volk ongehoorzaam, de mensen wilden niet luisteren.

30U hebt heel veel jaren geduld gehad met uw volk. U hebt profeten gestuurd, en die hebben uw volk namens u gewaarschuwd. Maar uw volk luisterde niet. Daarom zorgde u ervoor dat vijanden over hen heersten. 31Maar omdat u goed was voor uw volk, hebt u het niet vernietigd. U hebt de Israëlieten niet in de steek gelaten. U bleef voor hen zorgen en u liet zien dat u een goede God bent.

Alle ellende is Israëls eigen schuld

32God, u bent zo groot en machtig! Iedereen heeft eerbied voor u. U houdt u aan uw beloftes en u bent goed voor mensen. Daarom vragen wij aan u: Vergeet niet hoe groot de ellende is die wij meemaken. Onze koningen en leiders, onze priesters en profeten, en onze voorouders hebben veel ellende meegemaakt. Uw volk heeft veel geleden sinds de Assyriërs kwamen. En nog steeds gaat het erg slecht met ons.

33God, u bent altijd eerlijk, u hebt ons gegeven wat wij verdienden. Daarom maken we zo veel ellende mee. Want we hebben gedaan wat verkeerd was. 34Onze koningen, onze leiders, onze priesters en onze voorouders hielden zich niet aan uw wet. Ze vergaten uw regels. U waarschuwde hen, maar zij deden niet wat u wilde. 35U had hun een eigen land gegeven, zo goed was u voor hen. Dat was een mooi land, en het was groot genoeg. Ze kregen ook een eigen koning. Maar ze weigerden om u te dienen. Ze bleven steeds maar slechte dingen doen.

36En nu zijn wij slaven. We zijn in het land dat u aan onze voorouders gegeven hebt. Het land waarin zo veel eten en zo veel rijkdom te vinden is. Maar in dat land zijn we slaven! 37En we moeten de hele oogst van het land aan de koningen van andere volken geven. U hebt die koningen over ons aangesteld, ze heersen nu over ons en over onze dieren. Ze doen met ons wat ze willen. Het gaat heel slecht met ons.’

10

Belofte van trouw aan de wet

De Israëlieten maken een afspraak

101-2Toen de Levieten klaar waren met hun gebed, maakten we met elkaar een afspraak. We schreven op wat we beloofden.

Op het document stonden stempels met de namen van onze leiders, en van de Levieten en priesters. Het waren de volgende personen:

De provinciebestuurder Nehemia, de zoon van Chachalja, en Sidkia.

3De volgende priesters: Seraja, Azarja, Jirmeja, 4Paschur, Amarja, Malkia, 5Chattus, Sebanja, Malluch, 6Charim, Meremot, Obadja, 7Daniël, Ginneton, Baruch, 8Mesullam, Abia, Miamin, 9Maäzja, Bilgai en Semaja.

10De volgende Levieten: Jesua, de zoon van Azanja, Binnuï en Kadmiël, de zoon van Chenadad, 11met hun familieleden Sebanja, Hodia, Kelita, Pelaja, Chanan, 12Micha, Rechob, Chasabja, 13Zakkur, Serebja, Sebanja, 14Hodia, Bani en Beninu.

15De volgende familieleiders: Paros, Pachat-Moab, Elam, Zattu, Bani, 16Bunni, Azgad, Bebai, 17Adonia, Bigwai, Adin, 18Ater, Chizkia, Azzur, 19Hodia, Chasum, Besai, 20Charif, Anatot, Nebai, 21Magpias, Mesullam, Chezir, 22Mesezabel, Sadok, Jaddua, 23Pelatja, Chanan, Anaja, 24Hosea, Chananja, Chassub, 25Halloches, Pilcha, Sobek, 26Rechum, Chasabna, Maäseja, 27Achia, Chanan, Anan, 28Malluch, Charim en Baäna.

Iedereen wil leven volgens de wet

29Alle andere Israëlieten, priesters, Levieten, bewakers van de tempelpoorten, tempelzangers en helpers in de tempel waren er ook bij. En alle mensen die niet meer wilden samenleven met mensen van andere volken. Ook zij wilden leven volgens de wet van God, en dat wilden ze plechtig beloven.

Ze kwamen met hun vrouwen, en met hun zonen en dochters. Ze namen ook alle kleine kinderen mee die de wet al konden begrijpen. 30Ze deden hetzelfde als de belangrijke Judeeërs. Ze beloofden plechtig om te leven volgens de wet die God aan zijn dienaar Mozes gegeven had. Ze beloofden om zich precies te houden aan alle wetten en regels van God, de Heer. Als ze dat niet deden, dan zou het slecht met hen aflopen.

Afspraken over contact met andere volken

31We beloofden de volgende dingen: ‘We zullen onze dochters niet laten trouwen met mannen uit andere volken. We zullen ook geen meisjes uit andere volken kiezen om die te laten trouwen met onze zonen.

32We beloven dat we op sabbat of een andere feestdag geen graan zullen kopen van andere volken. Of iets anders dat ze aan ons willen verkopen.

Afspraken voor elk zevende jaar

We beloven dat we ons land elk zevende jaar met rust zullen laten. We zullen dan niet zaaien of oogsten.

En in dat jaar zullen we niemand dwingen om zijn schuld aan ons terug te betalen.

Afspraken over tempelbelasting

33We beloven dat we elk jaar belasting zullen betalen voor het werk in de tempel. Iedereen moet een stuk zilver van 3 gram betalen. 34Daarmee kunnen verschillende dingen betaald worden: de offerbroden die in de tempel liggen, de dagelijkse graanoffers en de dagelijkse offers die helemaal verbrand moeten worden. En ook de offers op sabbat, op het Feest van Nieuwe Maan en op andere feesten. Ook de speciale offers kunnen daarvan betaald worden. Net als de offers waarmee de fouten van het volk goedgemaakt worden.

Afspraken over hout voor de tempel

35We beloven dat er elk jaar genoeg hout in de tempel zal zijn. We hebben met de priesters en de Levieten geloot wie daarvoor moet zorgen, en op welke dagen. Op dat hout kunnen de offers branden op de altaren van de Heer, onze God. Zo staat dat in de wet.

Afspraken over de eerste oogst

36We beloven dat we trouw elk jaar de eerste oogst van onze akkers naar de tempel zullen brengen. Net als de eerste vruchten van de fruitbomen.

37Ook zullen we onze oudste zonen naar de tempel van onze God brengen. Net als elk eerste mannelijke jong van onze koeien, schapen en geiten. Ze zijn voor de priesters die daar werken. Want zo staat dat in de wet.

38We zullen ook het eerste deeg van het nieuwe graan naar de priesters brengen. En het fruit, de wijn en de olijfolie die we moeten geven. De priesters zullen dan alles naar de tempel van onze God brengen.

Afspraken voor de Levieten

Een tiende deel van de opbrengst van onze akkers zal voor de Levieten zijn. Zij moeten een tiende deel van de oogst verzamelen in de gebieden waar wij werken. 39Daar moet altijd een priester, een nakomeling van Aäron, bij zijn.

De Levieten moeten het tiende deel van de oogst verzamelen. En daarna moeten zij een tiende deel daarvan naar de tempel van onze God brengen. 40Want het graan, de wijn en de olijfolie moeten naar de tempel gebracht worden. Daar worden ook alle heilige voorwerpen bewaard. En ook de priesters zijn daar als ze dienst hebben, net als de bewakers van de tempel en de tempelzangers.

Wij beloven dat we goed zullen zorgen voor de tempel van onze God.’

11

Nieuwe inwoners in Jeruzalem

Sommige Judeeërs moeten verhuizen

111De leiders van het volk besloten om in de heilige stad Jeruzalem te gaan wonen. En ook moest er van elke tien families één familie naar Jeruzalem verhuizen. De mensen moesten loten om te beslissen welke familie er moest verhuizen. De andere families mochten in hun eigen plaats blijven wonen.

2Als er mensen vrijwillig in Jeruzalem gingen wonen, was iedereen daar dankbaar voor. 3Maar de meeste Israëlieten, priesters, Levieten, helpers in de tempel en nakomelingen van de slaven van Salomo wilden in de steden van Juda blijven wonen. Want daar hadden ze een eigen stuk grond.

Nu volgen de namen van de leiders van de provincie Juda die in Jeruzalem gingen wonen.

De leiders van de stam Juda

4-5Van de stam Juda gingen Maäseja en Ataja in Jeruzalem wonen.

Maäseja was een zoon van Baruch. Baruch was een zoon van Kolchoze. Kolchoze was een zoon van Chazaja. Chazaja was een zoon van Adaja. Adaja was een zoon van Jojarib. Jojarib was een zoon van Zecharja. En Zecharja was een zoon van Sela.

Ataja was een zoon van Uzzia. Uzzia was een zoon van Zecharja. Zecharja was een zoon van Amarja. Amarja was een zoon van Sefatja. En Sefatja was een zoon van Mahalalel. Ze waren nakomelingen van Peres.

6In totaal woonden er in Jeruzalem 468 nakomelingen van Peres. Het waren allemaal dappere mannen.

De leiders van de stam Benjamin

7-8Van de stam Benjamin gingen Sallu, Gabbai en Sallai in Jeruzalem wonen.

Sallu was een zoon van Mesullam. Mesullam was een zoon van Joëd. Joëd was een zoon van Pedaja. Pedaja was een zoon van Kolaja. Kolaja was een zoon van Maäseja. Maäseja was een zoon van Itiël. En Itiël was een zoon van Jesaja.

In totaal gingen er 928 personen van de stam Benjamin in Jeruzalem wonen. 9Hun leider was Joël, de zoon van Zichri. Jehuda, de zoon van Hassenua, was één van de belangrijkste bestuurders van Jeruzalem.

De priesters

10De volgende priesters gingen in Jeruzalem wonen: Jedaja, de zoon van Jojarib, Jachin, 11en Seraja, de zoon van Chilkia. Chilkia was een zoon van Mesullam. Mesullam was een zoon van Sadok. Sadok was een zoon van Merajot. En Merajot was een zoon van Achitub. Achitub was de leider van de tempel geweest. 12Zij verhuisden samen met de andere leden van hun families die in de tempel werkten. Dat waren in totaal 822 personen.

Ook Adaja ging in Jeruzalem wonen. Adaja was een zoon van Jerocham. Jerocham was een zoon van Pelalja. Pelalja was een zoon van Amsi. Amsi was een zoon van Zecharja. Zecharja was een zoon van Paschur. En Paschur was een zoon van Malkia. 13Adaja verhuisde samen met de andere leden van zijn familie naar Jeruzalem. In totaal gingen er 242 leiders van zijn familie mee.

Verder ging ook Amassai in Jeruzalem wonen. Amassai was een zoon van Azarel. Azarel was een zoon van Achzai. Achzai was een zoon van Mesillemot. En Mesillemot was een zoon van Immer. 14Amassai verhuisde samen met 128 andere leden van zijn familie naar Jeruzalem. Het waren allemaal dappere mannen. Hun leider was Zabdiël, de zoon van Haggedolim.

De Levieten

15Er gingen veel Levieten in Jeruzalem wonen. Eén van hen was Semaja, de zoon van Chassub. Chassub was een zoon van Azrikam. Azrikam was een zoon van Chasabja. En Chasabja was een zoon van Bunni.

16Ook Sabbetai en Jozabad verhuisden naar Jeruzalem. Zij waren leiders van de Levieten, en verantwoordelijk voor het werk buiten de tempel van Jeruzalem.

17Verder ging Mattanja naar Jeruzalem. Mattanja was een zoon van Micha. Micha was een zoon van Zabdi. En Zabdi was een zoon van Asaf. Als er gezongen werd bij de gebeden, dan leidde Mattanja de zangers.

Bakbukja ging met Mattanja mee. Bakbukja was de leider van een andere groep zangers in de tempel.

Ook de Leviet Abda ging in Jeruzalem wonen. Abda was een zoon van Sammua. Sammua was een zoon van Galal. En Galal was een zoon van Jedutun.

18In totaal gingen er 284 Levieten in de heilige stad wonen.

De bewakers en helpers in de tempel

19Akkub en Talmon gingen samen met hun families in Jeruzalem wonen. Dat waren in totaal 172 personen. Zij hadden de taak om de poorten van de tempel te bewaken.

20-21De helpers in de tempel woonden in het deel van Jeruzalem bij de heuvel Ofel. Hun leiders waren Sicha en Gispa.

Veel Israëlieten verhuizen niet

Alle andere Israëlieten, priesters en Levieten bleven in de steden van Juda wonen. Daar hadden zij een eigen stuk grond, dat eigendom was van hun familie.

De leider van de Levieten

22Uzzi, de leider van de Levieten, was verhuisd naar Jeruzalem. Uzzi was een zoon van Bani. Bani was een zoon van Chasabja. Chasabja was een zoon van Mattanja. En Mattanja was een zoon van Micha. Hij kwam uit de familie van Asaf. Die familie had de taak om liederen te zingen in de tempel. 23Dat was een koninklijk besluit. In dat besluit waren de dagelijkse diensten van de tempelzangers duidelijk geregeld.

De raadgever van de Perzische koning

24Petachja, de zoon van Mesezabel, was ook verhuisd naar Jeruzalem. Hij kwam uit de familie van Zerach, de zoon van Juda. Petachja gaf de koning van Perzië advies over alles wat met het volk van Juda te maken had.

De woonplaatsen in Juda en Benjamin

De plaatsen in het gebied Juda

25Veel mensen van de stam Juda woonden buiten Jeruzalem in verschillende plaatsen. Ze woonden in Kirjat-Arba en de dorpen daaromheen. In Dibon en de dorpen daaromheen. In Jekabseël en de plaatsen daaromheen. 26In Jesua, Molada en Bet-Pelet, 27in Chasar-Sual en in Berseba en de dorpen daaromheen. 28In Siklag en Mechona en de dorpen daaromheen. 29In En-Rimmon, Sora en Jarmut, 30in Zanoach en Adullam en de plaatsen daaromheen. In Lachis en op het land daaromheen. En in Azeka en de dorpen daaromheen.

De Judeeërs woonden in het hele gebied van Berseba in het zuiden tot aan het Hinnom-dal bij Jeruzalem.

De plaatsen in het gebied Benjamin

31De mensen van de stam Benjamin woonden in Geba, Michmas en Ajja, in Betel en de dorpen daaromheen, 32in Anatot, Nob en Ananja, 33in Chasor, Rama en Gittaïm, 34in Chadid, Seboïm en Neballat, 35in Lod, Ono en het Handwerkersdal.

36Ook een paar groepen Levieten uit Juda moesten in het gebied van de stam Benjamin gaan wonen.